Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA5798

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
C06/061HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA5798
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Koop-/aannemingsovereenkomst inzake ontwikkeling vakantiepark; recht op parkbijdrage van de exploitant kwalitatief recht in de zin van art. 6:251 BW?; onvoldoende motivering oordeel dat het voor toepasselijkheid van art. 6:251 BW vereiste verband bestaat tussen het recht op voldoening van de parkbijdrage en de eigendom van de gemeenschappelijke voorzieningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2007/264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juli 2007

Eerste Kamer

Nr. C06/035HR en C06/061HR

MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak C06/035 van:

VAKANTIEPARK ZEEBAD B.V.,

gevestigd te Breskens, gemeente Sluis,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders,

t e g e n

1. BIJ DE VAATE RECREATIE ZEELAND B.V.,

gevestigd te Zierikzee, gemeente Schouwen Duiveland,

2. [De notaris],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. D. Rijpma.

en in de zaak C06/061 van:

VAKANTIEPARK ZEEBAD B.V.,

gevestigd te Breskens, gemeente Sluis,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

2. [Verweerster 2],

beiden wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Vakantiepark, Bij de Vaate, [de notaris] en [verweerder] c.s.

1. Het geding in feitelijke instanties in de zaak C06/035

Vakantiepark heeft bij exploot van 4 november 2002 Bij de Vaate en [de notaris] gedagvaard voor de rechtbank Middelburg en gevorderd, kort gezegd, na vermindering van eis, Bij de Vaate en [de notaris] hoofdelijk te veroordelen primair om aan Vakantiepark te betalen een bedrag van € 13.612.061,90, subsidiair tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met kosten.

Bij de Vaate en [de notaris] hebben de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 25 februari 2004 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft Vakantiepark hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 27 september 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in feitelijke instanties in de zaak C06/061

Vakantiepark heeft bij exploot van 28 augustus 2003 [verweerder] c.s. gedagvaard voor de rechtbank, sector kanton, Middelburg, locatie Terneuzen, en gevorderd, kort gezegd, [verweerder] c.s. te veroordelen om aan Vakantiepark te betalen een bedrag van € 3.503,32, met rente en kosten.

[Verweerder] c.s. hebben de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 7 april 2004 [verweerder] c.s. hoofdelijk veroordeeld om aan Vakantiepark te betalen een bedrag van € 3.097,32, met rente en kosten.

Tegen dit vonnis hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij tussenarrest van 24 november 2005 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen teneinde [verweerder] c.s. in de gelegenheid te stellen bij akte opgave te doen van de naar hun mening ondeugdelijke dienstverlening gedurende de jaren 2001 tot en met 2003 en iedere verdere beslissing aangehouden. Bij arrest van 16 februari 2006 heeft het hof bepaald dat tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld voordat het eindarrest is gewezen.

Het tussenarrest van het hof van 24 november 2005 is aan dit arrest gehecht.

3. Het geding in cassatie in de zaak C06/035

Tegen het arrest van het hof van 27 september 2005 heeft Vakantiepark beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Bij de Vaate en [de notaris] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor Vakantiepark toegelicht door haar advocaat en voor Bij de Vaate en [de notaris] door mr. R.L. Bakels, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

Bij brief van van 7 juni 2007 heeft mr. R.L. Bakels op de conclusie gereageerd.

4. Het geding in cassatie in de zaak C06/061

Tegen het tussenarrest van het hof van 24 november 2005 heeft Vakantiepark beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerder] c.s. is verstek verleend.

De zaak is voor Vakantiepark toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

5. Beoordeling van de middelen in de zaken C06/035 en C06/061

5.1 De Hoge Raad zal de zaken gevoegd behandelen.

5.2 Het gaat in deze zaken om het volgende.

(i) Bij overeenkomst van 28 mei 1996 heeft Bij de Vaate van de gemeente Oostburg een aantal percelen grond gekocht ten behoeve van de ontwikkeling van een recreatieproject, genaamd: "Scheldeveste", omvattende 210 recreatiewoningen, een sporthal en zwembad (hierna: centrumvoorzieningen), alsmede waterpartijen, wegen en groenvoorzieningen (hierna ook aangeduid als: infrastructurele zaken, infrastructuur of gemeenschappelijke voorzieningen). In art. 13 van de akte van levering d.d. 5 juli 1996, verleden door [de notaris], is bepaald dat het onderhoud van de infrastructurele zaken aanvankelijk geschiedt voor rekening van Bij de Vaate, waarna Bij de Vaate - na verkoop van de eerste voor de bouw van recreatiewoningen bestemde kavel(s) - die zaken tot gemeenschappelijke eigendom van de kaveleigenaren zal doen maken en het onderhoud van die zaken zal worden verricht door een daartoe op te richten Vereniging van Eigenaren.

(ii) Bij eveneens op 5 juli 1996 door [de notaris] verleden notariële akte zijn voorwaarden vastgelegd bestemd om van toepassing te worden verklaard op de koop-/aannemingsovereenkomsten tussen Bij de Vaate en de kopers van de kavels. Volgens die voorwaarden verplicht de exploitant (Bij de Vaate of een door haar op te richten exploitatiemaatschappij) zich tot - zakelijk samengevat - onderhoud van de infrastructurele zaken en verlening van toegang tot het te stichten zwembad, tot vergoeding van welke diensten de koper jaarlijks aan de exploitant een bedrag van ƒ 1.750,-- excl. BTW verschuldigd is (hierna: de parkbijdrage). Tevens is bepaald onder art. VII dat, indien Bij de Vaate met de gemeente overeenkomt dat geen Vereniging van Eigenaren zal worden opgericht en zolang de exploitatie van het plan door Bij de Vaate (of een met haar verbonden vennootschap) wordt uitgevoerd, de infrastructurele zaken eigendom blijven van Bij de Vaate en dat, zodra Bij de Vaate (of een met haar verbonden vennootschap) de exploitatie van de zaken niet meer voor haar rekening neemt, alle eigenaren verplicht zijn mee te werken aan de oprichting van een Vereniging van Eigenaren welke op haar beurt verplicht is om (de eigendom van) alle infrastructurele zaken over te nemen. Bij de Vaate heeft met de kopers, onder wie [verweerder] c.s., koop/aannemingsovereenkomsten gesloten waarop deze voorwaarden van toepassing zijn verklaard. De voorwaarden houden onder meer het volgende in:

"III. Bepalingen omtrent het gebruik van de te stichten woningen.

1. (..) Bij de Vaate en/of de door Bij de Vaate op te richten exploitatiemaatschappij, hierna te noemen: exploitant.

(...)

IV. Verplichtingen exploitant

"1. Exploitant verplicht zich om de toegangswegen en de overige gemeenschappelijke voorzieningen behoorlijk te onderhouden en hun toegankelijkheid te waarborgen.

2. Zij zal zorgdragen voor een goede radio- en televisie ontvangst via een antenne-inrichting.

3. Zij zal zorgdragen voor voldoende afvoer van de afvalstoffen, alsmede rioolafvoer.

4. Zij zal zorgdragen voor het onderhoud van de waterpartijen en deze zoveel mogelijk in stand houden.

5. Iedere eigenaar heeft toegang tot het door exploitant te stichten zwembad.

De koper zal ter vergoeding van deze diensten jaarlijks aan de exploitant verschuldigd zijn een parkbijdrage van éénduizend zevenhonderdvijftig gulden (f 1.750,--), exclusief eventueel verschuldigde omzetbelasting.

(...)

VII. Overige bepalingen

Indien Bij de Vaate (voor de levering van de afzonderlijke bouwkavels aan de kopers) afspraken maakt met de gemeente Oostburg dat er geen Vereniging van Eigenaren als bedoeld in de hiervoor omschreven exploitatie-overeenkomst wordt opgericht, gelden de navolgende bepalingen:

1. Zolang Bij de Vaate dan wel een met haar verbonden vennootschap de exploitatie van het plan voor haar rekening neemt, zal geen Vereniging van Eigenaren, met het doel zoals hiervoor omschreven, worden opgericht, tenzij naar het oordeel van de gemeente de exploitatie en het onderhoud van de gemeenschappelijke zaken niet naar behoren wordt uitgevoerd.

2. De [infrastructurele] zaken (...) zullen eigendom blijven van Bij de Vaate, zolang deze ingevolge het bovenstaande de exploitatie van het plan uitvoert.

3. Zodra Bij de Vaate of een met haar verbonden vennootschap de exploitatie van de gemeenschappelijke zaken niet meer voor haar rekening neemt, zijn alle eigenaren of beperkt zakelijk gerechtigden verplicht om mee te werken aan de oprichting van een Vereniging van Eigenaren ten behoeve van het ordelijk in stand houden van het plan en van deze vereniging lid te worden en te blijven.

(...)

6. Deze op te richten vereniging zal verplicht zijn om alle infrastructurele zaken in het plangebied over te nemen voor één gulden (f 1,--), terwijl Bij de Vaate zich verplicht aan deze levering mee te werken."

(iii) Bij notariële akte van 26 november 1996, verleden door [de notaris], zijn Bij de Vaate en Zeebad Breskens onder meer overeengekomen dat Zeebad Breskens de exploitatie van Scheldeveste zou overnemen, dat de gronden bestemd voor de bebouwing van de centrumvoorzieningen en de wegen etc. aan haar zouden worden overgedragen, dat van de gemeente toestemming zou worden gevraagd voor exploitatie van het plan door Zeebad Breskens - om welke reden geen verplichting zou ontstaan tot oprichting van een Vereniging van Eigenaren als bedoeld in de voorwaarden -, en voorts dat na voormelde toestemming het totale parkbeheer zou toekomen aan Zeebad Breskens, waarvoor deze een bedrag van ƒ 1.750,-- excl. BTW op jaarbasis in rekening zou brengen per bungalow bij een voltooid park. Bij brief van 7 maart 1997 heeft de gemeente voormelde toestemming verleend. Bij akte van 27 november 1997 is een perceel bouwgrond bestemd voor de bouw van centrumvoorzieningen aan Zeebad Breskens geleverd. Bij akte van 2 november 1999 zijn haar de wegen, water- en groenvoorzieningen geleverd. Beide akten zijn verleden door [de notaris] en in beide akten wordt voormelde bepaling uit de akte van 26 november 1996 geciteerd, luidende dat na de verkregen toestemming van de gemeente het totale parkbeheer toekomt aan Zeebad Breskens, waarvoor Zeebad Breskens ƒ 1.750,-- excl. BTW per bungalow in rekening zal brengen.

(iv) Bij akte Overdracht onderneming van 2 november 1999, verleden door notaris Matthijssen zijn door Zeebad Breskens voormelde onroerende zaken alsmede - onder meer - alle rechten voortvloeiende uit de exploitatiebeheerovereenkomsten met de bungaloweigenaren aan Vakantiepark verkocht en geleverd. In de akte is bepaald dat de exploitatie aan Vakantiepark wordt overgedragen, zodat de terzake door de eigenaren verschuldigde parkbijdrage vanaf dat moment aan Vakantiepark toekomt.

(v) Diverse bungaloweigenaren, onder wie [verweerder] c.s., hebben geweigerd de aan hen door Vakantiepark in rekening gebrachte parkbijdrage (geheel) te voldoen.

(vi) Vakantiepark heeft Zeebad Breskens en notaris Matthijssen aangesproken; tussen Vakantiepark enerzijds, en Zeebad Breskens en notaris Matthijssen anderzijds is een vaststellingsovereenkomst gesloten. Blijkens een akte van cessie van 2 mei 2002 heeft Zeebad Breskens haar vorderingen op Bij de Vaate en [de notaris] ter zake van tekortkoming in de nakoming van verbintenissen en van onrechtmatige daden bij de verkoop en leveringen als hiervoor onder (iii) omschreven, overgedragen aan Vakantiepark. Blijkens een akte van cessie van 31 mei/10 juni 2002 heeft notaris Matthijssen zijn vorderingen en aanspraken jegens Bij de Vaate en [de notaris] aan Vakantiepark overgedragen.

5.3 In beide zaken gaat het in cassatie naar de kern genomen om de beantwoording van de vraag of het recht op voldoening van de ingevolge de koop-/aannemingsovereenkomsten met de kaveleigenaren verschuldigde parkbijdrage is te beschouwen als een kwalitatief recht in de zin van art. 6:251 BW.

In de zaak C06/035 oordeelde het hof dat dit recht een kwalitatief recht is en derhalve met de overdracht van de gemeenschappelijke voorzieningen (uiteindelijk) op Vakantiepark is overgegaan. Bijgevolg ontviel de grond aan het door Vakantiepark aan Bij de Vaate gemaakte verwijt dat zij dat recht wel heeft verkocht maar niet heeft geleverd, en aan het corresponderende verwijt aan de betrokken notaris.

In de zaak C06/061 oordeelde het hof dat het recht op voldoening van de parkbijdrage niet een kwalitatief recht is, zodat Vakantiepark door de verkrijging van de gemeenschappelijke voorzieningen niet tevens jegens de kaveleigenaren het recht heeft verkregen tot inning van de parkbijdrage. De vordering van Vakantiepark werd daarom op deze grondslag niet toewijsbaar geacht.

5.4 In de zaak C06/061, die de Hoge Raad het eerst zal behandelen, berust het oordeel van het hof op de volgende overwegingen.

"6. Vakantiepark Zeebad heeft bij akte een arrest van dit hof van 27 september 2005 overgelegd. Voor zover Vakantiepark zich erop beroept dat - in navolging van dat arrest - het recht op de parkbijdragen als een kwalitatief recht kan worden aangemerkt, geldt het volgende.

(...)

8. Op grond van artikel 6:251 BW gaat een uit een overeenkomst voortvloeiend, voor overgang vatbaar recht dat in een zodanig verband staat met een aan de schuldeiser toebehorend goed, dat hij bij dat recht slechts belang heeft, zolang hij het goed behoudt, van rechtswege over op degene die dat goed onder bijzondere titel verkrijgt.

Vakantiepark Zeebad vordert betaling van de parkbijdrage over de jaren 2001 tot en met 2003. Van 27 december 2000 tot 17 juli 2003 was niet Vakantiepark Zeebad, maar Rebel Beheer Zeeland B.V. eigenaar van de infrastructuur. Alleen al om die reden kan geen sprake zijn van overgang aan Vakantiepark Zeebad van het onderhavige recht op betaling als kwalitatief recht, nu als zodanig het recht slechts kan toekomen aan de schuldeiser in zijn "kwaliteit" van eigenaar van de infrastructuur.

De stelling van Vakantiepark Zeebad tijdens het pleidooi in hoger beroep dat Vakantiepark Zeebad en Rebel Beheer Zeeland B.V. gelieerde vennootschappen zijn kan daaraan onvoldoende afdoen.

Voor de periode dat Vakantiepark Zeebad wel eigenaar van de infrastructuur was, geldt naar het oordeel van het hof het volgende.

Zowel uit voormelde, door Vakantiepark zelf gemaakte, splitsing tussen de eigendom van de infrastructuur en de uitvoering van de exploitatie/onderhoudsovereenkomst (en het daaruit voortvloeiende recht op betaling) als uit de tussen Bij de Vaate en [verweerder] c.s. overeengekomen algemene voorwaarden, waarin de betalingsverplichting van de eigenaren wordt vermeld als tegenprestatie voor de te verrichten onderhoudswerkzaamheden en niet direct samenhangt met de eigendom van de infrastructuur, valt naar het oordeel van het hof af te leiden dat er niet een zodanig verband tussen het uit de exploitatieovereenkomst voortvloeiende recht op betaling en de eigendom van de infrastructuur bestaat dat de schuldeiser bij dat recht slechts belang heeft, zolang hij de eigendom van de infrastructuur behoudt."

5.5 Dit oordeel wordt in cassatie tevergeefs bestreden. Het hof heeft, mede op grond van een alleszins begrijpelijke uitleg van de op de koop-/aannemingsovereenkomsten toepasselijke algemene voorwaarden, geoordeeld dat een splitsing kan worden gemaakt tussen de eigendom van de infrastructuur (de gemeenschappelijke voorzieningen) enerzijds en de uitvoering van de exploitatie/onderhoudsovereenkomst (en het daaruit voortvloeiend recht op betaling van de parkbijdrage) anderzijds. Daaraan heeft het hof de gevolgtrekking verbonden dat tussen het recht op de ter vergoeding van de in art. IV onder 1 tot en met 5 genoemde diensten (hiervoor vermeld in 5.2 (ii)) verschuldigde parkbijdrage enerzijds en de eigendom van de infrastructuur anderzijds niet een zodanig verband - als bedoeld in art. 6:251 BW - bestaat dat de schuldeiser bij dat recht slechts belang heeft, zolang hij de eigendom van de infrastructuur behoudt. Dit oordeel en de daaraan verbonden gevolgtrekking geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk en zij zijn toereikend gemotiveerd. Daarbij verdient aantekening dat het hof, blijkens zijn voorlopig oordeel in rov. 9 dat Vakantiepark op grond van ongerechtvaardigde verrijking aanspraak kan maken op betaling van de door Vakantiepark verrichte diensten, heeft onderkend dat de exploitant (thans Vakantiepark) belang heeft bij betaling van een tegenprestatie voor de verrichte diensten, maar daarmee is niet gegeven dat het recht op betaling voor die diensten (kort gezegd het onderhoud van de toegangswegen en overige gemeenschappelijke voorzieningen, zorg dragen voor een deugdelijke radio- en televisieantenne, voor afvoer van afval en rioolafvoer en voor onderhoud van waterpartijen en toegang verlenen tot het zwembad) een zodanig nauw verband houdt met de eigendom van de gemeenschappelijke voorzieningen dat de overgang van rechtswege van dat recht op een opvolgend eigenaar van die gemeenschappelijke voorzieningen daardoor wordt gerechtvaardigd. Op het voorgaande stuit het middel in zijn geheel af.

5.6 In de zaak C06/035 is het hof, zoals hiervoor vermeld, tot een tegengesteld oordeel gekomen. Het hof overwoog als volgt.

"6. Blijkens het bepaalde in de akte d.d. 5 juli 1996 houdende algemene voorwaarden bestemd voor de koop-/aannemingsovereenkomsten strekt de parkbijdrage ter vergoeding van diensten bestaande in enerzijds het onderhoud van - onder meer - toegangswegen, waterpartijen en overige gemeenschappelijke voorzieningen, en anderzijds het verschaffen van toegang tot het zwembad.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat dit recht op voldoening van de parkbijdrage een uit overeenkomst tussen Bij de Vaate en de kaveleigenaar voortvloeiend recht is.

(...)

Voor zover Vakantiepark beoogt te stellen dat dit recht op de parkbijdrage niet voor overgang vatbaar is omdat Bij de Vaate zich jegens de individuele kaveleigenaren (voorwaardelijk) had verbonden de infrastructuur over te dragen aan een op te richten Vereniging van Eigenaren, moet deze stelling worden verworpen. Zulk een contractuele gehoudenheid jegens de individuele kaveleigenaar brengt, anders dan Vakantiepark stelt, niet met zich dat Bij de Vaate al dan niet voorwaardelijk ten gunste van een derde - de nog op te richten Vereniging van Eigenaren - over het recht heeft beschikt.

8. Ingevolge art. 6:251 lid 1 BW is voor overgang van rechtswege vereist dat het recht op voldoening van de parkbijdrage in een zodanig verband staat met een aan Bij de Vaate toebehorend goed, dat zij bij dat recht slechts belang heeft zolang zij het goed behoudt. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of aan dit vereiste is voldaan.

Zoals hiervoor sub 6 is vastgesteld, strekt de parkbijdrage ter vergoeding van diensten welke worden verleend met betrekking tot - kort gezegd - de gemeenschappelijke voorzieningen. Tussen partijen is niet in geschil dat de gehoudenheid tot het verlenen van die diensten rust op de eigenaar van die gemeenschappelijke voorzieningen. Hieruit volgt dat het belang van de eigenaar van de gemeenschappelijke voorzieningen bij het recht op de parkbijdrage verloren gaat zodra de eigendom van die gemeenschappelijke voorzieningen op een derde overgaat. Dit betekent dat, toen - uiteindelijk - door inschrijving van de op 2 november 1999 verleden transportakte de eigendom van alle gemeenschappelijke voorzieningen overging van Bij de Vaate op Zeebad, de rechten op voldoening van de parkbijdrage uit de voordien door Bij de Vaate met de kopers gesloten overeenkomsten overgingen op Zeebad.

Daarbij wordt volledigheidshalve aangetekend dat, gelet op de aard en de strekking van het recht op de parkbijdrage, de overgegane rechten uitsluitend betrekking hebben op de jaarlijkse bijdragen zoals die na de overgang verschuldigd worden."

5.7 Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 7 en 8 dat het recht op voldoening van de jaarlijkse parkbijdrage door de kaveleigenaren een kwalitatief recht is dat bij de overdracht van de eigendom van de gemeenschappelijke voorzieningen van rechtswege is overgegaan op Zeebad Breskens (en vervolgens op Vakantiepark). Het klaagt in de eerste plaats (in de onderdelen 1 en 2) dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het volgens art. 6:251 BW vereiste nauwe verband tussen het recht op voldoening en het overgedragen goed, dan wel onvoldoende gemotiveerd en/of onbegrijpelijk is. Daarnaast bevat het middel de klacht (in onderdeel 3) dat het hof heeft voorbijgezien aan de als essentieel aan te merken stelling van Vakantiepark dat hier, gelet op de bepalingen uit de algemene voorwaarden behorende bij de met de kaveleigenaren aangegane koop-/aannemingsovereenkomsten, geen sprake is van een voor overgang vatbaar recht, zoals is vereist voor de toepassing van art. 6:251 BW.

5.8 In onderdeel 1 wordt terecht geklaagd dat in het licht van hetgeen Vakantiepark in de feitelijke instanties heeft gesteld, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien dat het recht op voldoening van de parkbijdrage een recht is dat in een zodanig verband staat met de (oorspronkelijk) aan Bij de Vaate toebehorende eigendom van de gemeenschappelijke voorzieningen, dat Bij de Vaate bij dit recht slechts belang had zolang zij de eigendom van de gemeenschappelijke voorzieningen behield, zoals voor toepasselijkheid van art. 6:251 BW is vereist. Het onderdeel verwijst in dit verband naar haar stellingen die ertoe strekten dat het recht op de parkbijdrage blijkens art. IV van de algemene voorwaarden behorende bij de met de kaveleigenaren aangegane koop-/aannemingsovereenkomsten, toekomt aan de exploitant in verband met de in art. IV opgesomde prestaties en dat dit recht ook overigens naar zijn aard voortvloeit uit de exploitatie van de gemeenschappelijke voorzieningen, en niet uit de eigendom van die voorzieningen als zodanig. Waar aldus volgens deze stellingen de exploitatie en de eigendom van de gemeenschappelijke voorzieningen van elkaar kunnen worden gescheiden en dus niet in één hand behoeven te zijn, behoefde nadere motivering dat niettemin het voor toepasselijkheid van art. 6:251 BW vereiste verband bestaat tussen het recht op voldoening van de parkbijdrage en de eigendom van de gemeenschappelijke voorzieningen. Voorzover het oordeel van het hof is gebaseerd op de vaststelling in rov. 8 dat tussen partijen niet in geschil is dat de gehoudenheid tot het verlenen van de diensten rust op de eigenaar van die gemeenschappelijke voorzieningen, is die vaststelling, naar onderdeel 2 terecht betoogt, in het licht van de hiervoor bedoelde stellingen onbegrijpelijk, nu die stellingen juist erop gebaseerd zijn dat de exploitatie (en het verrichten van de in dat kader bedongen diensten) niet noodzakelijkerwijs door de eigenaar geschiedt.

5.9 Nu de onderdelen 1 en 2 blijkens het vorenstaande terecht zijn voorgesteld, behoeft onderdeel 3 geen behandeling meer.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in de zaak C06/035:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 september 2005;

verwijst het geding naar dat gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Bij de Vaate en de notaris in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Vakantiepark begroot op € 5.884,11 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;

in de zaak C06/061:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Vakantiepark in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 13 juli 2007.