Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA5624

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
02079/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA5624
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2006:AV8220, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Art. 359.2 Sv. 2. Vergoeding immateriële schade. Ad 1. Aangezien hetgeen namens verdachte ttz is aangevoerd een standpunt bevat dat naar inhoud en strekking overeenkomt met hetgeen de deskundige X naar voren heeft gebracht en het Hof ook bezien in het licht van het verhandelde ttz, inzicht heeft gegeven in de gronden waarom het de door die deskundige getrokken conclusies niet heeft gevolgd, heeft het Hof zonder miskenning van het voorschrift van art. 359.2 Sv voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht waarom het is afgeweken van het standpunt van verdachte. Ad 2. Voor vergoeding van immateriële schade als hier gevorderd is gelet op HR LJN AD5356 vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. In zijn overwegingen heeft het Hof onvoldoende blijk gegeven te hebben onderzocht of i.c. aan dat vereiste is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 497
NJ 2007, 413
RvdW 2007, 709
NJB 2007, 1656
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juli 2007

Strafkamer

nr. 02079/06

IC/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 maart 2006, nummer 23/004732-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Flevoland" te Lelystad.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 18 augustus 2005 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder parketnummer 13/441550-05 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van subsidiair "poging tot verkrachting" en onder parketnummer 13/124399-04 ter zake van 1. "doodslag" en 2. "diefstal, waarbij de schuldige zich toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf en daarbij bevolen dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte betalingsverplichtingen opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. Veldman, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. Namens de benadeelde partij hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, een "schriftuur in cassatie/reactie op schriftuur verdachte" ingediend. Bij afzonderlijke "reactie benadeelde partij op schriftuur verdachte" hebben de raadslieden van de benadeelde partij schriftelijk commentaar gegeven.

2.3. De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de ten behoeve van hem aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel, tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zijn vordering en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.4. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman van de verdachte alsmede van de raadslieden van de benadeelde partij op de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste namens de verdachte voorgestelde middel

3.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof - in strijd met de tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv - heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot afwijking van een ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk namens de verdachte onderbouwd standpunt inzake de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

3.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2006 houdt onder meer in:

"De getuige Wilhelmina Maria Johanna Hassing, geboren op 16 december 1954, domicilie kiezende bij de Forensisch Psychiatrische Dienst te Amsterdam, psychiater van beroep, verklaart -zakelijk weergegeven-:

Ik heb de rapporten van mijn collega's De Haan en Sanders gelezen. Ik sta achter de conclusies van mijn rapport en kan de totstandkoming van deze conclusies uitleggen.

Bij de FPD werken we met triple-rapportages, een psychiater, een psycholoog en een milieu-rapporteur. Bij de bespreking van onze rapporten is uit nauwkeurigheid en zorgvuldigheid tevens een jurist aanwezig, die met ons de juridische context van de zaken bespreekt. Op blz. 31 van het rapport heb ik geschreven dat er geen sprake is van een structureel patroon van woede-uitbarstingen of ander impulsief gedrag. Op de vraag van de raadsman hoe deze constatering zich verhoudt tot het recidivegevaar en daarmee TBS wil ik het volgende antwoorden.

Het tenlastegelegde delict is uiteindelijk ontstaan vanuit de intieme relatie die de verdachte had met het slachtoffer. Het klopt dat het geen alledaagse relatie was. De verdachte maakt een bepaalde relatiekeuze die kan leiden tot voor hem ongunstige omstandigheden. Op dit moment is hij niet in staat een goede afweging hierin te maken. Na een behandeling in het kader van de maatregel TBS wel.

De verdachte is het slachtoffer tot het laatst toe blijven idealiseren ondanks dat zijn omgeving een en ander probeerde te nuanceren. De verdachte kon de realiteit niet goed beoordelen. Hij was niet goed in staat om zijn reële frustraties goed onder ogen te zien en om daar adequaat op te reageren. Op de opmerking van de raadsman dat het slachtoffer de verdachte aantrok en afstootte en dat het daarom niet gek is dat de verdachte het slachtoffer is blijven idealiseren antwoord ik: de verdachte verkeert niet in een sociale structuur waarin hij door zijn omgeving hierin gecorrigeerd kon worden. Deze omstandigheid is een gegeven.

De verdachte is verantwoordelijk voor zijn eigen gedrag. Het zegt iets over een persoon als je afhankelijk bent van je omgeving. De omgeving had geen zicht op de uitwerking van het gedrag van het slachtoffer op hem.

Als de verdachte geen behandeling krijgt, dan heeft hij in de toekomst geen zicht op zijn frustraties en onlustgevoelens die een relatie hem geven. De verdachte moet dit heel bewust leren. Er moet meer gebeuren dan het inzicht die de verdachte over zichzelf heeft gekregen door deze ene ervaring. Het ligt veel ingewikkelder.

Ik ben het met de raadsman eens dat de verdachte zich tot aan het tenlastegelegde toe op een redelijke manier staande heeft weten te houden in de samenleving.

De verdachte is op dit moment niet in staat een gunstige partner te kiezen omdat hij hierin geen goede afweging kan maken. Dit is niet mijn mening, maar een conclusie naar aanleiding van zorgvuldig onderzoek. De verdachte moet behandeld worden om recidive te voorkomen. De recidivekans zit niet in de aard van het delict, maar in de aard van de persoon.

Op de vraag van de raadsman of ik tot dezelfde conclusie was gekomen als het tenlastegelegde een minder gruwelijke afloop had gehad antwoord ik dat ik af ga op de feiten. De feiten geven de mate van agressie weer. Uitgaande van de feiten heb ik een uitspraak gedaan over de kans dat het weer gebeurt.

De getuige Hans Eric Sanders, geboren op 9 december 1946, wonende te Haarlem, psychiater van beroep, verklaart -zakelijk weergegeven-:

Ik ben gekomen tot een andere conclusie en advies ten aanzien van de verdachte dan mijn collega Hassing. Met het grootste gedeelte van het rapport van Hassing en De Haan ben ik het volkomen eens. Het is een standaard psychiatrische manier van denken. Mijn rapport verschilt echter op twee punten, namelijk ten aanzien van de persoonlijkheidsstoornis en de zwaarte van de context.

Ik hecht meer gewicht aan de specifieke context van de situatie waarin de verdachte zat en minder aan de persoonlijkheidsfactoren van de verdachte. Het nest waaruit de verdachte komt is vragen om moeilijkheden. Hij heeft hieruit niet veel meegekregen, maar merkwaardig genoeg is hij niet uitgegroeid tot iemand met een persoonlijkheidsstoornis die ik zou hebben verwacht. Ik vind hem in psychiatrisch opzicht een gewone jongen die zich, gezien hoe hij is opgegroeid, goed heeft weten te handhaven.

Ik hecht veel waarde aan de unieke context van de omstandigheden. De verdachte is voldoende in staat geweest om zijn wil te bepalen. Er zijn geen dusdanig ernstige ondermijnende aspecten in zijn persoonlijkheid dat hij minder dan een ander zijn wil had kunnen bepalen.

Met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte kan ik zeggen dat hij bij het begin van het delict toerekeningsvatbaar was, hij had namelijk de keuze om wel of niet weg te lopen. Het moment waarop hij niet toerekeningsvatbaar was kan ik moeilijk beantwoorden. Het tenlastegelegde betreft deze specifieke partnerkeus en deze specifieke vrouw. Ik acht het niet waarschijnlijk dat hij weer zo'n keuze zou maken.

Hierop verklaart de getuige Hassing -zakelijk weergegeven-:

Sanders maakt hier een andere afweging dan dat De Haan en ik doen in ons rapport. Je kan wel geloven dat de verdachte hetzelfde tenlastegelegde feit niet meer zal herhalen, maar dat mag in de afweging geen rol spelen. Onze persoonlijke mening doet namelijk niet ter zake.

De verdachte voelt geen lijdensdruk om een vrijwillige behandeling te ondergaan. Het probleem is dat hij zijn onlustgevoelens niet bewust meemaakt. Specifiek: tot op het laatste moment heeft hij ontkend dat het slachtoffer niets in hem zag. Hij verloochent de situatie. Op de vraag van de raadsman waarom de verdachte niet ambulant behandeld kan worden antwoord ik: de verdachte ziet de kern van zijn problematiek niet als probleem.

Hierop verklaart de getuige Sanders -zakelijk weergegeven-:

Ik ben ervan overtuigd dat de verdachte baat zou hebben bij psychiatrische begeleiding waar hij leert overzien wat zijn drijfveren zijn. Als je ervan uitgaat dat bij dit soort delicten het recidiverisico groot is, dan kan ik vanuit mijn setting niets bieden. Ik ga echter niet uit van die premissen.

Ik vind geen gegevens in de voorgeschiedenis of de rapportages van de verdachte waaruit een patroon zou blijken dat de verdachte partners kiest waarin hij deze specifieke positie ten opzichte van het slachtoffer heeft ingenomen of weer zou innemen.

De getuige Anton Eelke de Haan, geboren op 1 juli 1970, domicilie kiezende bij de Forensisch Psychiatrische Dienst te Amsterdam, gz-psycholoog van beroep, verklaart -zakelijk weergegeven-:

De vragenlijst die wij in het onderzoek hebben gebruikt is één van de bronnen van ons onderzoek. Wij gebruiken deze vragenlijst nooit alleen om conclusies op te baseren, de vragenlijst is daarbij een onderdeel. Een klinische indruk van een persoon krijgen wij aan de hand van een gesprek.

De verdachte heeft trekken van een narcistische persoonlijkheidsstoornis, onder andere het achterhouden van onlustgevoelens. Naar buiten toe scherm je je onlustgevoelens af door bijvoorbeeld uiterlijk vertoon, je durft niet goed te laten zien wat er van binnen speelt.

Op de vraag van de raadsman of het mogelijk is dat de verdachte tijdens het onderzoek misschien geen zin had om alles te vertellen en dat om die reden de trekken van een narcistische persoonlijkheidsstoornis eruit komen, antwoord ik: de verdachte heeft zodanig op bepaalde schalen van het onderzoek gescoord, dat het moeilijk is te 'faken'.

Het verbaasde mij dat het verleden van de verdachte nagenoeg vlekkeloos is verlopen, gezien de persoonlijkheidsontwikkeling en de beschadigingen die de verdachte in zijn jeugd heeft opgelopen. Een vroegkinderlijk trauma laat beschadigingen in het brein achter. Het kan zijn dat je over een redelijke 'coping' beschikt voor het functioneren in het dagelijks leven, maar dat de beschadiging op komt spelen in extreme situaties. De verdachte is niet altijd agressief, maar in een extreme situatie beschikt hij over onvoldoende 'copingsmechanismen'. De stoornis van de verdachte heeft zich ontwikkeld in zijn vroege jeugd en uit zich onder andere doordat hij op verschillende levensterreinen is vastgelopen. De stoornis leid je niet af uit het geweld.

De raadsman houdt mij voor dat de verdachte in eerdere escalaties altijd is weggelopen voor geweld. Dat de verdachte eerder is weggelopen bij dit soort escalaties, zegt niets over het al of niet het hebben van een persoonlijkheidsstoornis. De gebrekkige coping van de verdachte komt tot uiting in extreme omstandigheden.

Wanneer de verdachte behandeld zou worden in het kader van een maatregel TBS is het belangrijk dat er minutieus gekeken wordt naar het delictscenario en op welk moment welke frustratie ontstond. Er moet sprake zijn van een diepgaande verwerking. Ambulant is dit niet mogelijk."

3.2.2. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnotities is namens de verdachte aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

"De levensgeschiedenis van cliënt levert geen enkele aanwijzing op voor de stelling dat cliënt neigt tot gewelddadig gedrag. Cliënt is niet uitgegroeid tot een harde crimineel, maar tot een scheefgegroeid jongetje.

Het enige moment in het leven van cliënt waarop hij excessief geweld heeft gebruikt was op 1 december 2004. Dit vindt zijn oorzaak niet in de beweerde psychiatrische problematiek, zoals de aanname dat cliënt lijdende zou zijn aan een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en afhankelijke trekken. Deze bewering wordt in het rapport nergens aannemelijk gemaakt door te wijzen op wezenlijke defecten in de psychische gemoedstoestand van cliënt en/of concrete feiten en aanwijzingen in zijn levensloop, zoals een regelmatig terugkerend patroon van gewelddadig gedrag. Er worden conclusies getrokken uit gedragingen die cliënt niet vertoont en intussen wordt de suggestie gewekt dat hij zich wel als zodanig gedraagt. Er wordt bijvoorbeeld een lage frustratietolerantie besproken, terwijl deze op geen enkele wijze concreet worden gemaakt met feiten.

Van groot belang is om vast te stellen dat de rapporteurs vanuit de ernst van het delict hebben gedacht en gerapporteerd, terwijl een onderzoek naar de geestvermogens van een verdachte dient te geschieden door eventuele gebreken van deze geestvermogens zelf vast te stellen.

In het rapport wordt de suggestie gewekt dat de extreme en gewelddadige afloop duidt op een persoonlijkheidsstoornis. De rapporteurs overtuigen daarin echter niet.

Volgens cliënt is hem dat ook met zoveel woorden verteld door de psycholoog: 'Ik zie je niet zo snel een tbs kliniek ingaan, maar omdat het delict ernstig is zullen we er toch over moeten praten'. Hiermee wordt met zoveel woorden onderstreept dat de ernst van het delict bepalend is geweest voor de conclusie dat cliënt lijdende is aan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

Er mag niet worden geredeneerd in de trant van: 'Iemand die zoiets doet moet wel gek zijn'. Dat hebben rapporteurs wel gedaan.

De ernst van het delict kan en mag geen graadmeter zijn voor het aannemen van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld, waarvoor een gedwongen tbs-behandeling geïndiceerd is. Daarvan is pas sprake als het delict is begaan onder invloed van ernstige psychiatrische defecten bij de verdachte. Het delict dat cliënt heeft gepleegd is zeer ernstig, maar is niet begaan vanuit een psychiatrische ziekte, maar is het gevolg van een unieke en uiterst ongelukkige samenloop van omstandigheden. Een willekeurig ander persoon zou in de plaats van cliënt op dezelfde wijze hebben kunnen handelen. De gewelddadige reactie van cliënt op de voor hem vernederende en provocerende opmerkingen van [slachtoffer 1] is niet - de facto - toe te schrijven aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

Het recidivegevaar wordt aangenomen door te verwijzen naar de persoonlijkheidsstoornis. Er wordt niet uitgelegd waarom concreet sprake is van recidivegevaar. Als recidive verhogende factoren wordt in het psychiatrisch onderzoek verwezen naar een zogenaamd risico taxatie instrument: HKT-30, versie 2002. Deze factoren betreffen: A) historische; B) klinische en C) toekomstige situatieve factoren. Cliënt scoort matig in alle drie de categorieën. Deze bevinding draagt niet bij aan de stelling dat sprake is van reëel gevaar voor recidive. Dit gevaar wordt vervolgens gemotiveerd door te stellen dat op lange termijn een aanzienlijk gevaar zal bestaan voor het begaan van soortgelijke feiten waarvan hij ook nu wordt verdacht. Ook deze stelling wordt op geen enkele wijze transparant en inzichtelijk gemaakt voor de lezer. Deze poging om cliënt recidivegevaar toe te schrijven is mijns inziens volstrekt niet overtuigend.

Aan het eind van het rapport krijgt u het advies om tbs met dwangverpleging op te leggen, zonder dat serieus wordt overwogen of cliënt niet ambulant kan worden behandeld. Cliënt heeft bij herhaling te kennen gegeven open te staan voor begeleiding en eventuele behandeling. Zijn wil heeft hij daarmee voldoende tot uiting gebracht. De enkele vaststelling dat cliënt nauwelijks enige weet heeft van zijn innerlijke motieven die hebben geleid tot het tenlastegelegde lijkt mij volstrekt onvoldoende om deze mogelijkheid van ambulante hulp daarmee te ecarteren en slechts op te merken dat daarom niets anders rest dan de optie dwangverpleging.

In het vonnis heeft de rechtbank het advies van de rapporteurs letterlijk overgenomen. Kennelijk heeft men gedacht: "Het staat er toch, dus is het zo". Op deze wijze is de tbs maatregel veel te gemakkelijk opgelegd. Ik verzoek u primair om cliënt te veroordelen tot een gevangenisstraf, zonder daarbij de maatregel van tbs op te leggen. (De Hoge Raad leest: Subsidiair) verzoek ik u, indien u naar aanleiding van het verhandelde ter zitting de nodige twijfel mocht hebben, om cliënt te laten onderzoeken in het Pieter Baan Centrum."

3.3. De bestreden uitspraak houdt onder meer in:

"De terbeschikkingstelling

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de volgende over de verdachte uitgebrachte gedragsrapportages:

- Een pro justitia rapport van 28 juni 2005, opgemaakt door W.M.J. Hassing, psychiater en A.E. Haan, psycholoog, dat onder meer als conclusie en advies inhoudt -zakelijk weergegeven-:

Bij betrokkene is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met gemengd narcistische, antisociale en afhankelijke kenmerken. Ten tijde van het tenlastegelegde was sprake van bovengenoemde gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

De narcistische en antisociale kenmerken van zijn persoonlijkheidsstoornis brengen met zich mee dat hij zich minder dan de gemiddelde jongeman van zijn leeftijd adequaat kan beheersen bij oplopende frustraties of krenkingen. Dit geldt voor wat betreft het tenlastegelegde sub. 1, zoals in de beschouwing uiteengezet. Bij deze geweldsuitbarsting heeft hij minder dan de gemiddelde jongeman van zijn leeftijd zijn gedrag in vrijheid conform zijn wil kunnen bepalen. Daarom adviseren wij om betrokkene voor het tenlastegelegde sub 1, indien bewezen, als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Voor het tenlastegelegde sub 2 is niet komen vast te staan dat hij hierbij werd beïnvloed door zijn gebrekkige ontwikkeling. Hierbij heeft hij duidelijk een bewuste afweging gemaakt vanuit opportunistische motieven. Daarom adviseren wij om betrokkene voor het tenlastegelegde sub 2 als toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Recidivegevaar voor wat betreft toekomstig gewelddadig delinquent gedrag is zeker aanwezig. De specifieke factoren die bepalend zijn voor het recidiverisico zijn in de beschouwing nader toegelicht.

Behandeling is naar ons inzicht zeker aangewezen, in het bijzonder voor wat betreft zijn gebrekkige impulsbeheersing en het gevaar voor agressieve impulsdoorbraak. Zoals in de beschouwing uiteengezet kan behandeling op vrijwillige basis niet worden geadviseerd. Aangezien wij verplichte behandeling wel geïndiceerd vinden rest ons geen ander advies dan om betrokkene voor het tenlastegelegde feit 1, indien bewezen, de maatregel van tbs met bevel tot verpleging op te leggen.

- Een rapport van 12 januari 2006, opgemaakt door H.E. Sanders, psychiater, dat onder meer als conclusie en advies inhoudt -zakelijk weergegeven-:

Onderzochte is een man waarbij geen sprake is van psychiatrische stoornissen. Wel is er evident sprake van een zeer verstoorde, volstrekt ontoereikende, verwaarlozende opvoedingssituatie, die geleid heeft tot een persoonlijkheid met antisociale trekken. Echter, het vermogen van betrokkene om de realiteit naar waarde te schatten en zich rekenschap te geven van zijn handelen, acht ik over de hele linie voldoende, en uitsluitend in de extreme situatie met betrekking tot zijn vriendin, waarin hij zich op het moment suprème extreem bedreigd voelde, en zich toen niet meer kon beheersen, heeft hij de consequenties van zijn handelen uit het oog verloren. Echter, ik meen toch te moeten concluderen dat er voldoende argumenten zijn om vanuit psychiatrisch oogpunt zijn handelen niet geheel aan hem toe te kunnen rekenen.

(...)

Uiteraard zou het gewenst zijn als betrokkene op enigerlei wijze beter voorbereid zou worden op de toekomst die hem wacht, want de kans op herhaling van (niet agressieve) vermogensdelicten acht ik zeker niet klein.

Echter, de kans op herhaling van een agressief delict zoals hem nu ten laste wordt gelegd lijkt me verwaarloosbaar klein: immers het gebeuren heeft zich afgespeeld in een extreme situatie, voortkomend uit een unieke relatie met een unieke vrouw die hem langdurig 'het leven zuur maakte', door gebruik te maken van zijn onvermogen, cq. onwil om in te zien dat hij ieder contact met haar allang had moeten afbreken. Daarbij speelt zeker ook een rol dat er in zijn directe omgeving, zoals gebruikelijk, onvoldoende op hem werd gepast, voor hem werd gezorgd, en niemand hem voldoende en met klem heeft willen behoeden tegen continuering van deze relatie.

Een poging om onderzochte nu via psychiatrische zorg, en zelfs via een onvoorwaardelijke TBS, te "leren" zich in de toekomst anders te gaan gedragen om herhaling van een zelfde unieke relatievorming tegen te gaan lijkt mij niet reëel of zinvol: immers een 'stoornis' ligt mijns inziens niet ten grondslag aan deze relatie, maar een 'domme', 'verkeerde' of 'onhandige' keuze, een keuze die slechts zeer ten dele op basis van zijn persoonlijkheid begrepen kan worden. Evenmin is er een basis om betrokkene te 'behandelen' tegen zijn (onbegrepen) agressieve impulsen, want zijn agressieve impulsen heeft hij heel goed begrepen, en nooit eerder in zijn leven heeft hij zijn toevlucht moeten zoeken in agressie, behoudens dan in bovengeschetste extreme relatie.

Concluderend kan ik dan ook niet instemmen met het eerdere advies tot onvoorwaardelijke TBS: betrokkene, die de reikwijdte van zijn handelen kan, en heeft kunnen inzien, dient mijns inziens niet behandeld, maar gestraft te worden, en, hopelijk na het uitzitten van zijn gevangenisstraf, een strak en disciplinerend reclasseringscontact te krijgen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft psychiater Sanders zijn conclusie en advies toegelicht. Psychiater Hassing en psycholoog Haan zijn ook in de gelegenheid geweest ter terechtzitting hun rapportage en advies toe te lichten. De deskundigen hebben op elkaars bevindingen gereageerd.

Het hof neemt, na afweging van een en ander de conclusie van de deskundigen Hassing en Haan, dat de bewezengeachte doodslag de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend wegens de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, bestaande tijdens het begaan daarvan over en maakt die tot de zijne.

Het rappport van psychiater Hassing en psycholoog Haan houdt voorts in -zakelijk weergegeven-:

Bij onbehandeld blijven van zijn persoonlijkheidsstoornis bestaat de reële kans dat hij in de toekomst, vanuit zijn ziekelijke afhankelijke manier van relatievorming, opnieuw in afhankelijke relaties verzeild zal raken, waarin krenkingen en frustraties aan de orde zijn. Opnieuw zal hij dan zijn onlustgevoelens opkroppen met een reëel gevaar op agressieve ontlading van deze gevoelens, hetgeen uiteindelijk kan resulteren in soortgelijke feiten als hem thans ten laste gelegd. Recidivegevaar zal op korte termijn waarschijnlijk niet verhoogd zijn, maar vooral op langere termijn speelt het gevaar op recidive zoals beschreven.

(...)

De ernst van het tenlastegelegde feit 1, de relatie tussen de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van betrokkene en het tenlastegelegde feit 1 en het daarmee samenhangende recidiverisico maken behandeling noodzakelijk. Betrokkene heeft echter nauwelijks weet van zijn innerlijke motieven die hebben geleid tot het tenlastegelegde, laat staan dat hij lijdensdruk ervaart vanwege zijn gebrekkige ontwikkeling. Daarmee is er onvoldoende basis om op langere termijn motivatie voor behandeling op vrijwillige basis vol te houden. De voorwaarden voor een vrijwillige behandeling zijn dan ook niet aanwezig.

Met de laatst genoemde rapporteurs is het hof van oordeel dat, gelet op de persoonlijkheid van de verdachte en de ernst en omstandigheden waarin de feiten hebben plaatsgevonden, een behandeling van de verdachte nooodzakelijk is en dat deze behandeling slechts kan plaatsvinden in een intramurale setting.

Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat sprake is van een reële kans dat de verdachte, zonder behandeling van zijn persoonlijkheidsproblematiek, zich in de toekomst nogmaals schuldig zal maken aan een (dergelijk) ernstig agressiedelict.

Nu de verdachte weinig tot niet in staat is gebleken zijn persoonlijkheidsproblematiek onder ogen te (willen) zien acht het hof een dwingend strafrechtelijk kader geboden.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 februari 2006 is de verdachte eerder veroordeeld.

Al het voorgaande in aanmerking nemende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf van zes jaren passend en geboden en is het hof voorts van oordeel dat de verdachte, bij wie tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, ter beschikking dient te worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, hetgeen mogelijk is nu het door hem begane feit een misdrijf is, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel met dat bevel eist.

Het hof acht zich door voormelde deskundigen voldoende voorgelicht en ziet geen noodzaak om nadere rapportage bij het Pieter Baan Centrum aan te vragen."

3.4. De hiervoor weergegeven rapportages en verklaringen van de deskundigen houden naar het kennelijke oordeel van het Hof in dat het onderscheid tussen de afwegingen en conclusies van de deskundigen Hassing en Haan enerzijds en de deskundige Sanders anderzijds in hoofdzaak is toe te schrijven aan een onderling afwijkende weging van de risico's van een gebrek aan inzicht bij de verdachte omtrent zijn persoonlijkheidsstoornis en aan een verschil in opvatting omtrent de vrees voor herhaling, mede gelet op de specifieke omstandigheden in de relatie met het slachtoffer.

3.5. Het Hof heeft de conclusies van de deskundigen Hassing en Haan tot de zijne gemaakt. Daarbij heeft het Hof nader overwogen dat de kans dat de verdachte opnieuw een ernstig agressiedelict zal plegen reëel is indien hij niet wordt behandeld en dat die behandeling in een dwingend strafrechtelijk kader geboden is aangezien gebleken is dat de verdachte de ernst van zijn persoonlijkheidsproblematiek niet of nauwelijks onder ogen wil zien.

3.6.1. Hetgeen door de raadsman is aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht.

3.6.2. Aangezien hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting is aangevoerd een standpunt bevat dat naar inhoud en strekking overeenkomt met hetgeen de deskundige Sanders naar voren heeft gebracht en het Hof ook bezien in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, zoals hiervoor onder 3.2.2 weergegeven, inzicht heeft gegeven in de gronden waarom het de door die deskundige getrokken conclusies niet heeft gevolgd, heeft het Hof zonder miskenning van het voorschrift van art. 359, tweede lid, Sv voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht waarom het is afgeweken van het standpunt van de verdachte. De desbetreffende klacht faalt.

3.7. De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede namens de verdachte voorgestelde middel

4.1. Het middel klaagt over de toekenning door het Hof van de vordering van de benadeelde partij ter zake van immateriële schade.

4.2. Omtrent de in het middel bedoelde vordering houdt de bestreden uitspraak onder meer in:

"De benadeelde partij heeft door middel van haar ter terechtzitting verschenen wettelijke vertegenwoordiger, mr. M.R. Jöbsis, gesteld dat de benadeelde partij "shock"-schade heeft geleden. Immers de benadeelde partij, de vader van het slachtoffer, bij wie het slachtoffer samen met haar 8 maanden oude dochtertje inwonend was, heeft het slachtoffer badend in het bloed en door ongeveer 37 messteken om het leven gebracht, aangetroffen in zijn woonkamer.

De vader en het slachtoffer hadden een heel intense band.

Deze confrontatie heeft bij de vader een grote psychische schok teweeggebracht en het beeld van dit vreselijke tafereel staat nog steeds op zijn netvlies gegrift.

Ondanks het ontbreken van een psychiatrische rapportage, waarvan het opstellen voor de vader een psychische en financiële belasting zou vormen dient de benadeelde partij voor toewijzing van "shock"-schade in aanmerking te komen, aldus mr. Jöbsis.

Namens de verdachte is de vordering betwist.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad.

Het hof overweegt als volgt.

De benadeelde partij, hierna ook te noemen de vader, is rechtstreeks geconfronteerd met de omstandigheden waaronder de poging tot verkrachting van en de doodslag op zijn dochter hebben plaatsgevonden. Deze feiten hebben zich in zijn woonkamer afgespeeld en bij thuiskomst heeft de vader zijn dochter levenloos, in gedeeltelijk ontklede toestand, badend in het bloed als gevolg van zeer vele steekletsels, aangetroffen.

Aannemelijk is geworden dat vader en dochter een nauwe emotionele band hadden.

De vader heeft gesteld, zoals uit de toelichting van mr. Jöbsis, maar ook de voorlezing van vaders slachtofferverklaring ter terechtzitting duidelijk is geworden, dat deze confrontatie bij hem een grote psychische schok heeft teweeggebracht.

Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken kan worden afgeleid dat vader onder behandeling is bij de GGZ Buitenamstel.

De sociaal psychiatrisch verpleegkundige P. van der Zee relateert dat de gebeurtenis de vader heeft genoodzaakt een andere woning te betrekken omdat de beelden van het gebeuren telkens bij het binnenkomen van zijn woning hem teveel werden.

Het hof heeft zich ook zelf een beeld kunnen vormen van de omstandigheden waaronder vader zijn dochter heeft aangetroffen, waarvan de diverse foto's in het dossier op schokkende wijze getuigen.

Het hof is van oordeel dat het op grond van het voorgaande zo evident is dat geestelijk letsel bij de vader bestaat, waardoor hij in zijn persoon is aangetast, een en ander als gevolg van (de confrontatie met de gevolgen van) het onder 1 bewezengeachte feit (...) dat voor toekenning van het na te noemen gedeelte van de vordering dan ook geen nadere psychiatrische en/of psychologische rapportage is geboden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot een bedrag van € 5.000,- worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Met betrekking tot dit deel van de vordering zou het hof een nadere toelichting van een psychiater en/of een psycholoog verlangen. Dit deel kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Het hof zal de verdachte, die naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer aansprakelijk is, voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]."

4.3. Voor vergoeding van immateriële schade als hier gevorderd is gelet op HR 22 februari 2002, LJN AD5356,

NJ 2002, 240 vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. In zijn hiervoor onder 4.2 weergegeven overwegingen heeft het Hof onvoldoende blijk gegeven te hebben onderzocht of in het onderhavige geval aan dat vereiste is voldaan.

4.4. Het middel slaagt derhalve. Omdat reeds thans vaststaat dat de vordering van de benadeelde partij, welke de vergoeding van zogenoemde "shockschade" betreft, niet-ontvankelijk moet worden verklaard op de grond dat een dergelijke vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, zal de Hoge Raad om doelmatigheidsredenen die beslissing in deze zaak zelf nemen.

4.5. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak wat betreft de aan de verdachte opgelegde betalingsverplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij in zoverre evenmin in stand kan blijven en daaromtrent dient te worden beslist zoals hieronder aangegeven.

5. Beoordeling van de schriftuur van de benadeelde partij

Voor zover de benadeelde partij zou hebben bedoeld in de schriftuur mede een middel voor te stellen moet dat onbesproken blijven. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift betreffende haar vordering door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij voor zover die aan hem is toegewezen, alsmede de ten behoeve van hem aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel;

verklaart de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk in zijn vordering;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 3 juli 2007.