Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA5034

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
03232/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA5034
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het Hof heeft het bewezenverklaarde, vzv. hier van belang inhoudende dat verdachte munitie van cat. III in de vorm van patronen van diverse kalibers voorhanden heeft gehad, gekwalificeerd als “handelen in strijd met art. 26.1 WWM, meermalen gepleegd”. In aanmerking genomen dat zowel één patroon als een aantal patronen “munitie” i.d.z.v. de WWM vormt, levert de bewezenverklaarde overtreding van het in art. 26.1 WWM vervatte verbod op het voorhanden hebben van munitie slechts één bij art. 55.1 (oud) WWM strafbaar gesteld feit op (vgl. HR LJN ZD0737).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 494
RvdW 2007, 716
NJB 2007, 1655
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juli 2007

Strafkamer

nr. 03232/06

SY/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 april 2006, nummer 22/004682-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Weslinge" te Heerhugowaard.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 juli 2005 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 4. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd", 5. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod" en 6. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden. Daarbij heeft het Hof de hoofdstraf voor het overige in eerste aanleg bewezenverklaarde bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het betreft de kwalificatie van het onder 4 bewezenverklaarde, tot verbetering van die kwalificatie en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het vierde middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof het bewezenverklaarde onder 4, voor zover betrekking hebbend op het voorhanden hebben van munitie, ten onrechte heeft gekwalificeerd als handelen in strijd met art. 26, eerste lid, Wet wapens en munitie (WWM), meermalen gepleegd, aangezien het bewezenverklaarde in zoverre slechts één overtreding van het in art. 26, eerste lid, WWM vervatte verbod oplevert, en dat daardoor tevens de oplegging van de straf onvoldoende met redenen is omkleed.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij op 22 maart 2005 te Rotterdam wapens van categorie III (onder 1) en munitie van categorie III, te weten:

in een woning aan de [a-straat]:

- een (semi automatisch) pistool, merk Mauser, kaliber 9 millimeter Para en

- een (semi automatisch) pistool, merk CZ (Crvena Zastava), kaliber 9 millimeter Para en

- een (semi automatisch) pistool, merk Zastava, kaliber 7.62 Tokarev (7.62 x 25) en

- een (semi automatisch) pistool, merk MAS (Manufacture d'Armes de St Etienne), kaliber 6.35 millimeter en

- patronen, kaliber 9 millimeter Luger en patronen, kaliber 6.35 millimeter

voorhanden heeft gehad."

3.3. Omtrent de op te leggen straf heeft het Hof, voor zover hier van belang, overwogen:

"Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van wapens en munitie in een woning aan de [a-straat 1] te [plaats]. Het onbevoegd voorhanden hebben van wapens en munitie levert een onaanvaardbaar groot risico op voor de veiligheid van personen. Bovendien worden wapens als de onderhavige in toenemende mate gebruikt bij het plegen van ernstige misdrijven.

De verdachte heeft voorts aanwezig gehad een hoeveelheid van 1944 gram heroïne. Door het aanwezig hebben en het gebruik van heroïne wordt de volksgezondheid bedreigd. Het gebruik van heroïne is daarnaast direct en indirect oorzaak van vele vormen van criminaliteit. Daarnaast heeft de verdachte een aanzienlijke hoeveelheid hennep aanwezig gehad, hetgeen bij wet verboden is.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt."

3.4. Art. 1, aanhef en eerste lid onder 4°, WWM luidt:

"1. In deze wet wordt verstaan onder:

(...)

4°. munitie: patronen en andere voorwerpen, bestemd of geschikt om een projectiel of een giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende of soortgelijke stof door middel van een vuurwapen af te schieten of te verspreiden, alsmede projectielen, bestemd om afgeschoten te worden door middel van een vuurwapen;"

3.5. Het Hof heeft het bewezenverklaarde, voor zover hier van belang inhoudende dat de verdachte munitie van categorie III in de vorm van patronen van diverse kalibers voorhanden heeft gehad, gekwalificeerd als "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd". In aanmerking genomen dat zowel één patroon als een aantal patronen 'munitie' in de zin van de WWM vormt, levert de bewezenverklaarde overtreding van het in art. 26, eerste lid, WWM vervatte verbod op het voorhanden hebben van munitie slechts één bij art. 55, eerste lid, (oud) WWM strafbaar gesteld feit op (vgl. HR 3 juni 1997, LJN ZD0737, NJ 1997, 657).

3.6. Het middel is derhalve terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, de kwalificatie van het onder 4 bewezenverklaarde verbeteren. Terugwijzing naar het Hof voor de strafoplegging, nu dit feit niet meermalen maar éénmaal is gepleegd, behoeft niet te volgen. Gelet op de bewezenverklaarde feiten en de strafmotivering als hiervoor onder 3.3 weergegeven, moet worden aangenomen dat het Hof in de verbeterde kwalificatie geen aanleiding zou hebben gevonden tot het opleggen van een lagere straf.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de kwalificatie van het onder 4 bewezenverklaarde;

kwalificeert het onder 4 bewezenverklaarde als "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie";

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 3 juli 2007.