Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA4914

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
05-09-2007
Zaaknummer
00465/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA4914
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het recht tot strafvordering is i.c. niet vervallen indien het cassatieberoep tegen ’s Hofs niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in zijn hoger beroep niet slaagt, zie tussenarrest HR LJN AZ3286. ’s Hofs niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigende oordeel dat hetgeen door of namens verdachte is aangevoerd niet kan gelden als een bijzondere omstandigheid die de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar doet zijn, is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 543
NJ 2007, 490
RvdW 2007, 775

Uitspraak

4 september 2007

Strafkamer

nr. 00465/06

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 oktober 2005, nummer 22/001996-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage, locatie 's-Gravenhage, van 25 september 2002, waarbij de verdachte ter zake van "als bezitter een motorrijtuig op een weg laten staan zonder dat hij voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen heeft gesloten en in stand gehouden" is veroordeeld tot een geldboete van € 436,-, subsidiair acht dagen hechtenis met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De Hoge Raad heeft bij tussenarrest van 16 januari 2007 geoordeeld dat het recht tot strafvordering in de onderhavige zaak niet wegens verjaring is vervallen indien het cassatieberoep tegen 's Hofs niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep niet slaagt. Voormeld tussenarrest is aan het onderhavige arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.3. De Advocaat-Generaal Machielse heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd dat de Hoge Raad het vonnis van de Kantonrechter zal vernietigen en de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.

3.2.1. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"rolnummer 2200199604

parketnummer 0916038901

(...)

2. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte was op 1 oktober 2003 bekend met het vonnis waarvan beroep, nu naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat op die datum het vonnis waarvan beroep aan de verdachte is betekend.

De verdachte had derhalve binnen veertien dagen hierna in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 2 maart 2004 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De verdachte heeft weliswaar feiten en omstandigheden aangevoerd ter verklaring voor het te laat instellen van het hoger beroep, doch die acht het hof - mede gelet op het zwaarwegende belang van de van openbare orde zijnde appèltermijnen - niet van dien aard dat daardoor de overschrijding van de appèltermijn verontschuldigbaar wordt.

Beslissing:

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep."

3.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2005 houdt onder meer in:

"De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik heb de originele stukken ontvangen van douaniers bij de grensovergang. De geldboete heb ik toen betaald. Ik heb toen een brief geschreven naar het parket met het verzoek de achterliggende stukken toe te sturen. Ik ben later aangehouden en een nacht in de cel gezet. Ik heb toen weer gebeld met het parket, toen heb ik pas de link gelegd met het parketnummer en het S-nummer. Daarna heb ik het vonnis en de processen-verbaal ontvangen, daaruit bleek dat er ook een ontzegging van de rijbevoegdheid was opgelegd. Ik ben 29 november 1999 uit Nederland vertrokken. Het komt mij vreemd over dat personen daarna nog naar een oud adres gaan bellen.

De advocaat-generaal voert hierna het woord en leest zijn schriftelijke vordering voor.

De advocaat-generaal vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep in verband met het overschrijden van de appèltermijn.

De advocaat-generaal legt zijn schriftelijke vordering aan het gerechtshof over.

De raadsman voert het woord tot verdediging, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Het proces-verbaal van uitreiking vermeldt BOA-nummers. Uit de brief van de advocaat-generaal maak ik op dat een van de nummers betrekking heeft op rolnummer 2200199604. Het parketnummer staat niet op de brief, die aan de verdachte door de douaniers is uitgereikt, vermeld. De verdachte heeft slechts een kopie uitgereikt gekregen voor twee BOA-nummers, daar stond niets op vermeld over een ontzegging van de rijbevoegdheid. Verdachte heeft zich niet gerealiseerd dat het twee vonnissen betrof.

Naar mijn mening was er ook onduidelijkheid aan de zijde van de verbalisant [verbalisant 1] en de griffier. Ik verzoek u de verbalisant te vragen hoe de uitreiking is gegaan en hoe het zit met BOA-nummers.

De verdachte heeft het er na de uitreiking niet bij gelaten, maar heeft meteen gebeld.

De voorzitter wijst het verzoek om aanhouding van behandeling van de zaak af, nu de behandeling ter terechtzitting van 27 juni 2005 reeds is aangehouden teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen nader bewijs te vergaren."

3.2.3. Bij de stukken van het geding bevindt zich een brief van 1 oktober 2003 van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Noord aan het arrondissementsparket te 's-Gravenhage. Deze brief houdt, voor zover hier van belang, in:

"(...) Uw kenmerk: 09/160389-01

(...)

Hierbij doe ik u een akte van uitreiking toekomen contra [verdachte] geb. [geboortedatum].1957 te [geboorteplaats].

Het vonnis werd hem medegedeeld en uitgereikt.

Waarna hij voor ontvangst heeft getekend. (...)"

3.2.4. Aan de onder 3.2.3 bedoelde brief is een door de verdachte ondertekende akte van uitreiking gehecht. Deze akte van uitreiking houdt, voor zover hier belang, in:

"Uitgereikt aan

naam: [achternaam verdachte]

voornaam: [voornaam verdachte]

geboortedatum: [geboortedatum]57

geboorteplaats: [geboorteplaats]

(...)

parketnummer: 09/160389-01 (...)"

3.3.1. Het Hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de verdachte door de hiervoor onder 3.2.3 en 3.2.4 gerelateerde uitreiking aan hem in persoon op 1 oktober 2003 bekend was met het vonnis waarvan beroep en is er kennelijk van uitgegaan dat de verstekmededeling de gegevens omtrent de uitspraak behelsde die ingevolge art. 366, derde lid, Sv vermeld behoren te worden. Gelet op de omstandigheden dat door de douane aan de verdachte "het vonnis" werd uitgereikt en dat de verdachte verklaart van de douane "de originele stukken" te hebben ontvangen, is dat oordeel niet onbegrijpelijk.

3.3.2. Dat brengt mee dat de termijn voor het instellen van hoger beroep ingevolge art. 408, tweede lid, Sv op 15 oktober 2003 was verstreken, zodat de verdachte het beroep, dat dateert van 2 maart 2004, niet tijdig heeft ingesteld. 's Hofs niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigende oordeel dat hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd niet kan gelden als bijzondere omstandigheid die de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar doet zijn, is niet onbegrijpelijk.

3.4. Het middel faalt derhalve.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 4 september 2007.