Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA4607

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
C06/077HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA4607
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gemeenschap. Geschil tussen voormalige levenspartners over de financiële afwikkeling van hun samenlevingsverband; wettelijke rente, ingangsdatum onder art. 1286 (oud) BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 488
RvdW 2007, 646
NJB 2007, 1545
JWB 2007/249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 juni 2007

Eerste Kamer

Nr. C06/077HR

RM/MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

[Verweerster],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Verweerster] heeft bij exploot van 12 juni 1990 [eiser] gedagvaard voor de rechtbank te Utrecht en gevorderd primair de scheiding en deling van de aan de maatschap (als bedoeld in de inleidende dagvaarding) toe te rekenen goederen, en subsidiair betaling door [eiser] van ƒ 600.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente.

[Eiser] heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft zes tussenvonnissen gewezen. Tegen de tussenvonnissen van 6 april 1994, 11 november 1998 en 26 juni 2002, hebben partijen tussentijds hoger beroep doen instellen bij het gerechtshof te Amsterdam. Het hof heeft op 18 mei 1995, 3 februari 2000 en 17 juli 2003 tussenarresten gewezen.

Bij eindvonnis van 21 juli 2004 heeft de rechtbank [eiser] veroordeeld aan [verweerster] € 55.140,65 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank heeft haar vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen het eindvonnis en alle tussenvonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij incidentele conclusie heeft [eiser] tevens verzocht om schorsing van de executie van het eindvonnis.

[Verweerster] heeft het incidentele verzoek tot schorsing bestreden. Bij tussenarrest van 17 maart 2005 heeft het hof de vordering van [eiser] in het incident afgewezen.

Hierna heeft het hof bij eindarrest van 17 november 2005 de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.

De tussenarresten van 18 mei 1995 en 3 februari 2000 alsmede het eindarrest van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen voornoemde arresten van het hof van 18 mei 1995, 3 februari 2000 en 17 november 2005 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerster] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep, voorzover gericht tegen het arrest van 18 mei 1995 en tot vernietiging en verwijzing, voorzover het beroep is gericht tegen de arresten van 3 februari 2000 en 17 november 2005.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen hebben vanaf september 1984 tot en met december 1989 met elkaar samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding gevoerd.

(ii) Partijen hebben een overeenkomst gesloten, vastgelegd bij notariële akte van 20 augustus 1987, waarin zij onder meer bepaalden dat zij, ingeval de samenwoning anders dan door overlijden van een hunner zou eindigen, de goederen welke hun in mede-eigendom toebehoorden, waaronder begrepen de schulden met betrekking tot die goederen, met toepassing van de beginselen van redelijkheid en billijkheid zouden verdelen.

(iii) [Verweerster] was in 1984 eigenares van een restaurantbedrijf. Zij heeft dit bedrijf in 1985 verpacht en in 1988 verkocht voor ƒ 175.0000,--.

(iv) [Eiser] is vanaf 1969 eigenaar van een assurantiekantoor. [Verweerster] heeft in elk geval vanaf 1985 in dit bedrijf meegewerkt. Met ingang van 1989 zijn de door [verweerster] in dat bedrijf verrichte werkzaamheden vergoed, en wel op declaratiebasis.

(v) [Eiser] heeft zijn assurantiekantoor per 1 juli 1987 ingebracht in een B.V. (hierna: de B.V.) waarvan hij enig directeur en enig aandeelhouder is.

3.2 Partijen zijn het oneens over de financiële afwikkeling van hun samenlevingsverband en procederen daarover sinds medio 1990. De rechtbank en het hof hebben geoordeeld dat [verweerster] op grond van een gelet op de aard van hun samenleving aan te nemen stilzwijgende overeenkomst tussen partijen die gedurende de periode van hun samenleving hun verhouding mede aan de hand van de redelijkheid en billijkheid nader bepaalde, redelijkerwijs gerechtigd is in de vermogensvermeerdering van [eiser] mee te delen, voorzover deze een gevolg moet worden geacht van het feit dat [verweerster] meer dan redelijk is te achten in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding heeft bijgedragen en zij zelf daardoor in haar vermogen dienovereenkomstig is achteruitgegaan. In haar eindvonnis van 21 juli 2004 oordeelde de rechtbank dat [verweerster] méér heeft bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding dan [eiser], en terzake daarvan recht heeft op vergoeding door [eiser] van een bedrag van ƒ 44.514,-- (€ 20.199,57). De rechtbank oordeelde daarnaast dat als gevolg van onbetaalde werkzaamheden van [verweerster] een actief van ƒ 77.000,-- (€ 34.941,08) in de onderneming van [eiser] is ontstaan en dat daaruit volgt dat er sprake is van een zodanige met de werkzaamheden van [verweerster] verband houdende vermogensvermeerdering, dat gelet op de redelijkheid en billijkheid, [verweerster] in die vermogensvermeerdering dient te delen en dat dit bedrag netto aan [verweerster] toekomt. Dienovereenkomstig veroordeelde de rechtbank [eiser] tot betaling van in totaal € 55.140,65 aan [verweerster], vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 1990. Het hof heeft in drie tussentijdse beroepen geoordeeld en vervolgens in het door [eiser] na het eindvonnis van de rechtbank ingestelde hoger beroep de vonnissen waartegen het was gericht bekrachtigd. Het cassatieberoep is gericht tegen de interlocutoire arresten van 18 mei 1995 en 3 februari 2000 en tegen het eindarrest van 17 november 2005. Tegen het oordeel van het hof dat partijen stilzwijgend een overeenkomst hebben gesloten als hiervoor omschreven richt het middel geen klachten.

3.3 Onderdeel I.1 betreft de (omvang van de) aan [verweerster] toekomende vergoeding op de grond dat zij meer heeft bijgedragen aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding dan [eiser]. Dienaangaande heeft [eiser] onder meer het standpunt ingenomen, kort gezegd, dat de door de rechtbank benoemde deskundige bij zijn advies met betrekking tot de vraag hoeveel elk van de partijen aan de gemeenschappelijke huishouding heeft bijgedragen, ten onrechte de door [eiser] betaalde autokosten en belastingen niet heeft gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Nadat de rechtbank dit standpunt in de rov. 2.9, 2.10 en 2.11 van haar tussenvonnis van 11 november 1998 had verworpen, heeft [eiser] in zijn tussentijdse hoger beroep tegen dit tussenvonnis deze verwerping in grief V bestreden en zijn standpunt herhaald en nader geadstrueerd. Het onderdeel slaagt voorzover het klaagt dat het hof in rov. 4.12 van zijn tussenarrest van 3 februari 2000 deze grief heeft verworpen zonder de gronden te vermelden waarop het hof het standpunt van [eiser] met betrekking tot de autokosten en de betaalde belastingen onjuist acht. Dit brengt mee dat ook het eindarrest van het hof, waarin het hof in rov. 4.3 voortbouwt op rov. 4.12 van voormeld tussenarrest en op de rov. 2.10 en 2.11 van voormeld tussenvonnis, niet in stand kan blijven. Onderdeel I.1 behoeft voor het overige geen behandeling.

3.4 Onderdeel II.6 heeft betrekking op de door [eiser] te betalen vergoeding voor de onbetaalde arbeid die [verweerster] in de onderneming van [eiser] heeft verricht. Het klaagt over het oordeel van het hof, in rov. 4.13 van het eindarrest, dat hetgeen [eiser] nog heeft aangevoerd over de dividendbelasting die over een uitkering aan [verweerster] zou moeten worden betaald, niet tot een ander oordeel kan leiden, nu [eiser] niet heeft gesteld dat hem geen andere mogelijkheid ten dienste zou staan dan de door hem aan [verweerster] uit te keren vergoeding als dividend uit te keren. Het onderdeel acht dit onbegrijpelijk, nu [eiser] heeft aangevoerd dat er fiscaal geen andere mogelijkheid bestaat dan de netto vermogenstoename binnen de besloten vennootschap als een dividenduitkering beschikbaar te stellen. Deze klacht faalt. Aan de bestreden overweging gaat vooraf het oordeel van het hof in dezelfde rechtsoverweging, "dat het alleszins redelijk is dat aan [verweerster] wordt vergoed het nominaal netto bedrag van haar inbreng." Met de bestreden overweging heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de door [eiser] gestelde fiscale onmogelijkheid om deze vergoeding anders dan als een dividenduitkering ten laste van de B.V. te brengen niet eraan afdoet dat het redelijk is dat [verweerster] het nominale netto bedrag van haar inbreng vergoed krijgt, reeds omdat het [eiser] vrijstaat uit andere bronnen te putten voor de betaling van deze vergoeding. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, zodat de klacht faalt.

3.5 Onderdeel III.2 klaagt dat het hof, zo nodig onder aanvulling van rechtsgronden, de rechtbank had moeten corrigeren waar die de wettelijke rente op de voet van het in deze zaak nog toepasselijke art. 1286 (oud) BW over het door [eiser] te betalen bedrag liet ingaan op 1 januari 1990, hoewel op die datum noch van een vordering aanhangig in rechte noch ook van een opeisbare vordering waarvoor is aangemaand sprake was. Deze klacht is gegrond. Het hof is blijkens rov. 4.17 van zijn arrest van 3 februari 2000 ervan uitgegaan dat de wettelijke rente door [verweerster] was aangezegd bij de inleidende dagvaarding van 12 juni 1990. Gelet op art. 1286 (oud) BW is het dan onbegrijpelijk dat het hof de wettelijke rente reeds heeft laten ingaan op 1 januari 1990. Daarvoor is in ieder geval niet redengevend dat op die datum de samenwoning van partijen is beëindigd, zoals het hof onder overneming van rov. 2.16 van het vonnis van de rechtbank van 11 november 1998 heeft overwogen. Nu het hof in rov. 4.14 en 4.15 van zijn eindarrest voortbouwt op rov. 4.17 van voormeld tussenarrest, kan ook het eindarrest in zoverre niet in stand blijven.

3.6 De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep voorzover gericht tegen het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 18 mei 1995;

vernietigt de arresten van het gerechtshof te Amsterdam van 3 februari 2000 en 17 november 2005;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A. Hammerstein, J.C. van Oven, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 29 juni 2007.