Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA3610

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-09-2007
Datum publicatie
18-09-2007
Zaaknummer
01687/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA3610
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gebruik als (aanvullend) bewijs van een in het adviesrapport van de reclassering neergelegde verklaring van verdachte. Het uitbrengen van het adviesrapport, welk rapport kennelijk op de voet van art. 10 Reclasseringsregeling 1995 is opgemaakt in het kader van de zogenaamde ‘vroeghulp’ en een rapport is a.b.i. art. 62.4 Sv behoort tot de reclasseringswerkzaamheden a.b.i. art. 8.1.b Reclasseringsregeling 1995, kort gezegd: het doen van onderzoek naar en het geven van voorlichting over de verdachte. Daarbij gaat het om een kort verslag van door de reclasseringswerker a.d.h.v. in een gesprek met de in verzekering gestelde verdachte verkregen informatie, in het bijzonder met het oog op beslissingen over de voorlopige hechtenis. Een zodanig rapport strekt tot het geven van voorlichting over de persoon, de persoonlijkheid en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Mede tegen de achtergrond van de hulpverleningsrelatie waarin de reclasseringsambtenaar tot verdachte staat, mag de verklaring van verdachte in een dergelijk adviesrapport niet worden gebruikt voor het bewijs van het tenlastegelegde.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 62
Reclasseringsregeling 1995
Reclasseringsregeling 1995 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2007, 363
NBSTRAF 2007/363
NJ 2008, 192
JOL 2007, 582
RvdW 2007, 797
NJB 2007, 1925

Uitspraak

18 september 2007

Strafkamer

nr. 01687/06

SM/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 maart 2006, nummer 22/004377-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 11 juli 2005 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 1. tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 2. "schuldheling" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest ten aanzien van feit 2 en tot terugwijzing of verwijzing opdat de zaak wat betreft feit 2 op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt over het gebruik als (aanvullend) bewijs van een in het adviesrapport van de reclassering neergelegde verklaring van de verdachte.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 20 april 2005 te Rotterdam een goed, te weten een mobiele telefoon (Nokia 6230), heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dat goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof."

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 1]:

"Op 16 augustus 2004 parkeerde ik een bestelbus op de openbare weg te Rotterdam. Ik sloot de bestelbus rondom met de centrale deurvergrendeling af en liet de bestelbus in onbeschadigde toestand achter. Toen ik terugkwam bij de bestelbus zag ik dat een mobiele telefoon van het merk Nokia, type 6230, kleur zwart, imeinummer [0001] uit de middenconsole tussen de beide voorstoelen was weggenomen. Het weggenomen goed behoort mij in eigendom toe."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 20 april 2005 werd onder de verdachte [verdachte], geboren [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] inbeslaggenomen: 1 zwarte Nokia 6230, registratienummer [0001]."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"U confronteert mij met het feit dat u in mijn fouillering een mobiele telefoon van het merk Nokia, type 6320, kleur zwart en voorzien van het imeinummer [0001] had aangetroffen en dat deze mobiele telefoon van diefstal afkomstig is. Ik heb deze Nokia gekregen van een vriend van mij. Ik wil zijn naam niet noemen."

3.2.3. In de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv heeft het Hof de volgende bewijsoverweging opgenomen:

"Uit de eigen verklaring van de verdachte, weergegeven in het over hem door de reclassering op 22 april 2005 uitgebrachte rapport, inhoudende dat de verdachte alleen "criminele" vrienden heeft waardoor hij telkens in problemen komt, alsmede uit zijn verklaring, opgenomen als bewijsmiddel 3 leidt het hof in samenhang bezien af - mede tegen de achtergrond van het feit van algemene bekendheid dat mobiele telefoons in Rotterdam veelvuldig voorwerp van diefstal en heling zijn - dat de verdachte redelijkerwijze heeft kunnen vermoeden dat de onderhavige telefoon door misdrijf was verkregen."

3.2.4. Het door het Hof in zijn bewijsoverweging bedoelde adviesrapport van het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering van 22 april 2005, dat zich bij de stukken van het dossier bevindt, is kennelijk opgemaakt naar aanleiding van de aan de reclassering gedane kennisgeving van de inverzekeringstelling van de verdachte. Dit rapport houdt, voor zover hier van belang, in:

"Inleiding

[Verdachte] is op donderdag 21 april 2005 bezocht op het politiebureau (...). Hij wordt verdacht van een 'auto-inbraak met geweld.

Cliënt ontkent.

Hij vertelt dat de politie denkt dat hij iets met deze zaak te maken heeft, omdat hij zou hebben gebeld met een telefoon die uit de auto zou zijn gestolen.

Hij zegt zelf dat hij niets met deze zaak te maken heeft.

(...)

Gezinssituatie/ Sociaal netwerk

Betrokkene geeft aan dat hij met zijn moeder en zus thuis woont. Hij legt uit dat hij als 'moslim-man' niet heel de tijd bij deze twee vrouwen kan zijn en dat hij daarom zijn vrienden opzoekt. Hij heeft echter alleen maar vrienden die in de criminaliteit zitten. Hierdoor komt hij steeds zelf in de problemen, zo zegt hij. Hij vertelt dat hij eigenlijk afstand van deze vrienden wil nemen, maar dat hij er dan alleen voor staat. Hierdoor blijft hij steeds terugvallen op hen."

De in voormeld rapport bedoelde 'auto-inbraak met geweld' betreft het onder 1 tenlastegelegde feit, waarvan de verdachte in de bestreden uitspraak is vrijgesproken.

3.3. Het uitbrengen van het adviesrapport, welk rapport kennelijk op de voet van art. 10 Reclasseringsregeling 1995 is opgemaakt in het kader van de zogenaamde 'vroeghulp' en een rapport is als bedoeld in art. 62, vierde lid, Sv, behoort tot de reclasseringswerkzaamheden als bedoeld in art. 8, eerste lid onder b, Reclasseringsregeling 1995, kort gezegd: het doen van onderzoek naar en het geven van voorlichting over de verdachte.

Daarbij gaat het om een kort verslag van door de reclasseringswerker aan de hand van in een gesprek met de in verzekering gestelde verdachte verkregen informatie, in het bijzonder met het oog op beslissingen over de voorlopige hechtenis. Een zodanig rapport strekt tot het geven van voorlichting over de persoon, de persoonlijkheid en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Mede tegen de achtergrond van de hulpverleningsrelatie waarin de reclasseringsambtenaar tot de verdachte staat, mag de verklaring van de verdachte in een dergelijk adviesrapport niet worden gebruikt voor het bewijs van het tenlastegelegde.

3.4. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel, J. de Hullu, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 18 september 2007.