Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA3598

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
19-06-2007
Zaaknummer
01401/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA3598
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

De opvatting in het middel, dat een bedreiging via de e-mail niet zonder meer een schriftelijke bedreiging a.b.i. art. 285.2 Sr oplevert, is onjuist. Beslissend is of de bedreiging de geadresseerde in leesbare vorm bereikt, ongeacht de wijze van overbrenging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 360
RvdW 2007, 659
JOL 2007, 463
NJB 2007, 1488
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 juni 2007

Strafkamer

nr. 01401/06

JB/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 oktober 2005, nummer 20/007518-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 18 januari 2005 - de verdachte ter zake van "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder bepaalde voorwaarden is geschied, meermalen gepleegd" en "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot 3 weken gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. M.J.C. Zuurbier, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt over het oordeel van Hof dat het digitaal toezenden van bedreigende e-mailberichten kan worden aangemerkt als een schriftelijke bedreiging als bedoeld in art. 285, tweede lid, Sr.

3.2. Het Hof heeft overeenkomstig hetgeen is tenlastegelegd bewezenverklaard dat de verdachte:

"op tijdstippen in de periode van 18 juni 2003 tot en met 7 september 2003 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, een persoon, genaamd [het slachtoffer]

- meermalen schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd, immers heeft hij telkens opzettelijk dreigend die [slachtoffer] E-mailberichten toegezonden met de navolgende (zakelijk weergegeven) dreigende inhoud, te weten:

- op 18 juni 2003 een E-mailbericht met als inhoud "Zo vuile klootzak, ben je daar nog? Je moet maken dat je daar weg komt en dat die kankerbeheerder ook verdwijnt anders zorg ik er voor dat jij in ieder geval je benen breekt en anders je keel wordt doorgesneden. Er zijn meerdere mensen die een hekel aan je hebben en ik zorg er voor dat je verdwijnt";

- op 16 juli 2003 een E-mailbericht met als inhoud "Zo vuile kankerlijer je werkt er nog steeds. Het wordt tijd dat je weggaat. Wij geven je nog twee weken en dan wordt je in elkaar geslagen. Blijf je nog daar dan vermoorden we je";

en

- eenmaal heeft bedreigd, immers heeft hij opzettelijk dreigend die [slachtoffer] een E-mailbericht toegezonden met de navolgende dreigende inhoud, te weten:

- op 7 september 2003 een E-mailbericht met als inhoud "Zo vuile vieze kankerlijer, denk jij dat er niks gaat gebeuren gore smeerlap. Ik weet zeker dat ik met mijn vrienden je af ga maken. Van jouw kankerkop maken we helemaal een pretpark van een teringlijer. Reken er maar op dat we je ook koud maken"."

3.3. Het middel berust op de opvatting dat een bedreiging die is geuit door middel van een e-mailbericht niet zonder meer een "schriftelijke" bedreiging in de zin van art. 285 Sr oplevert. Die opvatting is onjuist. Beslissend is of de bedreiging de geadresseerde in leesbare vorm bereikt, ongeacht de wijze van overbrenging.

3.4. Het middel faalt derhalve.

4. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 19 juni 2007.