Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA3527

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
R06/126HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA3527
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2005:AY5146, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over alimentatie; uitleg van bewijsaanbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 505
RvdW 2007, 700
RFR 2007, 108
NJB 2007, 1692
JWB 2007/276

Uitspraak

13 juli 2007

Eerste Kamer

Rek.nr. R06/126HR

RM/MK

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 1 april 2004 ter griffie van de rechtbank te Middelburg ingediend verzoekschrift heeft de vrouw zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, tussen haar en de man echtscheiding uit te spreken en de man te veroordelen om in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag te betalen van € 4.000,-- per maand.

De man heeft zich ten aanzien van de verzochte echtscheiding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en voor het overige het verzoek van de vrouw bestreden.

Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak heeft de vrouw haar verzoek ten aanzien van de bijdrage in haar levensonderhoud verminderd tot een bedrag van € 3.000,--, per maand. Bij beschikking van 15 december 2004 heeft de rechtbank tussen partijen echtscheiding uitgesproken en de man veroordeeld om ten titel van levensonderhoud € 574,-- per maand aan de vrouw te betalen.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De vrouw heeft het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, tussen partijen echtscheiding uit te spreken, echter uitsluitend en alleen indien en voorzover de door de man aan haar te betalen alimentatie zal worden bepaald op € 1.200,-- per maand of meer.

Bij tussenbeschikking van 9 november 2005 heeft het hof de bestreden beschikking bekrachtigd voorzover daarbij de echtscheiding is uitgesproken en de vrouw toegelaten te bewijzen dat de man op jaarbasis tenminste € 50.000,-- extra inkomsten had en heeft uit de door hem gedreven autohandel. Na getuigenverhoren heeft het hof bij eindbeschikking van 21 juni 2006 de bestreden beschikking voor het overige bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.

De beide beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen zowel de tussen- als de eindbeschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 15 augustus 1975 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. In het onderhavige geding heeft de rechtbank echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de man veroordeeld om ten titel van levensonderhoud € 574,-- per maand aan de vrouw te betalen.

(ii) Het hof heeft in zijn tussenbeschikking de beschikking van de rechtbank bekrachtigd voor zover daarbij echtscheiding is uitgesproken. Tegen deze beslissing is door geen der partijen cassatieberoep ingesteld.

(iii) Het hof heeft in zijn tussenbeschikking voorts de vrouw toegelaten het bewijs te leveren van haar stelling dat de man op jaarbasis tenminste € 50.000,-- extra inkomsten had en heeft uit de door hem gedreven autohandel. Na getuigenverhoren heeft het hof in zijn eindbeschikking geoordeeld dat de vrouw niet in dat bewijs is geslaagd, en de beschikking van de rechtbank ook voor het overige bekrachtigd.

3.2.1 Onderdeel 2 van het middel klaagt onder meer dat het hof het bewijsaanbod van de vrouw onbegrijpelijk - want te beperkt - heeft opgevat, omdat de vrouw een bewijsaanbod heeft gedaan dat veel algemener van aard was dan (slechts) dat de man ten minste € 50.000,-- aan extra inkomsten per jaar had, en dat haar bewijsaanbod daarentegen behelsde dat het jaarinkomen van de man hoger was dan hij beweerde en in de door hem overgelegde draagkrachtberekening was opgenomen.

3.2.2 Het onderdeel is gegrond. De vrouw heeft in haar beroepschrift voor het hof onder het kopje "Draagkracht man" onder meer opgemerkt:

"De vrouw heeft steeds (...) aan de orde gesteld dat de man een veel hogere draagkracht heeft dan hij wil doen voorkomen. Niet alleen heeft de man aanzienlijke neveninkomsten uit de autohandel die hij - klaarblijkelijk - niet c.q. onvolledig verantwoordt in zijn jaarstukken (...), ook heeft de man jarenlang een deel van zijn omzet buiten de boeken gehouden. De vrouw meent dat alleszins aannemelijk is dat - gezien het structurele c.q. consistente karakter van de handel en het buiten de boeken houden van omzet - het inkomen van de man substantieel hoger is geweest en is.

(...)

De vrouw biedt van een en ander nader bewijs aan door middel van getuigenverklaringen waaronder de genoemde getuigen maar ook door haar eigen getuigenverklaring. Meer in het bijzonder beoogt de vrouw te bewijzen dat de man een aanzienlijke handel in Oldtimers had opgezet, in stand hield en houdt (...) en dat de man daarmee aanzienlijke neveninkomsten gehad moet hebben. Daarenboven beoogt de vrouw aan te tonen dat grote delen van de omzet niet werden verantwoord en dat de man uit dien hoofde een aanzienlijk kapitaal zal hebben opgebouwd of toch in elk geval steeds aanmerkelijk meer zal hebben verdiend dan hij heeft opgegeven. Volstrekt onbegrijpelijk is voor de vrouw dat de rechtbank haar eerder bewijsaanbod in die richting heeft gepasseerd. De vrouw handhaaft en herhaalt haar standpunt dat de man op jaarbasis tenminste euro 50.000,= extra inkomsten had en heeft.

(...)

De vrouw onderkent dat zij moeilijk zal kunnen aantonen hetgeen de man verdient c.q. heeft verdiend met de handel en de niet verantwoorde bedrijfsactiviteiten. Zij acht echter aannemelijk, zeker gezien het uitgavenpatroon van partijen in het verleden dat de door haar gestelde inkomsten door de man werden genoten, terwijl zij - nu de man bewust gegevens achterhoudt en zelfs onwaarheden vertelt - meent dat het redelijk is van aanvullende inkomsten ter hoogte van circa euro 50.000,= per jaar uit te gaan of in elk geval de man bewijs op te dragen van het feit dat hij dat inkomen niet genoten zal hebben door hem te verplichten alsnog gegevens betreffende zijn aanvullende inkomsten te verstrekken met bewijs van aan- en verkoopprijzen etc. etc."

In het licht van deze passages is onbegrijpelijk dat het hof in zijn tussenbeschikking de bewijsopdracht beperkt heeft tot het bewijs dat de man "op jaarbasis tenminste € 50.000,-- extra inkomsten had en heeft", en dat het hof vervolgens - nadat de vrouw in haar memorie na enquête bezwaar had gemaakt tegen de beperkte formulering van de bewijsopdracht - in zijn eindbeschikking heeft overwogen dat het bewijsaanbod van de vrouw niet zag op de algemenere stelling dat de man meer zou hebben verdiend dan in zijn draagkrachtberekening door hem is verantwoord. De geciteerde passages laten geen andere conclusie toe dan dat het door de vrouw genoemde bedrag van € 50.000,-- slechts bedoeld was als een (volgens de vrouw: voorzichtige) schatting van de - te bewijzen aangeboden - extra inkomsten van de man, en dat zij daarmee niet bedoelde te stellen dat slechts rekening gehouden moest worden met extra inkomsten van de man indien deze (bewijsbaar) ten minste € 50.000,-- per jaar beliepen.

3.2.3 De beschikkingen van het hof kunnen niet in stand blijven. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikkingen van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 november 2005 en 21 juni 2006;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 13 juli 2007.