Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA3522

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-09-2007
Datum publicatie
07-09-2007
Zaaknummer
C06/054HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA3522
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Octrooirecht. Beschermingsomvang Europees octrooi; uitlegmaatstaf, handhaving rechtspraak sinds HR 13 januari 1995, nr. 15564, NJ 1995, 391 (Ciba Geigy/Oté).

Wetsverwijzingen
Rijksoctrooiwet 1995 53, geldigheid: 2007-09-07
Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag), München, 05-10-1973 69, geldigheid: 2007-09-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 555
RvdW 2007, 744
NJ 2007, 466
IER 2007, 106
NJB 2007, 1778
BIE 2008, 1
JWB 2007/282

Uitspraak

7 september 2007

Eerste Kamer

Nr. C06/054HR

MK/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

LELY ENTERPRISES A.G.,

gevestigd te Zug, Zwitserland,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: aanvankelijk mr. W. Taekema,

thans mr. H.J.A. de Knijff

t e g e n

1. DELAVAL B.V.,

gevestigd te Groningen,

2. DELAVAL INTERNATIONAL A.B.,

gevestigd te Tumba, Zweden,

VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaten: mr. R.S. Meijer en mr. F.E. Vermeulen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Lely - heeft bij exploot van 5 augustus 2002 verweersters in cassatie - verder in enkelvoud te noemen: Delaval - in een versnelde bodemprocedure gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage en gevorderd, kort weergegeven, een verbod tot (betrokkenheid bij) directe of indirecte octrooi-inbreuk, althans onrechtmatig handelen door Delaval, met een aantal nevenvorderingen, alles op straffe van dwangsommen, alsmede gevorderd schadevergoeding, nader op te maken bij staat en/of winstafdracht.

Delaval heeft de vordering bestreden en in reconventie gevorderd nietigverklaring van het Nederlandse deel van het door Lely ingeroepen octrooi.

De rechtbank heeft bij vonnis van 24 september 2003 de vordering in conventie grotendeels toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft Delaval hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Lely heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 22 september 2005 heeft het hof in het principaal beroep het vonnis van de rechtbank, voorzover in conventie gewezen, vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van Lely alsnog afgewezen, het vonnis, voorzover in reconventie gewezen, bekrachtigd en in het incidenteel beroep het beroep verworpen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Lely beroep in cassatie ingesteld. Delaval heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Lely door mrs. W.A. Hoyng en W.J.G. Maas, advocaten te Amsterdam.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het principale beroep.

De advocaat van Lely heeft bij brief van 30 maart 2007 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Lely is houdster van Europees octrooi EP 0 535754 - hierna: het octrooi - waarvan de verlening voor onder meer Nederland op 30 juli 1997 is gepubliceerd en waarbij als prioriteitsdata 4 oktober 1991 en 13 februari 1992 zijn ingeroepen, voor een 'implement for milking animals and a method of aftertreating the teats of a milked animal', in de Nederlandse vertaling aangeduid als 'inrichting voor het melken van dieren en een werkwijze voor het nabehandelen van de spenen van een gemolken dier'.

(ii) De onafhankelijke inrichtingsconclusie 1 van het octrooi luidt als volgt:

An implement for milking animals, such as cows, automatically, comprising an automatically operable cleaning member (84) for the cleaning of the teats of an animal before milking, a milking robot (8) with an arm (45) for the connecting of teat cups (53; 54) to the teats of the animal and successively milking of the animal and disconnecting the teat cups (53; 54) from the teats of the animal, characterized in that the implement further comprises an automatically operable after-treating device (105) for after-treating the udder and/or the teats of a milked animal included in the robot arm (45).

(iii) Voorts bevat het octrooi een onafhankelijke werkwijzeconclusie 11:

A method of after-treating the teats of a milked animal in an implement for the automatic milking of animals, which implement includes a milking robot with an arm (45) for the connecting and disconnecting of the teat cups from the animal's teat and wherein after the animal has been milked, the teat cups are disconnected from the animal's teats and automatically an after-treating liquid is sprayed from said arm (45) against the udder and/or the teats.

(iv) De conclusies 2-10 zijn afhankelijk van conclusie 1, de conclusies 12-24 van conclusie 11.

(v) Tegen de verlening van het octrooi is oppositie en beroep in oppositie ingesteld. Zowel de oppositieafdeling als de Technische Kamer van Beroep van bet Europees Octrooibureau (TK) heeft het octrooi echter ongewijzigd in stand gelaten.

(vi) Verweerster in cassatie onder 2 is het internationale hoofdkantoor van de Delaval-groep. Verweerster in cassatie onder 1 brengt in Nederland onder de naam VMS (Voluntary Milking System) een systeem op de markt voor het melken van koeien.

3.2 Lely heeft aan haar hiervoor onder 1 vermelde vorderingen ten grondslag gelegd - voor zover in cassatie nog van belang - dat Delaval met het op de markt brengen van het VMS-systeem inbreuk maakt op de conclusies 1 (direct) en 11 (indirect) van het octrooi. In reconventie heeft Delaval nietigverklaring - bedoeld zal zijn: vernietiging - gevorderd van het Nederlandse gedeelte van het octrooi wegens gebrek aan nieuwheid en inventiviteit. De rechtbank heeft het octrooi geldig geoordeeld en de inbreukvordering toegewezen. Het hof heeft dat vonnis bekrachtigd voor zover het de geldigheid van het octrooi betreft, maar geoordeeld dat van inbreuk geen sprake is. Het hof heeft, onder verwijzing naar art. 69 van het Europees Octrooiverdrag (rov. 7), conclusie 1 aldus uitgelegd dat de volgens het octrooi beschermde inrichting is voorzien van

a. een automatisch werkend reinigingsorgaan voor het reinigen van spenen,

b. een melkrobot met een robotarm voor

b.1. het aankoppelen van de melkbekers aan de spenen van het dier,

b.2. het vervolgens melken, en

b.3. het loskoppelen van de melkbekers van de spenen van het dier, alsmede

c. een automatisch werkende nabehandelingsinrichting in de robotarm (rov. 18).

In rov. 19 heeft het hof vervolgens overwogen:

"Zoals de bewoording van conclusie 1 reeds aangeeft en ook uit de figuurbeschrijving blijkt, worden de melkbekers (53, 54 in de figuren bij het octrooi) in ieder geval voorafgaand aan het aankoppelen van de spenen en na het loskoppelen van de spenen na het melken, ondersteund door de arm van de melkrobot (8). Vgl. het octrooi, kolom 6, regels 8 e.v. "Teat cups 53 and 54, which are connectable to the teats of the cow, are provided near the end of the arm 46" en kolom 8, regels 8 e.v. "After the milking procedure has been terminated, the teat cups 53 are removed from the teats and are withdrawn to the robot arm 45, where they are supported against the carrier plane 111 "."

Tegen deze overwegingen van rov. 19 richten de klachten van onderdeel I zich.

Onderdeel II is gericht tegen rov. 20, die als volgt luidt (en waarin met publicatie D5 wordt bedoeld de Europese octrooiaanvrage waarvan het octrooi is afgebakend):

"Het hof leidt hieruit en uit de formulering van de aanhef van conclusie 1 af, dat in de geoctrooieerde inrichting de melkbekers en de robotarm intensief samenwerken en constructief nauw zijn verbonden (de melkbekers zijn min of meer geïntegreerd in de robotarm). Dat is ook in overeenstemming met hetgeen hiervoor is besproken met betrekking tot de inventiviteitsvraag: het probleem waarvoor conclusie 1 een inventieve oplossing biedt is hoe de compactheid van de uit publicatie D5 bekende inrichting verder te verbeteren. Ook D5 beschrijft reeds een betrekkelijk compacte inrichting, waarin de melkbekers worden ondersteund door de robotarm."

In rov. 21 heeft het hof overwogen dat de nabehandelingsinrichting volgens conclusie 1 in de robotarm is opgenomen. In rov. 22-24 heeft het hof vervolgens de inrichting van het VMS-systeem onderzocht en geoordeeld (rov. 22) dat de melkbekers daarvan voorafgaand aan het aankoppelen aan de spenen niet worden ondersteund door de robotarm (maar zich in een terzijde opgesteld magazijn bevinden en daaruit stuk voor stuk door een grijper op de robotarm worden gepakt en aan een speen worden gekoppeld), dat tijdens het melken de robotarm op afstand van de melkbekers wordt gehouden en dat die zich ook bij het loskoppelen van de melkbekers van de spenen op afstand van de melkbekers bevindt, en de melkbekers na het loskoppelen dan ook niet worden ondersteund door de robotarm. Het hof verbond daaraan (in rov. 23) de conclusie dat het VMS-systeem aldus niet de in rov. 18 vermelde aspecten b.2 en b.3 vertoont en kwam tot het oordeel dat ook aspect c bij het VMS-systeem ontbreekt, aangezien van de nabehandelingsinrichting daarvan slechts een deel van de leiding voor de nabehandelingsvloeistof in de robotarm is opgenomen, terwijl het sproeimondstuk zich bevindt in een plastic haak die door de robotarm wordt gedragen. Daarom, aldus het hof, is van letterlijke (directe) inbreuk op conclusie 1 geen sprake. Het oordeelde dat het VMS-systeem evenmin een equivalent van de inrichting van het octrooi kan worden genoemd (rov. 24). Daaruit volgt, aldus het hof (rov. 25) dat met het gebruik van het VMS-systeem de werkwijze van conclusie 11 van het octrooi niet wordt toegepast en met het aanbieden en verkopen daarvan dus ook geen indirecte inbreuk op conclusie 11 wordt gemaakt.

3.3 De onderdelen I en II behelzen rechts- en motiveringsklachten tegen de in rov. 19 en 20 neergelegde uitleg die het hof aan conclusie 1 van het octrooi heeft gegeven. Bij de behandeling van die klachten dient het volgende te worden vooropgesteld. Art. 53 lid 2 ROW 1995, dat gelijkluidend is aan art. 30 lid 2 ROW (1910), bepaalt, overeenkomstig art. 69 lid 1 Europees Octrooiverdrag (EOV), dat het uitsluitend recht wordt bepaald door de inhoud van de conclusies van het octrooischrift, waarbij de beschrijving en de tekeningen dienen tot uitleg van die conclusies. Bij art. 69 EOV behoort een uitlegprotocol dat inhoudt:

"Artikel 69 mag niet worden uitgelegd in de zin als zou de beschermingsomvang van het Europees octrooi worden bepaald door de letterlijke tekst van de conclusies en als zouden de beschrijving en de tekeningen alleen maar mogen dienen om de onduidelijkheden welke in de conclusies zouden kunnen voorkomen op te heffen. Het mag evenmin worden uitgelegd in die zin, als zouden de conclusies alleen als richtlijn dienen en als zou de bescherming zich ook mogen uitstrekken tot datgene wat de octrooihouder, naar het oordeel van de deskundige die de beschrijving en de tekeningen bestudeert, heeft willen beschermen. De uitleg moet daarentegen tussen deze twee uitersten het midden houden, waarbij zowel een redelijke bescherming aan de aanvrager als een redelijke rechtszekerheid aan derden wordt geboden."

In zijn arrest van 27 januari 1989, nr. 13394, NJ 1989, 506, heeft de Hoge Raad als uitgangspunt geformuleerd dat de vóór de implementatie van het EOV in de Nederlandse rechtspraak ontwikkelde opvatting omtrent de uitleg van een octrooi - kort gezegd: het komt aan (niet op de letterlijke bewoordingen van het octrooischrift maar) op datgene waarin naar het wezen van de zaak de geoctrooieerde uitvinding bestaat - ook nadien nog tot uitgangspunt kan worden genomen. In zijn arrest van 13 januari 1995, nr. 15564, NJ 1995, 391, heeft de Hoge Raad overwogen dat dit aldus moet worden begrepen dat bij de uitleg van de conclusies van het octrooischrift, mede in het licht van beschrijving en tekeningen, onder ogen dient te worden gezien wat voor de uitvinding waarvan de bescherming wordt ingeroepen, wezenlijk is - anders gezegd: wat de achter de woorden van die conclusies liggende uitvindingsgedachte is - teneinde een uitsluitend op de letterlijke betekenis van de bewoordingen gegronde en daarom voor een redelijke bescherming van de octrooihouder wellicht te beperkte (of onnodig ruime) uitleg te vermijden. Voorts, dat dit gezichtspunt evenwel nog geen aanwijzingen geeft voor de wijze waarop bij die uitleg het in het protocol bedoelde midden tussen een redelijke bescherming van de octrooihouder en een redelijke rechtszekerheid voor derden kan worden gevonden. De tot uitleg van de conclusies van het octrooischrift geroepen rechter zal dan ook tevens moeten beoordelen of het resultaat van zijn onderzoek de rechtszekerheid voor derden voldoende tot haar recht laat komen. Dit laatste gezichtspunt, aldus het arrest, zal een restrictieve, meer bij de bewoordingen van de conclusies aansluitende uitleg kunnen rechtvaardigen in dier voege dat gebrek aan duidelijkheid voor de gemiddelde vakman die de grenzen van de door het octrooi geboden bescherming wil vaststellen, in beginsel ten nadele van de octrooihouder werkt. Voorts moet bij dit alles rekening worden gehouden met de aard van het concrete geval, waaronder ook de mate waarin de geoctrooieerde uitvinding vernieuwing heeft gebracht.

In het arrest van 1995 is aldus tot uitdrukking gebracht dat 'hetgeen voor de uitvinding waarvan de bescherming wordt ingeroepen, wezenlijk is', onderscheidenlijk 'de achter de woorden van die conclusies liggende uitvindingsgedachte' niet langer als uitgangspunt dient, doch als gezichtspunt, tegenover de letterlijke tekst van de conclusies (de 'uitersten' in de woorden van het Protocol). De feitenrechter die zich gesteld ziet voor de taak de beschermingsomvang van een octrooi vast te stellen door uitleg van de octrooiconclusies, dient bovenstaande maatstaf (met inbegrip van hetgeen in het arrest van 1995 overigens nog is overwogen) te hanteren. Die uitleg is in de regel overigens zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat deze in cassatie slechts in beperkte mate op juistheid kan worden onderzocht (vgl. HR 31 oktober 2003, nr. C02/227, NJ 2006, 600).

3.4.1 Tegen de achtergrond van dit een en ander zijn de klachten van de onderdelen I en II tevergeefs voorgesteld. Onderdeel I bevat rechtsklachten die erop neerkomen dat het hof, met zijn overweging in rov. 19 dat de melkbekers in ieder geval voorafgaand aan het aankoppelen aan de spenen en na het loskoppelen van de spenen na het melken ondersteund worden door de arm van de robot, de beschermingsomvang van het octrooi heeft teruggebracht of heeft doen samenvallen met het uitvoeringsvoorbeeld en de beschrijving en de tekeningen heeft aangewend om tot een uitleg te geraken die leidt tot een beschermingsomvang die geringer is dan uit de duidelijke bewoordingen, respectievelijk de inhoud van de conclusie blijkt. Deze rechtsklachten kunnen bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, aangezien deze het oordeel van het hof niet juist weergeven. Het hof heeft - geheel in de lijn van hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen - aan de hand van de beschrijving en de tekeningen conclusie 1 van het octrooi uitgelegd. Het is kennelijk en niet onbegrijpelijk niet van oordeel geweest dat de bewoordingen van conclusie 1, ook los van de beschrijving en de tekeningen, duidelijk waren en tot de door Lely voorgestane (ruimere) uitleg zouden moeten leiden. Onbegrijpelijk is de door het hof gebezigde uitleg evenmin. De conclusie spreekt van 'a milking robot (8) with an arm (45) for the connecting of teat cups (53; 54) to the teats of the animal and successively milking of the animal and disconnecting the teat cups'. Daaruit heeft het hof de uitleg kunnen afleiden waartoe het in rov. 19 is gekomen. Dat het daarbij voorts betekenis heeft toegekend aan de in de overweging geciteerde passages uit de beschrijving en de figuren 1 en 4, waarnaar die verwijzen, stond het hof vrij, gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen.

3.4.2 Onderdeel IIA bouwt in zijn eerste klacht voort op onderdeel I, zodat het in zoverre het lot daarvan moet delen. De tweede klacht, die inhoudt dat uit de door het hof in rov. 19 geciteerde passage niet kan worden afgeleid dat sprake is van een intensief samenwerken en een constructief gezien nauwe verbondenheid, nu uit die passage blijkt dat tijdens het melken de melkbekers door de robot(arm) nu juist niet worden ondersteund, faalt, omdat deze laatste omstandigheid het hof niet behoefde te weerhouden van zijn hier bestreden oordeel. Hetgeen namens Lely dienaangaande bij pleidooi in appel is aangevoerd, zoals weergegeven in het onderdeel, is met 's hofs oordeel niet onverenigbaar.

Onderdeel IIB wraakt het oordeel van het hof dat de eerderbedoelde intensieve samenwerking en constructief nauwe verbondenheid mede uit de aanhef van conclusie 1 kunnen worden afgeleid. Deze klacht faalt. Het hof is blijkens rov. 20 tot zijn bestreden oordeel gekomen op grond van hetgeen het in rov. 19 en met betrekking tot de inventiviteitsvraag - kennelijk in rov. 11 en 14 - heeft overwogen; dat het tegen die achtergrond ook betekenis heeft toegekend aan de in de aanhef van conclusie 1 vermelde opsomming van functies van de inrichting, en die aldus heeft opgevat dat daarmee een combinatie van functies van de robotarm is beschreven, is onjuist noch onbegrijpelijk.

Onderdeel IIC acht onbegrijpelijk de evenbedoelde redengeving, ontleend aan hetgeen het hof had overwogen omtrent de inventiviteit. Voor zover de klacht ervan uitgaat dat het hof zijn oordeel uitsluitend op rov. 11 heeft gebaseerd, mist deze, blijkens de bewoordingen van de bestreden overweging, feitelijke grondslag. Voor zover de klacht voortbouwt op onderdeel I deelt deze het lot daarvan. Voor het overige mist de klacht doel. Uitgaande van een inrichting waarin, zoals het hof die begrepen heeft, de melkbekers door de robotarm worden ondersteund - welk oordeel van het hof in onderdeel 1 tevergeefs is bestreden - en die zijn inventiviteit dankt aan verbeterde compactheid, is 's hofs in rov. 20 gegeven oordeel niet onbegrijpelijk.

3.5 De onderdelen III en IV hebben betrekking op rov. 22 en 23, waarin het hof heeft onderzocht of het VMS-systeem van Delaval inbreuk maakt op conclusie 1 en die vraag ontkennend heeft beantwoord, aangezien het tot de slotsom kwam dat de inrichting van Delaval niet beantwoordt aan de aspecten b.2, b.3 en c, vermeld in rov. 18. Onderdeel IVB, dat de Hoge Raad als eerste zal behandelen, bestempelt als onbegrijpelijk het in rov. 23 neergelegde oordeel dat aspect c bij het VMS-systeem ontbreekt aangezien van de nabehandelingsinrichting van die inrichting slechts een deel van de leiding voor de nabehandelingsvloeistof in de robotarm is opgenomen, terwijl het sproeimondstuk zich bevindt in een plastic haak die door de robotarm wordt gedragen. Geklaagd wordt dat deze overweging, zonder nadere toelichting, onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen namens Lely in hoger beroep onbestreden is gesteld, te weten, kort gezegd, dat de plastic haak onderdeel vormt van de (robot)arm en dat Delaval dat plastic gedeelte ook zelf als arm aanduidt. Deze klacht miskent dat het bestreden oordeel kennelijk aldus moet worden begrepen dat het hof beslissend heeft geacht dat de bedoelde haak niet in de robotarm is opgenomen - in de zin van: daarin is weggewerkt - hetgeen in 's hofs uitleg van het octrooi als kenmerk daarvan heeft te gelden (rov. 21). Het oordeel dat daarvan bij het VMS-systeem geen sprake is, wordt door het onderdeel - begrijpelijkerwijs - niet bestreden.

Nu aldus het oordeel van het hof dat bij het VMS-systeem niet sprake is van aspect c tevergeefs is aangevallen, blijft het oordeel van het hof dat van letterlijke inbreuk geen sprake is in stand, zodat Lely bij de behandeling van de overige klachten van de onderdelen III en IV geen belang heeft.

3.6 Onderdeel V - in de cassatiedagvaarding abusievelijk aangeduid als VI - is gericht tegen rov. 24. Onder A bevat het een klacht die voortbouwt op de voorafgaande klachten tegen het oordeel van het hof dat van letterlijke inbreuk geen sprake is, zodat die klacht, gelet op hetgeen hiervoor in 3.5 is overwogen, faalt.

Onderdeel VB behelst in de eerste plaats de klacht dat de door het hof vastgestelde doelstelling - een inrichting te verschaffen met een verbeterde compactheid, vergeleken met de uit D5 bekende inrichting - niet uit (de beschrijving en de tekeningen van) het octrooi valt af te leiden. Volgens het onderdeel blijkt uit de beschrijving dat het octrooi beoogt een in de robotarm opgenomen automatische nabehandelingsinrichting te verschaffen, hetgeen ertoe bijdraagt dat het gemolken dier minder snel geïnfecteerd raakt. Deze klacht faalt, omdat naar de in cassatie niet bestreden oordelen in rov. 13 en 14 de inventiviteit van conclusie 1 niet is gelegen in het toevoegen van een (automatisch werkende) nabehandelingsinrichting, maar in het opnemen daarvan in dezelfde robotarm die zorg draagt voor het aan- en loskoppelen van de melkbekers.

Voorts klaagt het onderdeel dat onbegrijpelijk is hoe het toevoegen van een nabehandelingsinrichting aan de uit D5 bekende inrichting kan leiden tot verbetering van de compactheid van D5, dat geen nabehandelingsinrichting kent. Deze klacht miskent dat van ten opzichte van D5 verbeterde compactheid ook sprake kan zijn wanneer de inrichting compacter is dan zij zou zijn indien aan D5 zonder nadere maatregelen een nabehandelingsinrichting zou worden toegevoegd. Kennelijk heeft het hof dat voor ogen gehad, zodat ook deze klacht faalt.

3.7 Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt Lely in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Delaval begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 7 september 2007.