Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA3312

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-04-2007
Datum publicatie
20-04-2007
Zaaknummer
42009
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 16 AWR. Navordering. Ambtelijk verzuim?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 774 met annotatie van Thomas
FutD 2007-0786
BNB 2007/196
V-N 2007/20.13

Uitspraak

Nr. 42.009

20 april 2007

Za

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 juli 2005, nr. 04/02927, betreffende na te melden aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete.

De navorderingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur, de navorderingsaanslag alsmede de boetebeschikking vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. In 1996 kocht belanghebbende bij A N.V. (hierna: de verzekeraar) een zogenoemde saldolijfrentepolis (hierna: de polis), waarvoor zij op 1 juli 1996 ƒ 300.000 (€ 136.134) heeft betaald. In oktober 2000 heeft de verzekeraar ter zake van de polis ƒ 300.000 aan belanghebbende betaald. In april 2002 heeft belanghebbende de polis van de verzekeraar afgekocht; uitgekeerd werd een bedrag van € 104.179,97.

3.1.2. Op 16 januari 2003 is een renseignement van de verzekeraar bij de belastingdienst binnengekomen. Dit renseignement vermeldt onder meer dat op 11 april 2002 aan belanghebbende een bedrag van € 104.179 is uitgekeerd. Voorts is op het renseignement vermeld: "Betaalde premie in uitkering/WEV Bedrag: + 136134".

3.1.3. Bij de door belanghebbende op 26 februari 2003 voor het onderhavige jaar gedane aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen is de polis twee maal vermeld bij de box 3-bezittingen per 1 januari 2002, beide malen voor € 104.180. Bij de box 3-bezittingen per 31 december 2002 is niets ter zake van de polis vermeld. Ook bij box 1 is ter zake van de polis niets vermeld.

3.1.4. De aanslag met dagtekening 4 september 2003 is overeenkomstig de aangifte opgelegd.

3.1.5. Bij brief van 11 maart 2004 heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht de voor het onderhavige jaar ingediende aangifte te herzien omdat een vergissing is gemaakt, inhoudende dat het aan belanghebbende uitgekeerde bedrag ter grootte van € 104.180 twee maal is opgenomen bij de box 3-bezittingen per 1 januari 2002. Deze brief was voor de Inspecteur reden de onderhavige navorderingsaanslag en vergrijpboete op te leggen.

3.1.6. Voor het Hof was in geschil de vraag of de onderhavige navorderingsaanslag en vergrijpboete terecht zijn opgelegd.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat sprake is van een ambtelijk verzuim dat navordering verhindert. Het Hof heeft voor dat oordeel redengevend geacht zijn oordeel dat de aangifte van belanghebbende en de informatie die de Inspecteur bij het regelen van de aanslag ter beschikking stond hem hadden moeten nopen een nader onderzoek met betrekking tot de polis in te stellen en hij dit heeft nagelaten. Het Hof heeft aan laatstvermeld oordeel onder meer ten grondslag gelegd de vaststelling dat niet alleen de uitkering van € 104.179 in 2002, maar ook de uitkering van ƒ 300.000 in 2000 aan de belastingdienst is gerenseigneerd; tot die vaststelling is het Hof gekomen omdat de Inspecteur een stelling van belanghebbende omtrent renseignering van laatstbedoelde uitkering niet zou hebben weersproken.

3.3. Het tegen laatstvermelde vaststelling van het Hof gerichte middel slaagt. De stukken van het geding laten immers geen andere gevolgtrekking toe dan dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, de stelling van belanghebbende dat de uitkering van ƒ 300.000 in 2000 is gerenseigneerd aan de belastingdienst, wél is weersproken door de Inspecteur. Het voorgaande brengt mee dat 's Hofs oordeel dat de aangifte van belanghebbende en de informatie die de Inspecteur bij het regelen van de aanslag ter beschikking stond hem hadden moeten nopen een nader onderzoek met betrekking tot de polis in te stellen, niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2007.