Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA3309

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-04-2007
Datum publicatie
20-04-2007
Zaaknummer
41794
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Rioolrechten/afvalstoffenheffing, studentenhuis, verhuurder ook gebruiker?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 873 met annotatie van Van der Burg
FutD 2007-0788
Milieurecht Totaal 2007/5472
Belastingblad 2007/613
BNB 2007/229
V-N 2007/22.21

Uitspraak

Nr. 41.794

20 april 2007

NB

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 mei 2005, nr. 02/04467, betreffende na te melden aanslagen in de rioolrechten en de afvalstoffenheffing van de gemeente Maastricht.

1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2002 ter zake van het gebruik van de onroerende zaak a-straat 1 te Z op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de rioolrechten (gebruikersrecht) en de afvalstoffenheffing van de gemeente Maastricht opgelegd ten bedrage van in totaal € 177,36, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Teamcoach Heffing van de gemeente Maastricht zijn gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

(i)de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de rioolrechten (gebruikersrecht) heeft betrekking op het gehele eigendom, die in de afvalstoffenheffing op het gehele perceel, telkens als aangeduid op het aanslagbiljet;

(ii)het eigendom respectievelijk dat perceel is een studentenpand, waarin verscheidene studenten een kamer huren;

(iii) de eigenaar/verhuurder heeft de kelder van het pand gereserveerd voor de opslag van poetsmiddelen ten behoeve van de "poetsman", die de gemeenschappelijke voorzieningen (douche, toilet, keuken, gangen) schoonmaakt in opdracht van de verhuurder; de kelder is voor de huurders ontoegankelijk;

(iv)in de toepasselijke verordeningen is als belastingplichtige aangewezen degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht het eigendom gebruikt (rioolrechten/gebruikersrecht) onderscheidenlijk feitelijk gebruik maakt van het perceel (afvalstoffenheffing);

(v)voor het geval ingevolge de toepasselijke verordeningen meer personen belastingplichtig zijn voor de rioolrechten/gebruikersrecht, onderscheidenlijk de afvalstoffenheffing, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente de navolgende voorkeursvolgorde vastgesteld voor de aanwijzing van de belastingplichtige die de aanslag op zijn of haar naam krijgt:

(1)degene die ook als genothebbende krachtens eigendom (...) wordt aangemerkt;

(2)degene die het langst in het belastingobject (...) woont of dit object het langst gebruikt;

(...)

(vi)in het onderhavige jaar was belanghebbende degene die het langst in het belastingobject woonde.

3.2. Voor het Hof heeft belanghebbende betoogd dat ook de eigenaar van het pand aangemerkt moet worden als (feitelijk) (mede-)gebruiker ervan, en wel op grond van diens (hiervoor in 3.1-(iii) uitvoeriger omschreven) gebruik van de kelder; en dat de aanslagen dus ingevolge de hiervoor in 3.1-(v) geciteerde beleidsregel opgelegd hadden moeten worden aan de eigenaar.

3.3. Het Hof heeft dit betoog verworpen. Het heeft daartoe geoordeeld dat de (gestelde) omstandigheid dat de eigenaar de kelder in het pand voor zich heeft gehouden voor de opslag van onderhouds- en schoonmaakmiddelen onvoldoende is om hem aan te merken als de (feitelijke) gebruiker in de zin van de desbetreffende verordeningen. Tegen dit oordeel richt zich de eerste klacht.

3.4. De klacht faalt. Het Hof is kennelijk uitgegaan van de opvatting dat indien de eigenaar-verhuurder van een studentenhuis ten behoeve van de huurders zorgdraagt voor schoonmaakdiensten, en in verband daarmee een ruimte in dat huis reserveert voor de opslag van daartoe benodigde materialen (zoals poetsmiddelen), in de zin van de beide verordeningen geen sprake is van gebruik van dat huis door de eigenaar. Die opvatting is juist.

3.5. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende voor het Hof (kennelijk subsidiair) heeft gesteld dat hij er gelet op de gang van zaken in voorgaande jaren op mocht vertrouwen dat hij ook voor het onderhavige jaar niet in de onderwerpelijke heffingen zou worden betrokken. Uit het proces-verbaal van de zitting noch uit 's Hofs uitspraak blijkt dat belanghebbende die (subsidiaire) stelling ter zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. Het Hof heeft in zijn uitspraak die stelling evenwel onbesproken gelaten. Die uitspraak is mitsdien niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De daarop gerichte tweede klacht slaagt.

4. Proceskosten

Zowel in beroep als in cassatie heeft belanghebbende verzocht zijn wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit verzoek is niet voor inwilliging vatbaar, nu niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

gelast dat de gemeente Maastricht aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 103.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2007.