Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA3127

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
19-06-2007
Zaaknummer
01732/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA3127
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ontucht met een aan zijn gezag onderworpen of aan zijn waakzaamheid toevertrouwde persoon a.b.i. art. 249 Sr. CAG over “pupil” en de wetsgeschiedenis van art. 249 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 362
RvdW 2007, 661
JOL 2007, 444
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 juni 2007

Strafkamer

nr. 01732/06

KM/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 11 oktober 2005, nummer 21/004765-04, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Utrecht van 23 juni 2004 - de verdachte ter zake van 1. "ontucht plegen met een aan zijn gezag onderworpen minderjarige, meermalen gepleegd" en 2. "ontucht plegen met een aan zijn gezag onderworpen of aan zijn waakzaamheid toevertrouwd persoon, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. De cassatieakte bevat geen beperking van dit beroep. Namens de verdachte heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal verstaan dat het cassatieberoep onbeperkt is ingesteld, de kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde zal verbeteren en de bestreden uitspraak zal vernietigen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit en de strafoplegging en het beroep voor het overige zal verwerpen.

2.3. Het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal is niet binnen de bij de wet gestelde termijn binnengekomen.

3. Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1. Overeenkomstig de inleidende dagvaarding is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

1.

"hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 maart 2001 tot [geboortedatum] 2001 te Zeist, althans in Nederland, als ambtenaar [begeleider/coach bij de Rijksinrichting voor jongeren, de Lindenhorst] ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige pupil en/of de aan zijn gezag onderworpen minderjarige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1983, immers heeft hij, verdachte meermalen

- geslachtsgemeenschap met [slachtoffer] gehad en

- [slachtoffer] gebeft en

- [slachtoffer] gevingerd en

- zich door [slachtoffer] laten pijpen en

- zich door [slachtoffer] laten aftrekken."

en

2.

hij op tijdstippen in de periode van 01 maart 2001 tot 01 september 2001 te Zeist, als ambtenaar begeleider/coach bij de Rijksinrichting voor Jongeren, de Lindenhorst ontucht heeft gepleegd met een aan zijn gezag onderworpen of aan zijn waakzaamheid toevertrouwde persoon, te weten [slachtoffer], immers heeft hij, verdachte, meermalen

- geslachtsgemeenschap met [slachtoffer] gehad en

- [slachtoffer] gebeft en

- [slachtoffer] gevingerd en

- zich door [slachtoffer] laten pijpen en

- zich door [slachtoffer] laten aftrekken."

3.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als de verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik ben werkzaam als unit-directeur van de rijksinrichting voor jongeren te Zeist, De Lindenhorst. Een medewerker in onze instelling is [verdachte]."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als de verklaring van [slachtoffer]:

"Ik ben geboren op [geboortedatum] 1983 te Zeist. Ik kan u zeggen dat ik in De Lindenhorst, een gesloten instelling voor jeugdigen te Zeist, een relatie heb gehad met een begeleider genaamd: [verdachte]. Ik bedoel daarmee dat ik met [verdachte] sex heb gehad. Met sex bedoel ik het hebben van geslachtsgemeenschap met [verdachte] en het oraal bevredigen van elkaar. Met oraal bevredigen bedoel ik dat hij door mij gepijpt werd en dat ik door hem gebeft werd. Dat gebeurde voornamelijk tijdens de periode dat ik verlof had in De Lindenhorst. Daarmee bedoel ik één keer in de week ongeveer twee tot drie uur onder begeleiding met [verdachte] De Lindenhorst uit mocht. De eerste keer dat ik lichamelijk contact kreeg met [verdachte] was in maart/april 2001. Ik was toen met verlof. Ik heb [verdachte] gepijpt en ik deed "handwerk" bij [verdachte]. Daarmee bedoel ik aftrekken. Hij befte en vingerde mij ook. Ik heb meermalen gemeenschap en sex gehad met [verdachte]. Ongeveer in de maand augustus/september 2001 heb ik mijn verhouding met [verdachte] uitgemaakt."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als de verklaring van de verdachte:

"Ik ben op 4 december 2000 begonnen te werken in De Lindenhorst te Zeist op de meisjesafdeling.

Ik ben op groep paars de mentor geworden van [slachtoffer], ongeveer in februari 2001. [slachtoffer] was de eerste pupil waar ik mentor van werd. U vraagt mij waaruit de relatie met [slachtoffer] bestond. Ik kan u zeggen dat het een relatie is zoals normaal als twee mensen verliefd zijn. Dat is alles, dus ook sex. Ik bedoel met sex dat ik met haar gekust heb en geslachtsgemeenschap heb gehad. Ook heeft zij mij gepijpt en ik heb haar gebeft en gevingerd. Ik heb met [slachtoffer] bijna iedere keer als ik haar zag gemeenschap gehad. In Zeist heb ik ook in een parkeergarage in het centrum sex met [slachtoffer] gehad. Zij heeft mij in de auto gepijpt. Ik heb haar daarbij gekust. Ik heb haar meermalen gevingerd."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als de verklaring van [betrokkene 2]:

"[Slachtoffer] en [verdachte] gingen tijdens verlof uren naar de stad van Zeist met de auto van [verdachte]. Of zij gingen naar het bos in Zeist. [Slachtoffer] vertelde mij wat zij had gedaan met [verdachte] in zijn auto. Ik bedoel daarmee dat [slachtoffer] mij verteld had dat zij geneukt had met [verdachte]. [Slachtoffer] vertelde mij ook dat zij daarvoor [verdachte] gepijpt had en dat [verdachte] haar gebeft had. Dat was tijdens de verlof uren in de periode dat [slachtoffer] in De Lindenhorst zat. [Slachtoffer] vertelde mij dat zij in een parkeergarage te Zeist met [verdachte] geneukt heeft en in een bos in Zeist heeft zij ook geneukt met [verdachte]."

e. een verklaring van het Ministerie van Justitie, Dienst Justitiële Inrichtingen, Justitiële jeugdinrichting De Heuvelrug, locatie De Lindenhorst, afgegeven namens de locatiedirecteur van De Lindenhorst, voor zover inhoudende:

"Ondergetekende verklaart hierbij dat [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1983 te Zeist, van 03-03-2000 tot 23-04-2001 ter gesloten behandeling en van 23-04-2001 tot 17-01-2002 ter open behandeling in de Rijksinrichting onder haar directie is opgenomen geweest op verzoek van de kinderrechter te Amsterdam."

f. een verklaring van het Ministerie van Justitie, Dienst Justitiële Inrichtingen, Justitiële jeugdinrichting De Heuvelrug, locatie De Lindenhorst, afgegeven namens de locatiedirecteur van De Lindenhorst, voor zover inhoudende:

"Overzicht verlofmomenten [slachtoffer]:

31-01-2001 Begeleid verlof door [verdachte]

01-03-2001 Begeleid verlof door [verdachte]

23-03-2001 Begeleid verlof door [verdachte]

28-03-2001 Begeleid verlof door [verdachte]

04-04-2001 Begeleid verlof door [verdachte]."

3.3. Het Hof heeft voorts in het bestreden arrest het volgende overwogen:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betwist dat de seksuele handelingen die verdachte met [slachtoffer] heeft gepleegd als ontucht in de zin van de wet moeten worden aangemerkt. Het Hof verwerpt dit verweer. De seksuele handelingen zijn ontuchtig nu de verhouding tussen verdachte en [slachtoffer] een rechtens ongeoorloofde seksuele relatie betreft."

4. Beoordeling van het eerste en het derde middel

4.1. De middelen behelzen onder meer de klacht dat het Hof ten aanzien van de periode na 23 april 2001 ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat er sprake was van een aan het gezag van de verdachte onderworpen of aan zijn waakzaamheid toevertrouwde persoon. De middelen lenen zich in zoverre voor een gezamenlijke bespreking.

4.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard hetgeen hiervoor onder 3.1 is weergegeven.

4.3. Het in het onder 2 bewezenverklaarde besloten liggende oordeel van het Hof dat [slachtoffer] ook na 23 april 2001, toen zij ter open behandeling en kennelijk dus niet in de gesloten instelling "De Lindenhorst" opgenomen is geweest, nog aan het gezag van de verdachte onderworpen of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd, is niet zonder meer begrijpelijk. De middelen zijn in zoverre terecht voorgesteld.

5. Beoordeling van het vijfde en het zesde middel

Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De als middel 5 en middel 6 aangeduide klachten voldoen niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moeten blijven.

6. Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

7. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van feit 2 en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 19 juni 2007.