Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA2922

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
22-06-2007
Zaaknummer
C06/001HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA2922
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsgeschil over de vraag of een jaarlijks aan de werknemer van een bank uitgekeerde bonus moet worden betrokken bij de berekening van de vertrekpremie die ingevolge een Sociaal Plan aan hem toekomt en of hij over een bepaalde periode op die bonus aanspraak heeft (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 431
RvdW 2007, 612
JAR 2007, 214
NJB 2007, 1476
JWB 2007/228
JAR 2007/214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 juni 2007

Eerste Kamer

Nr. C06/001HR

MK/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie, incidenteel verweerder in cassatie,

advocaat: mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai,

t e g e n

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie, incidenteel eiseres tot cassatie,

advocaat: mr. S.F. Sagel.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en ING.

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiser] heeft bij exploot van 15 januari 2003 ING gedagvaard voor de kantonrechter te Amsterdam en een vordering ingesteld die na latere vermindering van eis inhield, kort samengevat, ING te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 360.817,14 ten titel van uitkering, zijnde het verschil tussen het door hem becijferde bedrag van € 730.225,14 en het door ING becijferde en uitgekeerde bedrag van € 369.408,--, alsmede van netto € 32.091,33 wegens het niet vergoeden van huisvestingskosten over de periode van 1 mei 2002 tot 1 januari 2003 en van € 34.848,18 wegens het niet toekennen van bonus over het jaar 2002, met rente en kosten.

ING heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft, na een tweetal tussenvonnissen van 11 maart 2003 en 23 september 2003, bij eindvonnis van 2 maart 2004 ING veroordeeld om aan [eiser] te voldoen de som van € 110.423,34 bruto vermeerderd met € 6.900,-- netto, vermeerderd met rente.

Tegen het tussenvonnis van 23 september 2003 en het eindvonnis heeft ING hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 15 september 2005 heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende ING veroordeeld om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.900,-- netto terzake bonus over 2002, vermeerderd met rente.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. ING heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt zowel in het principale als in het incidentele cassatieberoep tot verwerping.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 26 april 2007 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ING begroot op € 1.501,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt ING in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, A. Hammerstein en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 22 juni 2007.