Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA2799

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-04-2007
Datum publicatie
13-04-2007
Zaaknummer
596
Formele relaties
In cassatie op: ECLI:NL:CRVB:2005:AU7749, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Er is geen wettelijke bepaling die beroep in cassatie openstelt tegen een uitspraak van de CRvB inzake de afwijzing van een verzoek om schadevergoeding dat niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 juncto artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 713
FutD 2007-0715
AB 2007, 332
V-N 2007/19.10

Uitspraak

Nr. 596

13 april 2007

whk

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, Duitsland, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 december 2005, nr. 04/1149 AOW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank te Amsterdam van 4 februari 2004 betreffende de afwijzing van een door hem aan de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gedaan verzoek om schadevergoeding.

1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Ingevolge artikel 78 van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad enkel kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de administratieve rechter voor zover dit bij wet is bepaald. Er zijn geen wettelijke bepalingen die beroep in cassatie openstellen tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep inzake de toepasselijkheid van de Algemene wet bestuursrecht op een beslissing tot afwijzing van een verzoek om schadevergoeding. Het beroep in cassatie dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2007.