Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA2142

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-04-2007
Datum publicatie
06-04-2007
Zaaknummer
42535
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2005:AU3199, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ten onrechte proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 637 met annotatie van Hamer
FutD 2007-0668
BNB 2007/195
V-N 2007/18.5

Uitspraak

Nr. 42.535

6 april 2007

AS

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 juli 2005, nr. 03/4051 DK, betreffende na te melden aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) gerichte uitnodiging tot betaling van omzetbelasting.

1. Uitnodiging tot betaling, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbende is bij aanslagbiljet van 18 december 1998 uitgenodigd tot betaling van een bedrag van ƒ 4896 (€ 2221,71) aan omzetbelasting. Het tegen die uitnodiging door belanghebbende gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur afgewezen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden.

Het Hof, dat de behandeling van de bij het Gerechtshof te Leeuwarden aanhangig gemaakte zaak heeft overgenomen, heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur alsmede de uitnodiging tot betaling vernietigd, en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het Hof heeft termen aanwezig geacht om de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende. Het Hof heeft het bedrag van deze kosten vervolgens op grond van artikel 2, lid 1, van het Besluit proceskosten fiscale procedures overeenkomstig het in de Bijlage bij dat besluit opgenomen tarief, vastgesteld op 2 (beroepschrift en verschijnen ter zitting) x 1,5 (gewicht van de zaak) x € 322, in totaal € 966.

3.2. Onderdeel a van het middel strekt ten betoge dat deze veroordeling blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans berust op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, nu niet is gebleken van enige door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3.3. Het middel wordt in zoverre terecht voorgesteld. Toepassing van het in de bijlage bij het Besluit proceskosten fiscale procedures bepaalde omtrent de vergoeding van kosten ter zake van indiening van een beroepschrift en verschijning ter zitting op grond van artikel 2, lid 1, aanhef en letter a, van dat besluit kan, zoals blijkt uit de verwijzing in de evenbedoelde bepaling naar 'de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a', slechts betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbende heeft gesteld dat zij zulke kosten heeft gemaakt. Nu uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding evenmin blijkt dat belanghebbende zich in de procedure voor het Gerechtshof te Leeuwarden of het Hof van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft voorzien, heeft het Hof ten onrechte de bestreden veroordeling in zijn uitspraak opgenomen.

's Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voorzover de Inspecteur is veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2007.