Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA1823

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2007
Datum publicatie
30-03-2007
Zaaknummer
597
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 4, art. 5 en art. 18c CSV, art. 6, lid 1, letter y, CSV (oud). PC-privéregeling. Tegenover eigen bijdragen staat loon dat telkens wordt verrekend. Beperkt cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2007/180
V-N 2007/19.17 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0599
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 597

30 maart 2007

SE

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 november 2005, nr. 04/7225 ALGEM en 04/7274 ALGEM, betreffende na te melden besluiten van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: de Raad van bestuur).

1. Besluiten, bezwaar en geding voor de Rechtbank

Bij besluiten van 6 mei 2003 heeft de Raad van bestuur aan belanghebbende correctienota's voor ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten verschuldigde premies uitgereikt over de jaren 1998 tot en met 2002. Bij besluit van 2 mei 2003 zijn verzuimen geregistreerd over de jaren 1997 en 1998. Voorts zijn bij besluiten van 12 mei 2003 aan belanghebbende boetenota's over de jaren 1998 tot en met 2001 opgelegd.

De Raad van bestuur heeft de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen die beslissing heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank te Arnhem.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de Raad van bestuur opgedragen een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

2. Geding voor de Centrale Raad

Belanghebbende en de Raad van bestuur hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad.

De Centrale Raad heeft de aangevallen uitspraak vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.

3. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Raad van bestuur heeft een conclusie van dupliek ingediend.

4. Beoordeling van de klachten

4.1. Voor de Centrale Raad was in geschil of de Raad van bestuur terecht premies werknemersverzekeringen heeft nageheven in verband met het door belanghebbende innen van een eigen bijdrage voor verstrekte computerapparatuur door verlaging van het brutoloon.

4.2. De Centrale Raad heeft geoordeeld dat de Raad van bestuur voor het niet in aanmerking nemen van het desbetreffende loonbestanddeel als loon als voorwaarde mocht stellen dat de verlaging van het bruto-maandloon invloed op de hoogte van de bruto-vakantiegelduitkering dient te hebben.

4.3.1. De eerste klacht berust op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak. De Centrale Raad heeft niet geoordeeld dat op de vergoeding welke belanghebbende aan haar werknemers heeft verstrekt, artikel 6, lid 1, aanhef en letter y, (oud) van de CSV niet van toepassing is. Het gaat in de bestreden uitspraak om de eigen bijdragen van de werknemers. De klacht treft derhalve geen doel.

4.3.2. In de derde klacht wordt aangevoerd dat hetgeen in afwijking van belanghebbendes standpunt als loon is aangemerkt, niet kan worden geacht te zijn genoten, zodat het ten onrechte onder het loonbegrip van de Wet is gebracht. Deze klacht faalt eveneens. Uitgaande van het oordeel van de Centrale Raad dat de eigen bijdragen zullen worden verrekend door een verlaging van het overeengekomen bruto-maandloon - in welk oordeel besloten ligt dat de eigen bijdragen van de werknemers zullen worden voldaan door inhouding van de bijdragen op het aan de werknemers verschuldigde loon -, welk oordeel in cassatie niet kan worden getoetst, staat tegenover de eigen bijdragen loon in de zin van artikel 4 van de Wet, dat (telkens) door verrekening in de zin van artikel 5 van de Wet is genoten.

4.3.3. De overige klachten betreffen geen oordelen van de Centrale Raad met betrekking tot de uitlegging of toepassing van een wettelijke bepaling en kunnen derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 18c van de Wet, niet tot cassatie leiden.

5. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, C.B. Bavinck en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2007.