Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA1760

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
02817/06 A
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA1760
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Aanvang redelijke termijn. 2. Medeplegen voorhanden hebben van vuurwapen. Ad 1. HR herhaalt de regels uit HR LJN AA7309. Het oordeel van het hof dat de datum van de inverzekeringstelling niet als aanvang van de redelijke termijn moet worden aangemerkt geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. HR geeft om doelmatigheidsredenen zelf de strafkorting. Ad 2. Gelet op de bewezenverklaring van feit 1, 2 en 3) in samenhang met de bewijsmiddelen heeft het hof bij het onder 3 bewezenverklaarde feit kennelijk het oog gehad op het vuurwapen waarmee is geschoten. Nu het medeplegen van de doodslag (feit 1) en de poging tot doodslag (feit 2) uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, brengt dat onder de omstandigheden als in de bewijsmiddelen vervat mee dat uit die bewijsmiddelen tevens kan worden afgeleid dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander een vuurwapen voorhanden heeft gehad. Daaraan kan niet afdoen dat het hof in het midden heeft gelaten wie de schoten heeft gelost. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 393
NJ 2007, 342
RvdW 2007, 593
NJB 2007, 1411
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 juni 2007

Strafkamer

nr. 02817/06 A

ZK/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 9 mei 2006, nummer H-65/2006, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren op Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1983, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring op Curaçao.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao van 21 december 2005 - de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van doodslag", 2. "medeplegen van poging tot doodslag" en 3. "medeplegen van overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930" veroordeeld tot twaalf jaren gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.J.A.P. van Breukelen, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen voor zover het de beslissingen over feit 3 en de strafoplegging betreft en het beroep voor het overige zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat het Openbaar Ministerie wegens overschrijding van de redelijke termijn niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard, op onjuiste gronden heeft verworpen, nu het Hof de datum van dagvaarden ten onrechte als beginpunt van de redelijke termijn heeft aangemerkt.

3.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en verworpen:

"De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat de redelijke termijn waarbinnen de verdachte in eerste aanleg berecht had dienen te worden te lang is geweest, nu de vervolging van verdachte op 9 oktober 2003 is aangevangen en het vonnis in eerste aanleg op 21 december 2005 is gewezen, aldus de raadsman.

Voor de beoordeling van het verweer zijn de volgende feiten van belang:

- verdachte is op 9 oktober 2003 in verzekering gesteld en sindsdien gedetineerd.

- verdachte is op 29 juni 2005 voor de onderhavige feiten gedagvaard in eerste aanleg. Die datum moet - in tegenstelling tot hetgeen de raadsman betoogt - aangemerkt worden als de datum waarop de vervolging is aangevangen. Tussen die datum en de datum van de uitspraak in eerste aanleg, 21 december 2005, is een periode gelegen van bijna vijf maanden.

Uitgangspunt is dat de zaak in eerste aanleg binnen twee jaar na dagvaarding met een eindvonnis behoort te zijn afgerond, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die verlenging van de termijn rechtvaardigen. In casu is de zaak ruim binnen deze termijn afgedaan. De procedure is voldoende voortvarend afgewikkeld. Het verweer is derhalve ongegrond en wordt verworpen."

3.3. Wat betreft de aanvang van de redelijke termijn geldt het volgende. Op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn kan inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Een meer specifieke regel daaromtrent valt niet te geven. Anders dan wel wordt aangenomen, dwingt art. 6 EVRM niet tot de opvatting dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als zodanige handeling heeft te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt (vgl. HR 3 oktober 2000, LJN AA7309, NJ 2000, 721, rov. 3.12).

3.4. Gelet op het voorgaande geeft het oordeel van het Hof dat de datum van de inverzekeringstelling niet als aanvang van de redelijke termijn dient te worden aangemerkt, blijk van een onjuiste rechtopvatting. De verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer is dan ook ontoereikend gemotiveerd.

3.5. Overschrijding van de redelijke termijn leidt echter slechts in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, bijvoorbeeld wanneer in een eenvoudige zaak sprake is van een zeer ernstige overschrijding. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door strafvermindering (vgl. HR 3 oktober 2000, LJN AA7309, NJ 2000, 721, rov. 3.5). Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 9 oktober 2003 in verzekering is gesteld. Tussen de inverzekeringstelling en de datum van de uitspraak in eerste aanleg, te weten 21 december 2005, zijn meer dan 26 maanden verstreken. In aanmerking genomen dat de verdachte zich voor deze zaak in voorlopige hechtenis bevond en de zaak in zo'n geval binnen zestien maanden behoort te worden afgedaan, is de redelijke termijn met ruim tien maanden overschreden. Dit kan, gelet op de mate van overschrijding en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, zoals tot uitdrukking gebracht in de opgelegde straf, zoals hiervoor onder 1 vermeld, bezwaarlijk tot het oordeel leiden dat hier sprake is van een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld. Het Hof heeft het verweer, wat er zij van de gegeven motivering dan ook terecht verworpen.

De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen zelf de zaak afdoen en de door het Hof opgelegde straf verminderen.

4. Beoordeling van het vijfde middel

4.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat de bewezenverklaring van feit 3 ontoereikend is gemotiveerd nu uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte en de medeverdachte zo bewust en nauw hebben samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen.

4.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"1. hij op 9 februari 2003, op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, hebbende hij, verdachte, en zijn mededader, toen aldaar opzettelijk schoten met een vuurwapen in de richting van [slachtoffer 1] afgevuurd, waardoor [slachtoffer 1] een schotverwonding bekwam, tengevolge van welke schotverwonding [slachtoffer 1] is overleden.

2. hij op 9 februari 2003, op het eiland Curaçao, ter uitvoering van zijn voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk schoten met een vuurwapen in de richting van [slachtoffer 2] heeft afgevuurd, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte en zijn mededader, voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen ten gevolge van de van zijn, verdachtes, en zijn mededader wil onafhankelijke omstandigheid dat [slachtoffer 2] niet dodelijk werd geraakt.

3. hij op 9 februari 2003, op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander, voorhanden heeft gehad een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930."

4.3. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen, waarbij het Hof heeft aangegeven dat ieder

bewijsmiddel, ook in de onderdelen, telkens slechts wordt gebezigd voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten of van één van hen:

"Op 9 februari 2003 werd ik gedirigeerd naar de F.D. Rooseveltweg in verband met een schietpartij.

Ik trof een man aan die geen teken van leven meer gaf. Ik zag dat hij een inschot ter hoogte van zijn rechteroksel vertoonde. Verder zag ik een tweede slachtoffer dat een wond aan zijn rug vertoonde. Hij gaf mij op te zijn genaamd: [slachtoffer 2]. Het eerste slachtoffer bleek in leven te zijn genaamd [slachtoffer 1]. Het lijk van wijlen [slachtoffer 1] werd getoond aan [betrokkene 1 en 2]. Zij verklaarden dat het slachtoffer dat hen werd getoond het lichaam is van respectievelijk haar zoon en broer, in leven genaamd [slachtoffer 1]. Op 9 februari 2003 werd diens dood door dr. Blankenvoort geconstateerd."

2. Een sectieverslag van het Analytisch Diagnostisch Centrum N.V. op Curaçao, opgemaakt en ondertekend door de patholoog C.M.D. Coronel, betreffende een op 10 februari 2003 verrichte obductie van [slachtoffer 1], datum van overlijden 9 februari 2003, voor zover inhoudende als verklaring van genoemde deskundige:

"[Slachtoffer 1] was getroffen door een kogel links in de borst, waarbij onder meer de lichaamsslagader en de linker boezem van het hart waren geperforeerd en snel en groot inwendig bloedverlies was opgetreden. Het oplopen van deze schotverwonding heeft het intreden van de dood tot gevolg gehad."

3. Een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

"In de nachtelijke uren van 9 februari 2003 liep ik met [slachtoffer 1] op de F.D. Rooseveltweg in zuidelijke richting. Ik zag vanuit de tegenovergestelde richting een witte Mitsubishi Lancer aan komen rijden. Ik zag dat de bestuurder van deze auto keerde en in zuidelijke richting begon te rijden. De auto werd ter hoogte van ons tot stilstand gebracht. Twee mannen stapten uit de auto. Ik zag dat beide mannen een vuistvuurwapen in hun handen hielden. Ik begon wederom gevolgd door [slachtoffer 1] in zuidelijke richting te lopen toen ik een harde knal hoorde. Ik voelde dat ik door iets aan mijn rug was geraakt. Ik zag dat [slachtoffer 1] op zijn gezicht kwam te vallen. Ik zag dat hij een bloedplek vertoonde aan de rechterzijde van zijn borst. Ik zag dat hij geen teken van leven meer gaf. Later werd ik naar de Poli van het Sehos gebracht voor medische behandeling. Ik had een verwonding opgelopen achter mijn nek."

4. Een rapport van de Emergency afdeling van het Sehos betreffende [slachtoffer 2], d.d. 9 februari 2003, opgemaakt door dr. Suarez, voor zover inhoudende:

"Schotwond rug boven."

5. Een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:

"Op de Rooseveltweg zagen wij twee mij onbekende mannen. Zowel [verdachte] als de andere man stapte uit de auto. Zij spraken tot de twee jongens. Zij zeiden tegen hen om vandaar weg te gaan voordat zij hun dood zouden schieten. Bijna tegelijkertijd zag ik dat zowel [verdachte] als de andere man vuurwapens te voorschijn haalde en gericht op de twee jongens begonnen te schieten. Ik zag dat de jongen die verder was begon te rennen. Ik zag dat de andere op de grond viel."

6. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Op 8 februari 2003 zijn wij in de avonduren naar een jump-up geweest. Het klopt dat ik na afloop hiervan in de witte Mitsubishi van [medeverdachte 2] zat.

[Medeverdachte 1] zat ook in de auto. Op de Rooseveltweg kreeg [medeverdachte 2] ruzie met twee jongens die daar liepen. Hij drukte zijn vuurwapen tegen het gezicht van een van de jongens aan. Op dat moment stapte ik uit de auto. Ik word inderdaad "[verdachte]" genoemd."

4.4. Gelet op de bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 3 in samenhang met de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen heeft het Hof bij het onder 3 bewezenverklaarde feit kennelijk het oog gehad op het vuurwapen waarmee is geschoten. Nu het medeplegen van de doodslag (feit 1) en de poging tot doodslag (feit 2) uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, brengt dat onder de omstandigheden als in de bewijsmiddelen vervat mee dat uit die bewijsmiddelen tevens kan worden afgeleid dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander een vuurwapen voorhanden heeft gehad. Daaraan kan niet afdoen dat het Hof in het midden heeft gelaten wie de schoten heeft gelost.

4.5. Het middel faalt in zoverre.

5. Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze elf jaar en zes maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 5 juni 2007.