Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA1709

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
19-06-2007
Zaaknummer
01590/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA1709
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

359.3 Sv. Bekennende verdachte. Nu de verklaring van verdachte ttz van het Hof niet alle onderdelen betreft van het bewezenverklaarde – zij houdt immers niet in dat verdachte erkent dat hij onder zodanige invloed van cannabis heeft gereden dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat was – is ’s Hofs oordeel dat verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend i.d.z.v. art. 359.3 Sv onbegrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2007, 650
NJ 2007, 507 met annotatie van T.M. Schalken
JOL 2007, 447
NJB 2007, 1548
NBSTRAF 2007/258
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 juni 2007

Strafkamer

nr. 01590/06

KM/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 oktober 2005, nummer 22/005579-04, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Dordtse Poorten" te Dordrecht.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 28 september 2004 - de verdachte ter zake van 1. "overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994" en 2. "overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,-, subsidiair twintig dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijftien maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 359, derde lid, Sv en heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, nu de verdachte geen volledige bekentenis heeft afgelegd en de raadsman vrijspraak heeft bepleit.

3.2. Onder 2 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 1 januari 2004 te Rotterdam als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cannabis, waarvan hij redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht."

3.3. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Terzake feit 2:

3. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 30 september 2005.

4. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk, nr. 2004.01.06.054, d.d. 18 mei 2004, opgemaakt en ondertekend door de deskundige dr. K.J. Lusthof, apotheker-toxicoloog, inhoudende het bloedonderzoek van de verdachte."

3.4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 september 2005 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

"(...) Ik beken dat ik op 1 januari 2004 onder invloed van cannabis een motorrijtuig, zijnde een auto, heb bestuurd. Ik had op 1 januari 2004 eerder op de avond cannabis gerookt. Ik gebruik al lang cannabis. (...) Nu gaat het goed met mij. Dit waren de laatste strafbare feiten (...)."

De advocaat-generaal voert hierna het woord en draagt de schriftelijke vordering voor. De advocaat-generaal vordert vernietiging van het vonnis waarvan beroep en vrijspraak van de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde feit (...).

(...) De raadsman voert het woord tot verdediging.

De advocaat-generaal en de raadsman krijgen de gelegenheid tot respectievelijk repliek en dupliek.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken."

3.5. Art. 359, derde lid, Sv, dat ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing is, luidt als volgt:

"De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit."

3.6. Voor zover het middel ervan uitgaat dat ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman vrijspraak is bepleit, mist het feitelijke grondslag, nu dat niet uit het proces-verbaal van die terechtzitting kan blijken.

3.7. In het licht van de wetsgeschiedenis moet art. 359, derde lid, Sv aldus worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de - zich hier niet voordoende - aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. Nu de verklaring van de verdachte, zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven niet alle onderdelen betreft van het bewezenverklaarde - zij houdt immers niet in dat de verdachte erkent dat hij onder zodanige invloed van cannabis heeft gereden dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat was - is 's Hofs oordeel dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van art. 359, derde lid, Sv, onbegrijpelijk.

3.8. Het middel klaagt daarover terecht.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2

tenlastegelegde, de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 19 juni 2007.