Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA1640

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
01195/06 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA1640
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Met juistheid wordt in het middel aangevoerd dat het bewijs van een kasstorting van tweeduizend gulden niet met zoveel woorden in de gebezigde bewijsmiddelen wordt genoemd. Evenmin wordt in het arrest aangegeven aan welk wettig bewijsmiddel het hof die kasstorting heeft ontleend. Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden. In aanmerking genomen de door betrokkene m.b.t. de in acht te nemen kasstortingen in de door hem genoemde periode als kenbron gehanteerde stukken en gelet op het feit dat het hof die kenbron, het Financieel Rapport, in de bewijsvoering heeft betrokken, is met voldoende mate van nauwkeurigheid aanwijsbaar dat het hof de bijlage bij dat rapport als bewijsmiddel voor ogen heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 380
RvdW 2007, 570
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 mei 2007

Strafkamer

nr. 01195/06 P

LR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 januari 2006, nummer 23/001268-03, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Amsterdam van 10 oktober 2002 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 77.191,07.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat de bestreden uitspraak niet de inhoud bevat van het bewijsmiddel waaruit moet blijken van een kasstorting van ƒ 2.000,- welke het Hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft betrokken.

4.2.1. Het verkort arrest houdt onder het hoofd "Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel" ad 7, in antwoord op een verweer dat bij de in de schatting te betrekken kasopnames de kasstortingen in mindering dienen te worden gebracht, in:

"Uit de schematische weergave onder punt 9 in het hiervoor genoemde financieel rapport blijkt dat met betrekking tot de kasstortingen wordt uitgegaan van de periode 20 november 1998 tot en met 30 december 1999.

Nu de inkomsten worden berekend over de periode 1 januari 1998 tot en met 31 maart 2000 acht het hof het juister ten aanzien van de kasopnames en de kasstortingen van dezelfde periode uit te gaan. Dit betekent dat bij de kasstortingen van in totaal fl 114.198,93 nog dient te worden opgeteld de kasstorting van 9 januari 1998 ad fl. 2000,-- (samen fl. 116.198,93) en dat bij de kasopnames van in totaal fl. 94.500,-- ook de opnames van 15 januari, 21 januari en 17 februari 1998 ad fl. 1000,--, fl. 400,-- resp. fl. 300,-- dienen te worden gevoegd (samen fl. 96.200,--).

De verdediging heeft aangevoerd dat het goed kan zijn dat met de contant opgenomen gelden sieraden zijn betaald, geld is opgeborgen in de kluis of geld thuis is bewaard.

De advocaat-generaal heeft zich ten dele aangesloten bij dit verweer, waarbij zij ervan is uitgegaan dat een deel van de kasopnames is gebruikt voor gewoon levensonderhoud en/of andere bestemmingen heeft gekregen dan de door de verdediging veronderstelde bestemmingen. Zij acht het redelijk om het bedrag dat daarvoor is gebruikt te schatten op de helft van de kasopnames.

Het hof kan zich met het standpunt van de advocaat-generaal verenigen, nu ook hier weer geldt dat de veroordeelde zijn verweer op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt en/of met stukken heeft onderbouwd.

Het voorgaande komt neer op de volgende berekening:

fl. 116.198,93 - 1/2 van fl. 96.200,-- = fl. 116.198,93 - fl. 48.100,-- = fl. 68.098,93."

4.2.2. De aanvulling op het verkort arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als bewijsmiddelen in:

"2.

Het Financieel Rapport proces-verbaal nummer 2000030247 inzake [betrokkene] en [betrokkene 2] d.d. 7 december 2000, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], financieel rechercheur bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, Bureau Ondersteuning.

Dit rapport houdt onder meer in, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisante:

(blz. 9)

9. Schematische weergave

verdachte [betrokkene]

Bron Inkomsten Vermogensbestanddelen Bedrag

Huiszoeking

29-02-2000 Fl. 22.078,55

Huiszoeking

29-02-2000 1700 DM

(koers F1. 1,12) Fl. 1.904,--

Huiszoeking

29-02-2000 Buitenlandse valuta

(niet omgerekend)

Zoeking kluis

ABN-AMRO

31 maart 2000 Aangetroffen sieraden

(taxatie nieuwwaarde) Fl. 142.130,--

Zoeking kluis

ABN-AMRO

31 maart 2000 Geldbedrag Fl. 114.350,--

Contante kasstortingen

20-11-1998 t/m

30-12-1999

ABN-AMRO Fl. 114.000,--

Wisseltransactie

07-12-1998 Fl. 45.296,--

Inkomsten uit

Onderneming

1998 –1999 Fl. 55.000,-- p. j.

Totaal

Fl. 110.000,-- Fl. 439.758,55

(blz 12)

11.1. Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [betrokkene]

De berekening, welke heeft geleid tot het geschatte wederrechtelijk voordeel, is gebaseerd op het vastgestelde legale inkomen over de jaren 1998 - 1999 en de aangetroffen en inbeslaggenomen vermogensbestanddelen, waarvoor overwegend geen legale financiering kon worden vastgesteld.

Derhalve wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde [betrokkene], op grond van soortelijke feiten, middels een lid 3 berekening (artikel 36e, lid 2 en 3, van het Wetboek van Strafrecht) geschat op tenminste:

fl. 329.758,55 = (fl. 439.758,55 - fl. 110.000,-- =)."

4.3. Uit het hiervoor onder 4.2.1 weergegevene volgt dat het Hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel een kasstorting van ƒ 2.000,- heeft betrokken, welke door de betrokkene op 9 januari 1998 werd gedaan. Met juistheid wordt in het middel aangevoerd dat het bewijs van die kasstorting niet met zoveel woorden in de, hiervoor onder 4.2.2 weergegeven, gebezigde bewijsmiddelen wordt genoemd. Evenmin houdt 's Hofs in het verkort arrest gegeven overweging in aan welk wettig bewijsmiddel het de kasstorting van ƒ 2.000,- heeft ontleend. Dat behoeft op de volgende gronden echter niet tot cassatie te leiden.

4.4. De door de raadsman op 29 juni 2005 aan het Hof gezonden "conclusie van antwoord" houdt onder meer in:

"Beginvermogen

In het Financieel Rapport wordt nergens expliciet aangegeven over welke periode het financiële onderzoek heeft gelopen. Gevolg daarvan is dat nergens in het Rapport wordt ingegaan op de vraag over welk vermogen [betrokkene] beschikte aan het begin van de onderzoeksperiode.

Op grond van de stukken gaat de verdediging er van uit dat 1 januari 1998 als aanvangsdatum voor de onderzoeksperiode is genomen.

(...)

Bankopnamen

Uit de bankafschriften met rekeningnummer [0001] ten name van [betrokkene] blijkt dat in de periode vanaf 1 januari 1998 t/m 30 december 1999 diverse stortingen zijn gedaan tot een totaalbedrag van fl. 114.000. Deze stortingen zijn volgens het Financieel Rapport van [betrokkene] afkomstig.

Het Financieel Rapport gaat er echter geheel aan voorbij dat van deze stortingen door [betrokkene] in totaal fl. 96.200 weer per kas is opgenomen. Om dubbeltellingen te voorkomen dient dit bedrag in mindering te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel van [betrokkene]. Met dit bedrag kunnen namelijk de volgende posten worden verklaard:

- (een gedeelte van) het bedrag dat is uitgegeven aan sieraden;

- (een gedeelte van) het bedrag dat is opgeborgen in de kluis;

- (een gedeelte van) het bedrag dat thuis is bewaard en in beslag genomen."

4.5. Daarmee heeft de betrokkene zich op het standpunt gesteld dat, om dubbeltellingen te voorkomen, bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel de kasopnames in mindering behoren te worden gebracht op de kasstortingen die hij in de periode van 1 januari 1998 tot en met 30 december 1999 heeft gedaan. Ter concretisering van die stortingen heeft hij zich beroepen op de bankafschriften die deel uit maken van het Financieel Rapport, waarmee hij kennelijk doelt op het zich bij de stukken bevindende Financieel Rapport van 7 december 2000 van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland dat in het kader van het S.F.O. is opgemaakt.

4.6. Gedeelten uit voornoemd Financieel Rapport heeft het Hof in de aanvulling op het verkort arrest onder 2 als bewijsmiddel gebezigd (hiervoor genoemd onder 4.2.2). Aan dat rapport is een bankafschrift gehecht (p. 000022) dat, voor zover hier van belang, inhoudt:

"ABN AMRO BANK NV (...) [Betrokkene] (...)

[0002] 16.01.98

PRIVEREKENING LIMIET 0

REKENINGAFSCHRIFT

(...)

OMSCHRIJVING VALUTA CREDIT/+

(…) (...) (...)

433 UW KASSTORTING BIJ KANTOOR

9.01 2.000

DAM 2

AMSTERDAM"

4.7. In aanmerking genomen de door de betrokkene met betrekking tot de in acht te nemen kasstortingen in de door hem genoemde periode als kenbron gehanteerde stukken en gelet op het feit dat het Hof die kenbron, het Financieel Rapport, in de bewijsvoering heeft betrokken, is met voldoende mate van nauwkeurigheid aanwijsbaar dat het Hof de zojuist weergegeven bijlage bij dat rapport als bewijsmiddel voor ogen heeft gehad bij zijn beslissing een kasstorting ten bedrage van ƒ 2000,- te betrekken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene.

4.8. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 29 mei 2007.