Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA1631

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
00935/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA1631
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Heling van turntoestellen. 2. Verwerping verweer in bewijsmiddelen besloten. Ad 1. Zonder nadere motivering kan uit de inhoud van de bewijsmiddelen niet volgen dat, de daar bedoelde evenwichtsbalk, springplank, twee afsprongmatjes en drie schroefgordels dezelfde voorwerpen zijn waarover de dief heeft verklaard en waarvoor de verdachte als heler verantwoordelijk wordt gehouden. Ad 2. Voor zover het een evenwichtsbalk, een trampoline, een valmat en een andere springplank betreft, ligt in de uitspraak van het hof voldoende besloten dat het hof het standpunt van de verdediging daaromtrent kennelijk niet aannemelijk heeft geacht (HR LJN AU9130).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 382
RvdW 2007, 569
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 mei 2007

Strafkamer

nr. 00935/06

DV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 juli 2005, nummer 23/005839-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Alkmaar van 15 december 2004, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van "schuldheling, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden. Voorts heeft het Hof de teruggave gelast van inbeslaggenomen voorwerpen zoals in het arrest vermeld en de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen over de onder 1, 4, 5 en 10 tenlastegelegde feiten en de straftoemeting betreft, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan. De conclusie van de Advocaat-Generaal is aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het eerste en het vijfde middel

3.1. Het eerste en het vijfde middel klagen dat het onder 1 en 10 bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. De middelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 25 juli 2003 tot en met 27 april 2004 in de gemeente Alkmaar en/of te Tuitjenhorn, gemeente Harenkarspel, een evenwichtsbalk en een startmotor voorhanden heeft gehad en een pegasus voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof."

en onder 10 dat:

"hij in de periode van 4 juli 2003 tot en met 17 maart 2004 in de gemeente Alkmaar een springplank en twee afsprongmatjes en drie schroefgordels voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof."

3.3. De pleitaantekeningen, die blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 juli 2005 aldaar door de raadsman zijn voorgedragen, bevinden zich bij de stukken. Namens de verdachte is uitvoerig en tot in detail verweer gevoerd. Uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen - een en ander zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.1 en 7.1 - kan, mede in aanmerking genomen het namens de verdachte gevoerde verweer, zonder nadere motivering niet volgen dat de onder 1 bedoelde evenwichtsbalk en de onder 10 bedoelde springplank, twee afsprongmatjes en drie schroefgordels dezelfde voorwerpen zijn als de voorwerpen waarvan de in de bewijsmiddelen genoemde [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij die heeft gestolen en waarvan is bewezenverklaard dat de verdachte zich ten aanzien daarvan heeft schuldig gemaakt aan schuldheling.

3.4. De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De middelen slagen.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. Het middel klaagt dat het Hof wat betreft het onder 4 bewezenverklaarde heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot afwijking van een ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk namens de verdachte onderbouwd standpunt over de bewijsmotivering.

5.2. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 9 januari 2003 tot en met 17 maart 2004 in de gemeente Alkmaar een evenwichtsbalk en een springplank voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof."

5.3. Namens de verdachte is blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 juli 2005 gehechte pleitnota aldaar onder meer aangevoerd:

"43. Voorts heeft [medeverdachte 1] op 17 maart 2004 uiteengezet wat er met de gestolen turntoestellen zou zijn gebeurd. De balk en de springplank zouden volgens hem nooit zijn verkocht. (...)

44. Blijkens het proces-verbaal van inbeslagname heeft de politie naar aanleiding van het door [medeverdachte 1] gemaakte overzicht (ook) de evenwichtsbalk en de springplank uit de turnzaal van cliënt meegenomen. Deze zijn vervolgens aan de vermeende eigenaar, [benadeelde partij 1], in bewaring gegeven (zie dossierpagina H24).

45. Cliënt heeft verklaard over de bij hem in de zaal aanwezige turntoestellen. Zo heeft hij uw hof onder meer laten weten dat sinds de opening van diens turnzaal in 1995 er reeds vijf balken en vier springplanken in de zaal stonden opgesteld. Hieronder behoren volgens cliënt ook de balk en de springplank waarvan [medeverdachte 1] beweert dat deze gestolen zijn uit de sporthal te Purmerend.

46. Ook getuige [getuige 1] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris op 23 september 2004 verklaard dat er tussen het jaar 1996 en 2000 vijf balken in de turnzaal van cliënt aanwezig waren. Cliënt betwist uitdrukkelijk dat betreffende balk en springplank aan [benadeelde partij 1] in eigendom zouden toebehoren. Bovendien merkt hij op dat het feitelijk ook niet mogelijk is deze balk en/of springplank onderscheidend te herkennen nu van deze toestellen volstrekt geen specifieke onderscheidende kenmerken bekend zijn."

en

"51. Nu met betrekking tot de diefstal in voldoende mate is komen vast te staan dat de verklaringen van [medeverdachte 1] - op zijn zachtst gezegd - rammelen en deze bovendien geen steun vinden in het overig dossiermateriaal, verzoek ik uw hof cliënt ook van het onder 4. primair ten laste gelegde feit vrij te spreken. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde opzet- dan wel schuldheling dient evenzeer vrijspraak te volgen."

5.4. Uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen - een en ander zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.1 - valt af te leiden dat de bewezenverklaarde voorwerpen, waarvan de eerdergenoemde [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij die begin 2003 heeft gestolen, op 17 maart 2004 in de [c-straat 1] te Alkmaar zijn aangetroffen, alwaar volgens de vaststellingen van het Hof (bewijsmiddel 2) de turnschool van de verdachte is gevestigd. Gelet daarop heeft het Hof het standpunt van de verdachte dat die voorwerpen niet de gestolen voorwerpen betreffen kennelijk niet aannemelijk geacht. Aldus bevat de uitspraak voldoende gegevens waarin de nadere motivering ligt besloten aangaande het niet aanvaarden door het Hof van het onder 5.3 weergegeven standpunt (vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, rov. 3.8.2. (i)).

5.5. Het middel faalt.

6. Beoordeling van het vierde middel

6.1. Het middel klaagt dat het Hof wat betreft het onder 5 bewezenverklaarde heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot afwijking van een ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk namens de verdachte onderbouwd standpunt over de bewijsmotivering.

6.2. Ten laste van de verdachte is onder 5 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode 16 mei 2003 tot en met 17 mei 2003 in de gemeente Alkmaar, in elk geval in Nederland, een trampoline en een valmat voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof."

6.3. Namens de verdachte is blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 juli 2005 gehechte pleitnota aldaar onder meer aangevoerd:

"101. Uit het onderzoek met betrekking tot de valmat is naar voren gekomen dat deze op 17 mei 2003 door voornoemde fysiotherapeut voor een bedrag ad € 290,- werd aangeschaft en dat cliënt degene is geweest die de bijbehorende kwitantie heeft uitgeschreven (zie dossierpagina 0238).

102. Met betrekking tot de verkochte trampoline aan een Belgische vereniging blijkt uit het dossier niet dat hiernaar een onderzoek is ingesteld. De trampoline is verder niet aangetroffen. Wel wordt in onderhavig zaaksdossier melding gemaakt van een storting op de girorekening van [A] op 7 mei 2003 van € 2200,- door [B] uit [plaats A] (België). Zie dossierpagina's A16 en 0 41.

103. Cliënt ontkent. Hij is uitvoerig ingegaan op de genoemde onderzoeksresultaten. Cliënt heeft hieromtrent verklaard dat het inderdaad klopt dat hij met [medeverdachte 1] op 17 mei 2003 naar België is gegaan om daar aan genoemde fysiotherapeut de desbetreffende valmat af te leveren. Cliënt betwist echter de verklaring van [medeverdachte 1] dat deze valmat afkomstig zou zijn geweest uit de [C-]school. Naar het oordeel van cliënt ging het hier juist om een valmat die aan [A] toebehoorde en waarover [medeverdachte 1] volgens cliënt reeds meerdere malen per e-mail contact met de fysiotherapeut over heeft gehad (zie dossierpagina's 0189 en 0190).

104. Cliënt ontkent dan ook niet dat hij degene is geweest die de kwitantie heeft uitgeschreven en het geld van de fysiotherapeut in ontvangst heeft genomen."

6.4. Uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen - een en ander zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.1 - valt af te leiden dat de eerdergenoemde [medeverdachte 1] samen met de verdachte de bewezenverklaarde voorwerpen, waarvan die [medeverdachte 1] heeft verklaard die in Zoetermeer te hebben gestolen, heeft afgeleverd in Gent (België), alsmede dat de verdachte het geld voor de mat in ontvangst heeft genomen en een kwitantie heeft uitgeschreven voor de betaling van de trampoline. In de gebezigde bewijsmiddelen ligt aldus de verwerping van het standpunt van de verdachte besloten dat het hier niet om gestolen voorwerpen gaat.

Voorts is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd ten aanzien van het bestanddeel dat de verdachte de bedoelde voorwerpen "in Alkmaar, in elk geval in Nederland" voorhanden heeft gehad, aangezien die voorwerpen mede door hem vanuit Nederland naar België zijn vervoerd.

6.5. Het middel faalt.

7. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 en 10 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 29 mei 2007.