Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA1620

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
04-09-2007
Zaaknummer
00121/06 A
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA1620
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Fotoconfrontatie op de Antillen. De beweerdelijk suggestieve gang van zaken bij de fotoconfrontaties is door de verdediging niet alleen gegrond op de – door het Hof verworpen – stelling dat bij de tweede fotoconfrontatie de foto’s van anderen dan verdachte gelijk waren aan die van de eerste fotoset. Daarnaast is aangevoerd dat de politie na de eerste fotoconfrontatie de getuige heeft benaderd met de mededeling dat hij niet de juiste persoon had aangewezen, waarna bij de tweede fotoconfrontatie de nummering van de foto van verdachte dezelfde was als van de foto die de getuige bij de eerste confrontatie had aangewezen. Daarop is het Hof niet ingegaan. In dit opzicht lijdt de bestreden uitspraak dus aan een motiveringsgebrek. CAG: anders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 358
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2007, 356
NBSTRAF 2007/356
NJ 2007, 471
JOL 2007, 535
RvdW 2007, 750
NJB 2007, 1860

Uitspraak

4 september 2007

Strafkamer

nr. 00121/06 A

ZK/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 13 juni 2006, nummer H-184/05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren [te geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring op Curaçao.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep bevestigd een vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 24 juni 2005, waarbij de verdachte ter zake van "moord" is veroordeeld tot zestien jaren gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer zoals in het vonnis omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. J.J.A.P. van Breukelen en mr. A.M. Seebregts, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. De Hoge Raad verstaat het middel aldus, dat het klaagt dat het Hof een gevoerd verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

4.2.1. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2006 gehechte pleit-nota heeft de raadsman van de verdachte, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende verweer gevoerd.

"FOTOCONFRONTATIE

(...)

Uit de bij de rechter-commissaris op 19 september 2002 afgelegde verklaring blijkt dat aan de getuige [getuige 1] een fotoset werd getoond. [Verdachte] was in het geheel niet in die fotoset opgenomen.

De getuige dacht dat het om foto nummer 5 ging, maar hij was het er niet 100% zeker van want hij geeft verder aan dat toen foto's hem de eerste keer zijn getoond, hij de persoon op foto 5 niet meteen heeft herkend. Hij had toen later met de politie gebeld om te zeggen dat het volgens hem foto nummer 5 is. De getuige had geschat dat hij het 60 % zeker was. In zijn anonieme verklaring van 18 oktober 2002 heeft de getuige wel [verdachte] als de beweerdelijke schutter herkend.

Maar volgens de verdediging is het meer dan duidelijk dat die confrontatie moet worden geacht weinig bewijskracht te hebben. Twee keer eerder, bij de politie en bij de rechtercommissaris, is de getuige geconfronteerd met een set foto's waarop de vermoedelijke dader op nummer 5 stond aangegeven. De ene keer was de foto van [verdachte] er niet bij. De andere keer wel.

Ter zitting bij het Hof heeft de getuige [getuige 1] verklaard op pag. 2, 5de zin: De politie zei mij enige tijd later dat ik niet de juiste persoon had aangewezen en dat ze een nieuwe fotoconfrontatie zouden organiseren.

Hier dient men even bij stil te staan, want de taak van de Politie in deze situatie is om aan de getuige een fotoset te tonen opdat de getuige uit vrije wil, en naar geweten de persoon kan aanwijzen die de vermoedelijke dader zou zijn.

Indien de getuige in de aan hem getoonde fotoset iemand aanwijst die niet de vermoedelijke dader is welke de Politie in gedachten had, dan dient alles daarbij op te houden met betrekking tot herkenning door die bepaalde getuige.

Hij heeft een persoon herkend uit de fotoset.

Het kan nooit zo zijn dat de Politie achteraf deze getuige benadert en hem mededeelt dat hij niet de juiste persoon heeft aangewezen, en daarna een nieuwe fotoconfrontatie organiseert, waarbij de persoon die de getuige eerst had aangewezen wordt verwisseld door een andere persoon terwijl de fotonummer ongewijzigd blijft. Bovendien blijven de andere foto's in de fotoset hetzelfde.

Deze handelingen zijn als te suggestief aan te merken, aangezien de getuige in zekere zin wordt gedirigeerd om die bepaalde foto welke de Politie wenst, aan te wijzen.

In ieder geval wanneer een getuige twee verschillende personen aanwijst dan blijft er altijd een redelijke twijfel bestaan, waardoor niet met zekerheid kan worden vastgesteld of men de juiste persoon heeft.

Bijkomende feiten en omstandigheden zou dan steunend enige opheldering teweeg kunnen brengen.

De getuige heeft voorts terzitting verklaard dat toen hij [verdachte] in Bon Futuro voor het eerst heeft gezien, hij er niet zeker ervan was dat [verdachte] de dader betrof.

Nu verklaarde de getuige dat de voorhoofd van [verdachte] niet op de dader leek aangezien het haardos van [verdachte] verder van zijn voorhoofd naar zijn achterhoofd ter hoogte van zijn middenhoofd begon dan die van de dader. De dader had meer haren aan de voorhoofd. Dit is een onmiskenbare teken dat het een ander persoon betreft die het onderhavig strafbaar feit heeft begaan.

Bovendien heeft de getuige [getuige 1] op de vraag van de verdediging waarbij zijn verklaring bij de Politie aan hem werd voorgehouden bij de passage waar hij verklaarde dat de schutter een wat lichte huidskleur had, of de huidskleur waar hij naar refereerde klopte met de huidskleur van [verdachte], geantwoord dat [verdachte]'s huidskleur donkerder is.

In ieder geval met betrekking tot de signalementen kan worden vastgesteld dat [verdachte] niet de dader was, althans dat er voldoende redelijke twijfel bestaat dat [verdachte] de dader kon zijn geweest."

4.2.2. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Aanvullende bewijsoverweging

Door de verdediging is gesteld dat de verklaringen van de getuige [getuige 1] onvoldoende bewijskracht hebben, onder meer omdat deze aanvankelijk heeft verklaard dat de schutter een man van lichte huidskleur was, terwijl hij ter zitting heeft verklaard dat de zich in de zaal bevindende verdachte naar zijn mening niet van lichte huidskleur was. Het Hof overweegt dienaangaande het volgende. De getuige heeft ter zitting verklaard zich niet meer te kunnen herinneren dat hij aanvankelijk verklaard heeft dat de schutter van lichte huidskleur zou zijn. In de eerste verklaring die de getuige anoniem bij de

politie heeft afgelegd op 19 september 2004 valt inderdaad te lezen dat de schutter een lichte huidskleur had. De getuige heeft echter tijdens dit verhoor bij een fotoconfrontatie een man van donkere huidskleur (te weten de broer van verdachte) aangewezen als iemand die veel lijkt op de schutter. Ook bij een tweede fotoconfrontatie waarbij de fotoset, anders dan de raadsman heeft gesteld, bestond uit andere foto's dan de fotoset die bij de eerdere fotoconfrontatie werd gebruikt, heeft de getuige een man van donkere huidskleur aangewezen, te weten verdachte. Het Hof acht de verklaring van de getuige [getuige 1] daarom wel geloofwaardig."

4.3. In die aanvullende bewijsoverweging heeft het Hof het hiervoor onder 4.2.1 weergegeven verweer verworpen.

Gelet op hetgeen in het verband van dat verweer is aangevoerd, is die verwerping echter ontoereikend gemotiveerd.

De beweerdelijk suggestieve gang van zaken bij de fotoconfrontaties is immers door de verdediging niet alleen gegrond op de - door het Hof verworpen - stelling dat bij de tweede fotoconfrontatie de foto's van anderen dan de verdachte gelijk waren aan die van de eerste fotoset. Daarnaast is aangevoerd dat de politie na de eerste fotoconfrontatie de getuige heeft benaderd met de mededeling dat hij niet de juiste persoon had aangewezen, waarna bij de tweede fotoconfrontatie de nummering van de foto van de verdachte dezelfde was als van de foto die de getuige bij de eerste confrontatie had aangewezen. Daarop is het Hof niet ingegaan. In dit opzicht lijdt de bestreden uitspraak dus aan een motiveringsgebrek.

4.4. Het middel is terecht voorgesteld

5. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het derde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

verwijst de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel, J.W. Ilsink, J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 4 september 2007.