Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA1414

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-06-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
C05/339HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA1414
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht. Schadevordering van gasleverancier tegen aannemer bij wie de kraan op zijn schip tijdens baggerwerk een gasleiding heeft geraakt en beschadigd. Bevrijdende verjaring, samenloop van regeling voor onrechtmatige daad (art. 3:310 BW) en aanvaring (art. 8:1793 BW); aanvaring in de zin van art. 8:1002 BW?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 621 met annotatie van K.F. Haak
JOL 2007, 414
RAV 2007, 25
RvdW 2007, 581
S&S 2007, 95
NJB 2007, 1400
JWB 2007/216
JA 2007/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 juni 2007

Eerste Kamer

Nr. C05/339HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel,

t e g e n

ESSENT NETWERKEN B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: Essent - heeft bij exploot van 22 oktober 2002 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de rechtbank te Zwolle en gevorderd [eiseres] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 83.223,29, te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten.

[Eiseres] heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 17 maart 2004 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft Essent hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Bij tussenarrest van 9 augustus 2005 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van [eiseres] zoals bedoeld in zijn rov. 4.8 en iedere verdere beslissing aangehouden. Bij beslissing van 8 november 2005 heeft het hof aan [eiseres] verlof verleend om tegen voornoemd tussenarrest beroep in cassatie in te stellen.

Het tussenarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het tussenarrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. Essent heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt in het principaal beroep tot vernietiging van het bestreden arrest en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad in voege als in de conclusie is aangegeven onder 21, en in het incidenteel beroep tot verwerping.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) In het najaar van 1999 heeft [eiseres], als onderaannemer van hoofdaannemer Ballast Nedam, baggerwerkzaamheden verricht in de IJssel in Kampen nabij de IJsselbrug aldaar. De werkzaamheden werden uitgevoerd in opdracht van de gemeente Kampen in verband met de bouw van de nieuwe stadsbrug over de IJssel. De werkzaamheden werden verricht met behulp van het motorkraanschip "[A]", waarvan [eiseres] eigenaar is.

(ii) Op 9 november 1999 is rond het middaguur door de kraan aan boord van de "[A]" de ter plaatse in de IJsselbodem liggende gasleiding van Essent geraakt en beschadigd. De schade is op verzoek van de betrokken

verzekeraars begroot, en wel op ƒ 180.000,- (€ 81.680,44), welk bedrag door partijen als zodanig is aanvaard.

3.2 Essent heeft haar hiervoor onder 1 vermelde vordering gebaseerd op de stelling dat [eiseres] jegens haar een onrechtmatige daad heeft gepleegd. [Eiseres] heeft zich primair beroepen op verjaring ingevolge art. 8:1793 BW. De rechtbank heeft dit verweer gegrond geoordeeld en de vordering van Essent daarom afgewezen. Het hof heeft anders over dit verweer geoordeeld. Het overwoog:

"4.4 Essent heeft zowel in eerste aanleg (inleidende dagvaarding onder 5, conclusie van repliek onder 8 en 9) als in appèl (memorie van grieven onder 6) haar vordering expliciet gebaseerd op onrechtmatig handelen van [eiseres]. Essent heeft daartoe aangevoerd dat [eiseres] met het haar verweten handelen primair een inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van Essent, subsidiair dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld. Gelet op die grondslag van de vordering ligt, aangenomen dat het handelen van [eiseres] (eveneens) heeft te gelden als een aanvaring in de zin van artikel 8:1002 BW, (allereerst) de vraag voor of Essent de schade die zij als gevolg van het handelen van [eiseres] heeft geleden, uitsluitend op grond van de aanvaringsbepalingen op [eiseres] kan verhalen.

4.5 Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Uitgangspunt is dat van exclusieve werking van een wettelijke regeling slechts sprake kan zijn indien de wet zulks voorschrijft of onvermijdelijk meebrengt (zie HR 15 november 2002, NJ 2003, 48). In de parlementaire geschiedenis is de vraag of de bijzondere regeling inzake de aanvaring van een zeeschip de mogelijkheid om op grond van artikel 6:162 BW te ageren, onder ogen gezien en bevestigend beantwoord (Parlementaire Geschiedenis Boek 8, p. 571 en 572). De parlementaire geschiedenis ten aanzien van de bijzondere regeling inzake de aanvaring van een binnenschip verwijst (Parlementaire Geschiedenis Boek 8, p. 956) naar voornoemde wetsgeschiedenis omtrent de aanvaring van een zeeschip zodat daarvoor, zo oordeelt het hof, hetzelfde geldt. Het hof is van oordeel dat de verruiming van het toepassingsgebied van afdeling 1, titel 11 van Boek 8 BW vanwege het bepaalde in artikel 8:1002 BW niet tot gevolg heeft dat dit in een geval als het onderhavige betekent dat aansprakelijkheid alleen op dit artikel kan worden gebaseerd. Nu Essent zich voor de aansprakelijkheid van [eiseres] voor haar schade baseert op de wettelijke regeling van artikel 6:162 BW, kan [eiseres] zich niet met vrucht beroepen op de aan de wettelijke regeling van de aanvaring verbonden verjaring. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte het verjaringsberoep (ingevolge artikel 8:1793 BW) van [eiseres] aanvaard."

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1 Het middel in het principale beroep gaat ervan uit dat het hof heeft vastgesteld dat Essent haar vordering heeft gebaseerd op onrechtmatige daad, maar van oordeel is dat het handelen van [eiseres] ook valt te kwalificeren als aanvaring. Het betoogt dat de rechtsgronden voor het door Essent gestelde vorderingsrecht niet naast elkaar, dus cumulatief, van toepassing zijn, zoals het hof heeft geoordeeld, maar dat uitsluitend de verjaringstermijn van art. 8:1793 BW (inzake aanvaring) van toepassing is omdat deze anders zinledig zou zijn.

4.2 Uitgangspunt bij samenloop van meer op zichzelf toepasselijke rechtsgronden voor een door eiser gesteld vorderingsrecht is dat deze cumulatief van toepassing zijn, met dien verstande dat, indien die rechtsgronden tot verschillende rechtsgevolgen leiden welke niet tegelijkertijd kunnen intreden, eiser daaruit naar eigen inzicht een keuze mag maken. Dit uitgangspunt lijdt slechts uitzondering indien de wet dat voorschrijft of onvermijdelijk meebrengt (vgl. HR 15 november 2002, nr. C01/082, NJ 2003, 48).

De wet bevat geen voorschrift over hetgeen te gelden heeft bij samenloop van onrechtmatige daad en aanvaring. De omstandigheid dat voor een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad een langere verjaringstermijn geldt (art. 3:310) dan voor een vordering tot schadevergoeding uit aanvaring (art. 8:1793), brengt echter onvermijdelijk mee dat eiser de kortere verjaringstermijn van art. 8:1793, die strekt ter bescherming van de aansprakelijk gestelde persoon, niet kan ontgaan door zijn vordering te baseren op onrechtmatige daad, zodat de wettelijke regeling inzake aanvaring in zoverre exclusief van toepassing is.

Een andere opvatting zou immers leiden tot onaanvaardbare doorkruising van laatstbedoelde, korte, verjaringstermijn omdat die dan in de praktijk als ongeschreven kon worden beschouwd. Anders dan het hof heeft geoordeeld doet daaraan niet af dat in de wetsgeschiedenis van art. 8:1003, door een verwijzing naar de wetsgeschiedenis van art. 8:542 (Parl. Gesch. Boek 8, blz. 956 in verbinding met blz. 571), wordt opgemerkt dat niet is te concluderen dat in geval van aanvaring uitsluitend de artikelen van de desbetreffende afdeling van toepassing zijn en dat de regelingen van het Burgerlijk Wetboek hun invloed niet zullen verliezen. Deze algemeen luidende opmerking is immers te weinig specifiek om op grond daarvan te kunnen aannemen dat de bijzondere verjaringsbepaling van art. 8:1793, die overeenstemt met art. 7 van het Geneefs Verdrag aanvaring binnenvaart (Verdrag van 15 maart 1960, Trb. 1966, 192), in de praktijk als ongeschreven kan worden beschouwd.

4.3 Het middel is dus terecht voorgesteld.

5. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep

5.1 Aangezien het middel in het principale beroep doel treft, is de voorwaarde vervuld waaronder het incidentele beroep is ingesteld.

5.2 Het middel is gericht tegen hetgeen het hof in rov. 4.4 (slotzin) van zijn arrest heeft overwogen voor het geval het hof daarin een beslissing heeft gegeven omtrent de vraag of het handelen van [eiseres] mede heeft te gelden als een aanvaring in de zin van art. 8:1002. Het middel betoogt, kort samengevat, dat geen sprake is geweest van een aanvaring in de zin van genoemde wettelijke bepaling omdat de schade is toegebracht door een kraan, geplaatst op een schip, en van enige manoeuvre van het schip en/of van een nautische fout geen sprake was. Volgens het middel geldt dit temeer, primair, omdat niet relevant is of de kraan een bestanddeel was van het schip en, subsidiair, aangezien de kraan niet duurzaam met het schip was verbonden.

5.3 In het midden kan blijven of het hof inderdaad een beslissing heeft gegeven in de door het middel bedoelde zin en niet slechts veronderstellenderwijs mede tot uitgangspunt heeft gekozen dat in deze zaak van een aanvaring in de zin van de geciteerde wetsbepaling sprake is, want het middel faalt. Als aanvaring in de zin van art. 8:1002 heeft te gelden het veroorzaken van schade door een oorzaak aan boord van een binnenschip. Daarvoor is niet nodig dat die oorzaak kan worden herleid tot een nautische fout. In het thans geldende boek 8 BW is immers in zoverre het onderscheid tussen navigatie- en andere ongevallen komen te vervallen, hetgeen door de wetgever uitdrukkelijk is beoogd (Parl. Gesch. Boek 8 blz. 956 in verbinding met blz. 570). Daarbij is ook niet van belang of de kraan aan boord van de "[A]" waardoor de ter plaatse in de IJsselbodem liggende gasleiding van Essent werd geraakt en beschadigd, een bestanddeel was van dat schip, en ook niet of die kraan daarmee duurzaam was verbonden.

6. Slotsom

Aangezien het oordeel van de rechtbank dat de in art. 8:1793 geregelde verjaring door [eiseres] niet is gestuit en dat het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseres] zich op verjaring beroept, in hoger beroep niet is bestreden, dient het vonnis van de rechtbank te worden bekrachtigd, met vernietiging van het bestreden arrest van het hof.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 9 augustus 2005;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Zwolle van 17 maart 2004;

veroordeelt Essent in de kosten van de procedure in hoger beroep en in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot:

- in hoger beroep op € 7.388,--;

- in cassatie op € 2.648,11 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Essent in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 15 juni 2007.