Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA1263

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-03-2007
Datum publicatie
23-03-2007
Zaaknummer
42123
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 9, lid 3, AWR. Niet tijdig doen van aangifte. Bewijslastverdeling ter zake van de ontvangst van de aanmaning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2007/178
Belastingadvies 2007/10.2
V-N 2007/16.9 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0551
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 42.123

23 maart 2007

RS

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 maart 2005, nr. 03/04714, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en na te melden boetebeschikking.

1. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van € 17.416, alsmede een boete van € 226 wegens niet-tijdige aangifte. De aanslag en boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van € 17.132 en de boete verminderd tot een bedrag van € 113. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. 's Hofs oordelen omtrent de op de arbeidsinkomsten drukkende aftrekbare kosten geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn voor het overige feitelijk en niet onbegrijpelijk, zodat de daartegen gerichte klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

3.2. Met betrekking tot de boete heeft het Hof geoordeeld dat sprake is van een verzuim in de zin van artikel 67a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), en daartoe onder meer overwogen dat belanghebbende ter zitting voor het Hof heeft verklaard dat hij de aangifte niet tijdig heeft gedaan. In die overweging ligt het oordeel besloten dat het voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende de in artikel 67a AWR geregelde verzuimboete heeft belopen niet relevant is of belanghebbende een aanmaning heeft bereikt, aangezien het Hof de door belanghebbende zowel in zijn motivering van het beroepschrift voor het Hof als ter zitting voor het Hof ingenomen stelling dat hij geen aanmaning heeft ontvangen onbehandeld heeft gelaten. Dat oordeel getuigt echter van een onjuiste rechtsopvatting. Voor oplegging van de verzuimboete van artikel 67a AWR is geen plaats indien de aanmaning niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, en de aanmaning de belastingplichtige ook anderszins niet heeft bereikt. Dit is slechts anders indien zulks het gevolg is van aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheden (vgl. HR 15 december 2006, 41882, V-N 2006/65.5). Het Hof had de stelling van belanghebbende dan ook niet onbehandeld mogen laten.

Derhalve slaagt de hierop gerichte klacht. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor nader onderzoek van evenbedoelde stelling van belanghebbende (op de voet van eerdergenoemd arrest).

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, doch enkel voor wat betreft de beslissing omtrent de boetebeschikking,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 103.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen en C. Schaap, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2007.