Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA1113

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
07-12-2007
Zaaknummer
43036
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA1113
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2005:AV1339, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 8a, lid 1, letter c en art. 36a, lid 1, letter m, Wet IB '64: Handel in drugs; veroordeling wegens transport van drugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2008/12
BNB 2008/33
V-N 2008/3.11 met annotatie van Redactie
FutD 2007-2294 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 43.036

7 december 2007

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 29 december 2005, nr. 05/00350, betreffende een aan X (verblijfplaats onbekend; hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking, alsmede betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. Aan belanghebbende is voor dat jaar tevens een aanslag in de premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd. De aanslagen en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de uitspraak met betrekking tot de aanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, het beroep gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de uitspraken met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de boetebeschikking, die uitspraken vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van € 1.621.726 en de boete verminderd tot een bedrag van € 226.890. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 28 februari 2007 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is bij onherroepelijke uitspraak van een Nederlandse strafrechter veroordeeld wegens het medeplegen van (poging tot) opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, lid 1, onder A, van de Opiumwet, het als oprichter of bestuurder deelnemen aan een criminele organisatie en het opzettelijk voorhanden hebben van een vervalst geschrift. Belanghebbende is tevens veroordeeld tot terugbetaling van een ten onrechte genoten wederrechtelijk voordeel tot een bedrag van ƒ 2.598.481, waarbij de Rechtbank te Leeuwarden is uitgegaan van (voordeel uit) transport van verdovende middelen en niet van handel daarin. In het belastbare inkomen van belanghebbende heeft de Inspecteur een bedrag van ƒ 6.880.339 begrepen als "totale veronderstelde netto opbrengst" van hasjtransporten, voor de berekening waarvan hij is uitgegaan van 7000 kg à ƒ 3750 aan "opbrengst gelukte transporten", verminderd met "kosten schepen gelukte transporten", "verloren gegane hasj mislukte transporten" en "kosten schepen mislukte transporten".

3.2. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden -geoordeeld dat het bij twee gelukte hasjtransporten mogelijk gerealiseerde voordeel door de Inspecteur niet in redelijkheid is bepaald, omdat hij, gelet op inkoop- en verkoopprijzen die liggen tussen respectievelijk ƒ 500 en ƒ 1660 per kg inkoop en ƒ 3500 en ƒ 5000 per kg verkoop, nu omtrent de kwaliteit van de verdovende middelen niets is komen vast te staan, bij het bepalen van het voordeel ten hoogste had mogen uitgaan van een marge van ƒ 3170 per kg. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur het voordeel derhalve ƒ 4.060.000 te hoog vastgesteld.

3.3. Het middel strekt ten betoge dat het Hof bij dit laatste oordeel ten onrechte artikel 8a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), dan wel artikel 36, lid 1, aanhef en letter m, van de Wet buiten toepassing heeft gelaten, doordat het Hof kosten die verband houden met misdrijven ter zake waarvan belanghebbende bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld in aftrek toegelaten heeft.

3.4. Blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van het Hof van 6 oktober 2005 heeft de Inspecteur gesteld dat bij de berekening van het door belanghebbende genoten voordeel rekening is gehouden met een aanzienlijk bedrag aan kosten, dat deze kosten zien op de handel in drugs en dat zij niet aftrekbaar zijn op grond van artikel 8a, lid 1, letter c, van de Wet. Nu belanghebbende - anders dan waarvan de Inspecteur kennelijk is uitgegaan - bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak niet is veroordeeld wegens handel in verdovende middelen, doch wegens - kort gezegd en voor zover thans van belang - transport daarvan naar Nederland, en het Hof - in cassatie onbestreden - heeft overwogen dat omtrent de werkelijke kosten die voor rekening van belanghebbende als transporteur zijn gebleven niets is gesteld, laat staan gebleken, had het Hof niet op grond van artikel 8a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet dan wel artikel 36, lid 1, aanhef en letter m, van de Wet de zojuist bedoeld kosten buiten aanmerking kunnen laten. Dit brengt mee dat het middel niet tot cassatie kan leiden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.J. van Amersfoort als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2007.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 428.