Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA0903

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-04-2007
Datum publicatie
20-04-2007
Zaaknummer
R06/139HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA0903
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

WSNP, afgewezen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, F.; wettelijke (facultatieve) afwijzingsgronden, beoordelingsmaatstaf.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288, geldigheid: 2007-04-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 274
NJ 2007, 242
RvdW 2007, 415
NJB 2007, 1007
Module Rechtsbijstand en schuldhulpverlening 2007/203
JWB 2007/144

Uitspraak

20 april 2007

Eerste Kamer

Rek.nr. R06/139HR

RM/MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 10 april 2006 ter griffie van de rechtbank te Amsterdam ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - zich gewend tot die rechtbank en verzocht ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

De rechtbank heeft bij vonnis van 27 juli 2006 het verzoek afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Na mondelinge behandeling heeft het hof bij arrest van 6 oktober 2006 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 [Verzoeker] heeft schulden tot een totaal van € 300.848,35, waaronder schulden aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB), de Belastingdienst, het UWV en de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds. Hij heeft toepassing van de schuldsaneringsregeling verzocht. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.

3.2 Het hof heeft de grieven van [verzoeker], die erop neerkwamen dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel was gekomen dat hij niet aan zijn informatieplicht had voldaan, verworpen en het vonnis bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof dat [verzoeker] ook in hoger beroep met betrekking tot de schuld aan de stichting Bedrijfstakpensioenfonds onvoldoende informatie had verschaft. Voorts overwoog het hof dat [verzoeker] bij het ontstaan van de schulden aan het CJIB niet te goeder trouw is geweest, hetgeen op grond van art. 288 lid 2, onder b, F. aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat. Geen van beide gronden kan die beslissing echter dragen.

3.3 Voorzover het hof zijn beslissing heeft gebaseerd op de grond dat [verzoeker] onvoldoende informatie heeft verschaft met betrekking tot de schuld aan de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds, heeft het een grond voor afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling gebezigd die niet behoort tot de daarvoor limitatief in art. 288 F. genoemde gronden. Onderdeel 4.3 (abusievelijk genummerd als 4.2) klaagt daarover terecht.

3.4 Het oordeel dat de omstandigheid dat [verzoeker] bij het ontstaan van de schulden aan het CJIB niet te goeder trouw is geweest, op grond van art. 288 lid 2, onder b, F. "aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat", getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan het hof kennelijk van oordeel was, staat immers de omstandigheid dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan van schulden niet te goeder trouw is geweest, niet reeds op zichzelf genomen aan die toelating in de weg. Het betreft hier een facultatieve afwijzingsgrond, zodat het hof diende te beoordelen of die omstandigheid, bezien in het licht van alle overige omstandigheden van het geval, waaronder het ontstaan en het beloop van de overige schulden, een grond kon opleveren om het verzoek van [verzoeker] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af te wijzen.

Mocht evenwel het hof van de juiste rechtsopvatting zijn uitgegaan, dan is zijn oordeel dat op deze grond het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling diende te worden afgewezen, zonder nadere motivering onbegrijpelijk, nu de schuld aan het CJIB (€ 1.454,89) als geheel al een zeer klein deel van de totale schuldenlast betreft en het hof bovendien slechts ten aanzien van een deel daarvan, te weten een vijftal zeer recente boetes, van oordeel was dat [verzoeker] niet te goeder trouw is geweest.

De op een en ander gerichte klachten van onderdeel 4.2 slagen.

3.5 De overige klachten behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 6 oktober 2006;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, J.C. van Oven, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 april 2007.