Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA0875

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
12-11-2008
Zaaknummer
03279/06 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA0875
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Uitlevering aan Moldavië. Verweer dat de opgeëiste persoon is gefolterd in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering is gevraagd. HR: Anders dan wel wordt afgeleid uit HR 20 mei 2003, LJN AF3308, NJ 2004, 41 dient, indien komt vast te staan dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd, de verzochte uitlevering door de rechter zonder meer ontoelaatbaar te worden verklaard.

Wetsverwijzingen
Uitleveringswet
Uitleveringswet 8
Uitleveringswet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2007/290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 juni 2007

Strafkamer

nr. 03279/06 U

ZK/JH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Amsterdam van 21 september 2006, nummer 06/2877, op een verzoek van de Republiek Moldavië tot uitlevering van:

[De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Lelystad" te Lelystad.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten, te weten alle in de als de bijlage aan de bestreden uitspraak gehechte "Ordonnance" genoemde feiten.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. M.A.C. van Overmeire-de Vilder, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In het middel wordt onder meer geklaagd dat de Rechtbank het verweer dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens de omstandigheid dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd, en wegens de gerede kans dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering zal worden gefolterd, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

3.2. Het desbetreffende verweer is door de Rechtbank als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het verzoek om uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard omdat de opgeëiste persoon in Moldavië onderworpen is geweest aan martelingen. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon ook verklaard en gedemonstreerd in Moldavië tijdens verhoren naar aanleiding van hem verweten strafbare gedragingen te zijn mishandeld. De raadsvrouw stelt dat dit in strijd is met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM en verzoekt de uitlevering daarom ontoelaatbaar te verklaren, dan wel de behandeling aan te houden teneinde de Minister van Justitie te verzoeken de mensenrechtensituatie in Moldavië nader te laten onderzoeken. Voorts zal de opgeëiste persoon na diens uitlevering voorwerp worden van een met artikel 3 dan wel artikel 6 van het EVRM strijdige behandeling. Getracht is om contact met de toenmalige raadsman van de opgeëiste persoon te verkrijgen dat is echter niet gelukt.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Bij de beoordeling van het verweer dient uitgangspunt te zijn dat blijkens het bepaalde in de artikelen 8 en 10 UW het systeem van de Uitleveringswet meebrengt dat omtrent de vraag, of de gevraagde uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten, het oordeel is voorbehouden aan de Minister van Justitie.

Blijkens de parlementaire geschiedenis van het wetsontwerp dat tot de Uitleveringswet heeft geleid liggen hieraan de volgende gedachten ten grondslag:

'dat de regering de beschikking heeft over informaties omtrent de politieke situatie en de strafrechtspleging in andere landen, die voor de rechter ontoegankelijk zijn. Indien de regering zou worden gebonden aan het oordeel van de rechter, zou zij niet verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de te nemen beslissing. Een eventuele interventie van de Nederlandse regering in geval tegen de verwachting in toch discriminatoire vervolging plaatsvindt, zou daardoor aan kracht inboeten'

(Memorie van Antwoord, Kamerstukken II, 1965-1966, 8054, nr. 10, blz. 5).

Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat de uitleveringsrechter de mogelijkheid ontbeert om van de verzoekende staat waarborgen te bedingen opdat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet het slachtoffer zal worden van inbreuken op zijn fundamentele rechten. Een en ander laat onverlet dat de uitleveringsrechter de Minister van Justitie kan adviseren omtrent de vraag of de uitlevering ook daadwerkelijk zou moeten worden toegestaan.

Slechts indien komt vast te staan dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 van het EVRM toekomend recht, dan wel hij in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat reeds is gefolterd en er sprake is van een "real risk" dat hij na uitlevering opnieuw aan een dergelijke behandeling zal worden blootgesteld, is de verzochte uitlevering niet voor inwilliging vatbaar en dient deze door de rechter ontoelaatbaar te worden verklaard.

In dat kader dient te worden beoordeeld of aannemelijk is geworden dat de opgeëiste persoon in verband met de aan hem verweten gedragingen een behandeling als in voorgaande zin heeft ondergaan. Weliswaar is door de raadsvrouw gesteld dat er sprake is geweest van een dergelijke behandeling maar op geen enkele wijze anders dan door die stelling en de in algemene zin door de opgeëiste persoon beschreven omstandigheden is zulks aannemelijk geworden. Uit de stukken blijkt niet van enige behandeling in vorenbedoelde zin, noch is (bijvoorbeeld) door middel van informatie uit de kring van personen rond de opgeëiste persoon dan wel raadslieden die hem (kennelijk) hebben bijgestaan dan wel anderszins dergelijke informatie beschikbaar gekomen. Er zijn geen data, noch plaatsen noch personen of functionarissen genoemd die daarbij betrokken zouden zijn. De stelling van de raadsvrouw dat het buitengewoon moeizaam zo niet onmogelijk is dergelijke informatie te verkrijgen en de toenmalig raadsman niet kon worden bereikt maakt niet - los van de omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat daadwerkelijk activiteiten zijn ondernomen om die informatie te vergaren - dat de enkele stelling voldoende is de uitlevering (reeds) daarom ontoelaatbaar te achten.

De rechtbank is van oordeel dat de stellingen van de opgeëiste persoon ten deze onvoldoende zijn geconcretiseerd om te kunnen worden getoetst op haar aannemelijkheid, zodat zich niet de uitzondering voordoet op de regel dat een verweer als hier door of namens de opgeëiste persoon naar voren gebracht zou moeten worden afgeweken van de hoofdregel dat het oordeel ten deze is voorbehouden aan de Minister van Justitie. De rechtbank zal de Minister in haar advies wijzen op het door de opgeëiste persoon gevoerde verweer ten deze en hem vragen met de hem ter beschikking staande middelen te onderzoeken of hetgeen door de opgeëiste persoon naar voren is gebracht in de weg dient te staan aan een daadwerkelijke uitlevering."

3.3. Anders dan wel wordt afgeleid uit HR 20 mei 2003, NJ 2004, 41 dient, indien komt vast te staan dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd, de verzochte uitlevering door de rechter zonder meer ontoelaatbaar te worden verklaard (vgl. HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 533, HR 17 december 1996, NJ 1997, 534 en HR 21 maart 2000, NJ 2000, 540).

3.4. De Rechtbank heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

3.5. De Rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de beantwoording van de vraag of er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering gevaar loopt in de verzoekende staat aan foltering te zullen worden onderworpen, is voorbehouden aan de Minister van Justitie. Dat oordeel is juist.

3.6. Het middel is derhalve in zoverre tevergeefs voorgesteld.

3.7. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema,A.J.A. van Dorst, J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 26 juni 2007.