Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA0502

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
21-05-2007
Zaaknummer
01379/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA0502
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Oogmerk tot het plegen van misdrijven en deelneming ex art. 140 Sr. HR herhaalt dat het bij het in art. 140 Sr omschreven misdrijf gaat om een organisatie die het oogmerk heeft tot het plegen van meerdere misdrijven en dat dat oogmerk, waartoe ook het naaste doel van organisatie moet worden gerekend, niet nader omschreven hoeft te zijn in de tenlastelegging, maar uit de bewijsmiddelen zal moeten blijken (HR NJ 1988, 425; HR NJ 1978, 314; HR, NJ 1993, 100). Voor bewijs van dit oogmerk zal o.m. betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Vzv. het middel berust op de opvatting dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd omdat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte “in meerdere misdrijven heeft geparticipeerd” of omdat uit de bewijsmiddelen slechts zou volgen dat verdachte “enkel betrokken is bij en opzet heeft op het laatste gedeelte” van het uit die bewijsmiddelen blijkende transport van een partij cocaïne, faalt het. Het gaat immers erom of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het meermalen telkens afleveren en vervoeren van cocaïne. Daarom is, anders dan het middel lijkt te betogen, ook niet van belang dat verdachte is vrijgesproken van betrokkenheid bij het als poging tot invoer in NL tenlastegelegde transport van de bedoelde partij cocaïne. Met de vaststelling dat sprake was van het meermalen vervoeren, afleveren en in- en uitklaren van de goederen en dat elke volgende schakel en etappe nieuwe wilsbesluiten en activiteiten vergde om de verdovende middelen naar een volgende plaats van bestemming te (doen) brengen, zodat de uitvoering van het transport i.c. een omvangrijke en complexe aangelegenheid was, heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de op vervoer, aflevering en in- en uitvoer van cocaïne gerichte besluitvorming en activiteiten van de verschillende deelnemers in de diverse landen binnen de organisatie onderling nauw op elkaar waren afgestemd en naar hun aard een planmatig karakter droegen. ’s Hofs oordeel dat daaruit moet worden afgeleid dat sprake is van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven i.d.z.v. art. 140.1 Sr, is onjuist noch onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 559 met annotatie van P. Mevis
JOL 2007, 350
RvdW 2007, 535
NJB 2007, 1254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 mei 2007

Strafkamer

nr. 01379/06

DV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 januari 2006, nummer 23/001283-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Scheveningen" te 's-Gravenhage.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 6 april 2001, voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding in zaak A onder 3 en in zaak B tenlastegelegde en hem voorts ter zake van zaak A onder 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" en zaak A onder 4. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen in samenhang met de nadere bewijsmotivering niet kan blijken dat de betrokken organisatie tot oogmerk had het plegen van (meer) misdrijven als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is in de zaak A onder 1, overeenkomstig de tenlastelegging, bewezenverklaard dat hij:

"in de periode van 1 augustus 1998 tot en met 14 februari 2000 in Nederland en in het buitenland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten o.a. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het meermalen telkens afleveren en vervoeren van een handelshoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne."

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op een verslag van Luitenant [verbalisant 1], hoofd van de internationale narcoticabrigade van het regionaal kernteam fiscale inlichtingen en opsporingsdienst van Catanzaro (Italië), samengevat luidende, voor zover van belang (in Nederlandse vertaling):

"Vooropgesteld wordt dat op 20.07.1999 de Centrale Dienst Drugsbestrijding bovengenoemde Leiding, via de Algemene Leiding van de Financiële Politie Afdeling II, heeft medegedeeld dat op het motorschip [A] dat op 24 (het hof begrijpt: 08).07.99 uit de haven van Freeport (Bahamas) was vertrokken en op 24.07.1999 in de haven van Gioia Tauro (RC) zou aankomen, de container: SEAU 560345-9 was ingescheept, waarvan men vermoedde dat daarin een aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen verborgen was.

Genoemde container die, volgens hetgeen in het vrachtdocument is weergegeven, 96 dozen met bevroren vruchtvlees van mango's en 60 dozen bevroren vruchtvlees van papaya's zou moeten vervoeren, was vanuit Santo Tomas de Castilla (Guatemala) aan boord van het motorschip [B] naar Freeport verzonden, waar de container op het motorschip [A] was overgebracht. Bij aankomst in Gioia Tauro, zou de container opnieuw aan boord van het motorschip [C] worden overgebracht naar Saloniki (Griekenland) en van daaruit zou de container vervolgens over land in Skopje (Macedonië), de uiteindelijke plaats van bestemming, aankomen.

De container bleek te zijn verzonden door het import-export bedrijf [D], gevestigd te [plaats A], Guatemala City (Guatemala), [a-straat] en bestemd voor het bedrijf [E], gevestigd te [plaats B] (Macedonië), [b-straat].

De 156 dozen waren op 27.05.1999 met een andere container vanuit Buenaventura (Colombia) aan boord van het motorschip [F] naar Panama verzonden; vanuit Panama is de container overgebracht aan boord van het motorschip [G], dat op 13.06.1995 in Santo Tomes (Guatemala) was aangekomen. Vervolgens was de container naar Guatemala City vervoerd en op 25.06.1999 aan de cliënt afgeleverd, leeggehaald en de goederen, opnieuw ingepakt, waren in de container opgestapeld, welke vervolgens in de haven van Gioia Tauro (Italië) was aangekomen.

De oorspronkelijke expediteur was [H], gevestigd te [plaats C] (Colombia), [c-straat], terwijl de geadresseerde in Guatemala [J], gevestigd te [plaats D] (Guatemala), [d-straat] was.

Bij de doorzoeking waarmee op zondag 25 juli een aanvang werd gemaakt, in samenwerking met de douaneambtenaren van de Compagnia di Gioia Tauro en met de functionarissen van de Douanedienst Fraudebestrijding, werden in de container 154 blauwe plastic fusten aangetroffen, die elk een capaciteit van 180 liter hadden, gesloten en verzegeld, waarvan 30 werden weggehaald om als monster te dienen en te worden gecontroleerd.

1203 "broodjes" met een totaal gewicht van 1443,600 kg., verborgen in 24 fusten, konden worden ontdekt. Elk "broodje" was aan de buitenkant gewikkeld in een omhulsel, bestaande uit verpakkingstape, nylon kous en rubber bekleding, die een stof bevatte die, bij snel onderzoek van de narco-test, uitgevoerd op een monster dat van één van de bovengenoemde "broodjes" werd genomen, cocaïne bleek te zijn.

Bovengenoemde "broodjes" werden op 28.07.1999 met uitzondering van 2 "broodjes" in beslag genomen.

Nadat vervolgens de twee "broodjes", waarvan de inbeslagneming was uitgesteld, in de twee fusten in bovengenoemde container waren verborgen, ging men over tot het laden van het eerste schip dat uit de haven van Gioia Tauro zou vertrekken naar Saloniki (Griekenland)

De container met de cover lading, bestaande uit bevroren vruchtvlees en 2,4 kilo cocaïne werd derhalve ingeladen op het motorschip [K] dat zou vertrekken naar de haven van Saloniki, alwaar het aankwam in de ochtend van 07.08.1999 en bleef liggen in de binnenhaven die "free-zone" wordt genoemd.

In de loop van de middag deelde de Majoor van de Financiële Politie, [verbalisant 4], verbindingsambtenaar in Saloniki en expert drugsbestrijding, werkzaam bij de Centrale Dienst Drugsbestrijding, die als de taak had te zorgen voor de noodzakelijke coördinatie tussen de Griekse autoriteiten en de Financiële Politie, zijnde de Italiaanse politie waaraan de verantwoordelijkheid voor de werkzaamheden en voor de ontwikkeling van het onderzoek, met bijzondere aandacht voor de "gecontroleerde aflevering", was overgedragen, aan de militairen van onze Drugs Unit mede dat zij van [verbalisant 2], Verbindingsambtenaar in Istanbul van de National Criminal Investigation Service (NCIS) had vernomen dat, op grond van de opsporingen en het technisch onderzoek dat in Macedonië door de plaatselijke politie was uitgevoerd, Nederland de plaats van mogelijke eindbestemming van de lading zou kunnen zijn.

De Nederlandse politiefunctionaris, [verbalisant 3], was voor de gelegenheid naar Skopje overgekomen.

Deze had, in het kader van de strafzaak L.R.T. 96 060 een ruimer onderzoek lopen (dat al verscheidene jaren voortduurde) en een internationaal karakter had.

Men vernam dat een persoon van de organisatie, in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, geïdentificeerd als een zekere [betrokkene 1], om vier uur in Saloniki een ontmoeting zou hebben met een andere Nederlander, een zekere [betrokkene 2].

Op 11.08.1999 vernam men, tijdens een in Nederland afgeluisterd telefoongesprek, dat genoemde [betrokkene 2], bij het bevestigen van zijn aanwezigheid in Saloniki, beweerde dat hij de ochtend van de volgende dag (12.08.1999) naar het douanekantoor van de haven zou gaan om te verzoeken dat de container van het douaneterrein zou kunnen vertrekken.

Op 12.08.1999 vernam men dat [betrokkene 2] zich in Saloniki bevond om een persoon afkomstig uit Macedonië te ontmoeten, een zeker [betrokkene 3], die vervolgens als hoofd van het geadresseerde bedrijf in [plaats B] werd opgegeven.

Op 19.08.1999 werd bij het bevoegd douanekantoor dat zich binnen de haven bevindt, het verzoek ingediend voor vertrek van de container uit de "free-zone". Uit het onderzoek van de overgelegde stukken kon worden vastgesteld dat de goederen die aanvankelijk voor Skopje waren bestemd, aan het Oostenrijks bedrijf [L] [e-straat 1], [plaats E], waren verkocht.

Er werd na aanwijzing van de bevoegde douaneambtenaar, een aanvang gemaakt met de werkzaamheden van het openen en leegmaken van de container en vervolgens het laden van de goederen, die zich in de container bevonden, in de koelwagen, kenteken [AAA 0000], die op naam stond van [betrokkene 4].

Op 20.08.1999 verliet het voertuig het douaneterrein van de haven van Saloniki.

Inmiddels kwam uit de in Macedonië afgeluisterde telefoongesprekken naar voren dat [betrokkene 3] werd gebeld door [betrokkene 5], die hem bevestigde dat hij op zondag 22.08.1999 van Ohrid naar Wenen zou vliegen.

Op 21.08.1999 kwam de vrachtwagen aan in Igoumenitsa waar hij zich inscheepte op het motorschip [M], vermoedelijke aankomst Triëste op 22.08.1999 om 13.00 uur (in Italië).

Op 22.08.1999 in de Italiaanse haven van Triëste aangekomen werd de inzittende van de vrachtwagen geïdentificeerd als [betrokkene 4], geboren te [geboorteplaats] - [...] - op [geboortedatum].1956 (chauffeur), alsmede de zoon van de chauffeur.

Na een pauze te hebben gehouden, vertrok het autovoertuig dat tijdens de gehele overtocht van Igoumenitsa naar Triëste onder observatie was gehouden, weer om ca. 22.00 uur naar de landsgrens onder de geheime en voortdurende begeleiding van de militairen van de Drugsunit van de Financiële Politie van Catanzaro en Triëste.

Bij het binnenkomen op Oostenrijks grondgebied werd de schaduwoperatie door de Oostenrijkse politie voorgezet, waarbij zij werd bijgestaan, zoals ook in Griekenland was gebeurd, door de mensen van de Drugs Unit van Catanzaro.

Inmiddels vernam men van de Oostenrijkse politie het volgende:

Enkele Nederlandse personen, die twee dagen eerder in Wenen waren aangekomen en die in een hotel vlakbij het vliegveld logeerden, werden door de Oostenrijkse politie onder observatie gehouden, daar hun signalering door de Nederlandse politie was doorgegeven. Voornoemde Nederlandse personen hadden tijdens hun kort verblijf in Wenen mobiele telefoonapparaten gekocht, evenals enkele faxapparaten.

Op 23.08.1999 om ca. 08.50 uur, kwam de vrachtwagen in Wenen aan, waarna naar het centrum van Wenen werd gereden."

3.2.3. Het bestreden arrest houdt voorts, voor zover hier van belang, in:

"Nadere bewijsoverweging

De uitvoering van een drugstransport van een omvang en complexiteit als het onderwerpelijke in zaak A onder 1 vergt een criminele organisatie die het plegen van verscheidene misdrijven tot oogmerk heeft. Bij die uitvoering is immers - onder meer - sprake van het meermalen vervoeren, afleveren en in- en uitklaren van de goederen. Elke volgende schakel en etappe vergen telkens nieuwe wilsbesluiten en activiteiten om de verdovende middelen naar een volgende plaats van bestemming te (doen) brengen, zie bijvoorbeeld het aantrekken van een nieuwe vervoerder in Griekenland in augustus 1999."

3.3. De tenlastelegging en dienovereenkomstige bewezenverklaring ter zake van zaak A onder 1 zijn toegesneden op art. 140, eerste lid, Sr. Die bepaling stelt strafbaar de deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Bij het in deze bepaling omschreven misdrijf gaat het niet om het gepleegd zijn van misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van misdrijven (vgl. HR 13 oktober 1987, LJN AC3222, NJ 1988, 425, rov. 5.4).

3.4. Het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat de organisatie het plegen van meer misdrijven tot oogmerk dient te hebben.

Dat oogmerk - waartoe ook het naaste doel dat de organisatie nastreeft moet worden gerekend (vgl. HR 8 mei 1978, LJN AC0341, NJ 1978, 314; HR 6 oktober 1992, LJN AB9524, NJ 1993, 100) - behoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zal uit de bewijsmiddelen moeten blijken (vgl. HR 13 oktober 1987, LJN AC3222, NJ 1988, 425, rov. 5.4).

Voor het bewijs van dit oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

3.5. Voor zover het middel blijkens de toelichting berust op de opvatting dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd omdat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte "in meerdere misdrijven heeft geparticipeerd" of omdat uit de bewijsmiddelen slechts zou volgen dat de verdachte "enkel betrokken is bij en opzet heeft op het laatste gedeelte" van het uit die bewijsmiddelen blijkende transport van een partij cocaïne, faalt het. Het gaat immers niet erom of het opzet van de verdachte was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven, doch of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het meermalen telkens afleveren en vervoeren van een handelshoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne. Daarom is, anders dan het middel lijkt te betogen, ook niet van belang dat de verdachte is vrijgesproken van betrokkenheid bij het als poging tot invoer in Nederland tenlastegelegde transport van de bedoelde partij cocaïne.

3.6. Ook voor het overige faalt het middel. Het Hof heeft, mede blijkens zijn hiervoor onder 3.2.3 weergegeven overwegingen, op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat bij de uitvoering van het onderhavige internationaal transport van de partij cocaïne onder meer sprake was van het meermalen vervoeren, afleveren en in- en uitklaren van de goederen en dat elke volgende schakel en etappe nieuwe wilsbesluiten en activiteiten vergde om de verdovende middelen naar een volgende plaats van bestemming te (doen) brengen, zodat de uitvoering van het onderhavige transport een omvangrijke en complexe aangelegenheid was. Daarmee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de op vervoer, aflevering en in- en uitvoer van cocaïne gerichte besluitvorming en activiteiten van de verschillende deelnemers in de diverse landen binnen de organisatie onderling nauw op elkaar waren afgestemd en naar hun aard een planmatig karakter droegen. Het oordeel van het Hof dat daaruit moet worden afgeleid dat sprake is van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van, in de bewezenverklaring nader omschreven, misdrijven in de zin van art. 140, eerste lid, Sr, geeft, tegen de achtergrond van hetgeen onder 3.4 is overwogen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

4. Beoordeling van het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 15 mei 2007.