Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA0498

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
21-05-2007
Zaaknummer
01377/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA0498
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gesloten stelsel van rechtsmiddelen. De klacht over 's hofs overweging dat een oordeel over de rechtmatigheid van het openen van een gvo niet aan het hof is gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, is gegrond (de stelling van de verdediging was dat het gvo niet was geopend n.a.v. een concrete verdenking maar om verdachtes veronderstelde rol in de IRT-affaire). Het gaat hier immers niet om bevelen inzake de toepassing van bepaalde vrijheidsbenemende dwangmiddelen, waarbij vormverzuimen die betrekking hebben op zodanige bevelen kunnen worden voorgelegd aan de R-C die krachtens de wet belast is met het toezicht op de toepassing dan wel voortduring van bepaalde tijdens het voorbereidend onderzoek bevolen vrijheidsbenemende dwangmiddelen ( HR NJ 2004, 376). Dat leidt echter niet tot cassatie. Het hof heeft, met overneming van de beslissing van de rb, het verweer dat geen sprake was een concrete verdenking van een strafbaar feit jegens verdachte t.t.v. het openen van het gvo, verworpen omdat de op dat moment beschikbare informatie voldoende basis vormde voor de vordering opening gvo. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen de rb heeft vastgesteld omtrent de informatie die de grondslag vormde voor de opening van het gvo. Het hof heeft derhalve geoordeeld dat de stelling waarop het verweer steunt feitelijke grondslag mist. Die overweging draagt de verwerping van het verweer zelfstandig.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 27
Wetboek van Strafvordering 358
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 349
NJ 2007, 301
RvdW 2007, 516
NJB 2007, 1258
NBSTRAF 2007/221
VA 2008/4 met annotatie van J. Silvis
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 mei 2007

Strafkamer

nr. 01377/06

KM/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 januari 2006, nummer 23/001279-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 6 april 2001, voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 4 en 7 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1b. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 1c. "als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 5. "medeplegen van aan iemand, die anders dan als ambtenaar werkzaam is in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen deze in zijn betrekking zal doen of nalaten, een belofte doen van dien aard of zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd" en 6. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 1 aanhef en onder a van de Wet op de kansspelen gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot zeven jaren gevangenisstraf, met verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen het tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, althans tot bewijsuitsluiting, dan wel tot strafvermindering strekkende verweer dat het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte niet was aangevangen wegens een concrete verdenking van een strafbaar feit jegens de verdachte, doch om zijn veronderstelde rol in de IRT-affaire op te helderen. In dat verband wordt geklaagd over 's Hofs oordeel dat het niet aan het Hof is om over de rechtmatigheid van het openen van een gerechtelijk vooronderzoek te oordelen gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

3.2.1. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak het hiervoor onder 3.1 bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen.

"Het hof verwerpt dit reeds eerder gevoerde verweer op dezelfde gronden als gedaan op de terechtzitting in hoger beroep van 7 december 2001, waarbij het hof heeft verwezen naar de ter zake door de rechtbank op 6 april 2001 gegeven beslissing. Het eerst nadien in het geding gebrachte document "Gedachten voor de tweede fase contra [verdachte], [betrokkene 8] e.a. de dato 28-04-97" leidt niet tot een ander oordeel. Immers, de beslissing tot het openen van een gerechtelijk vooronderzoek is aan de rechter-commissaris. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen is een oordeel over de rechtmatigheid daarvan niet aan het hof; dat heeft slechts te oordelen over de vraag of met overschrijding van bevoegdheden (mede gelet op proportionaliteit en subsidiariteit) opsporingshandelingen en in het bijzonder dwangmiddelen jegens de verdachte zijn toegepast. Omtrent de toepassing van dwangmiddelen jegens de verdachte heeft de verdediging niet meer gesteld dan dat het wel erg veel is geweest. Die omstandigheid kan op zichzelf geen afbreuk doen aan de rechtmatigheid van het uit dat onderzoek naar voren gekomen bewijs. Dat in genoemd document bevestigd wordt dat, naast de waarheidsvinding van bepaalde strafbare feiten, voor justitie een ander oogmerk mede een rol speelde, maakt op zichzelf de opsporing en vervolging van - ernstige - strafbare feiten niet onrechtmatig."

3.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 december 2001 houdt, voor zover hier van belang, in:

Voor zover nog is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van voldoende gefundeerde verdenkingen bij aanvang van het onderzoek jegens verdachte, verwerpt het hof dit verweer op de gronden zoals vermeld in het verkorte vonnis van de rechtbank Haarlem van 6 april 2001."

3.2.3. Het vorenbedoelde vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 6 april 2001 houdt, voor zover hier van belang, in:

"Ten aanzien van het standpunt van de raadsman dat aan de vordering tot opening van een gerechtelijk vooronderzoek een gemajoreerde verdenking ten grondslag is gelegd, overweegt de rechtbank - eveneens onder verwijzing naar haar op 8 februari 2001 gegeven tussenbeslissing - het volgende:

In juni 1997 kwam uit twee verschillende bronnen informatie beschikbaar, waardoor in het sedert september 1996 lopende strafrechtelijke onderzoek naar de zogenaamde 'groei-informant' een concrete naam beschikbaar kwam.

Dat die informatie, voor zover betrekking hebbende op de status van groei-informant, afkomstig was van een door de BVD gebruikte bron doet aan de bruikbaarheid van de informatie ten behoeve van een onderzoek op zichzelf niet af.

Met betrekking tot de aan de vordering tot opening van een gerechtelijk vooronderzoek ten grondslag gelegde onderzoeksresultaten geldt dat deze - in samenhang met de documentatie terzake een eerdere veroordeling op grond van artikel 2 van de Opiumwet - voldoende basis vormden de vordering te doen zoals deze is gedaan."

3.2.4. Die tussenbeslissing van de Rechtbank te Haarlem van 8 februari 2001 houdt, voor zover hier van belang, in:

"Niet-ontvankelijkheidsverweer inzake [verdachte].

De raadsman van verdachte heeft een preliminair verweer gevoerd strekkende tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van de gehele tenlastelegging.

Zijn daartoe gevoerde betoog bevat drie kernpunten.

Ten eerste: het onderzoek tegen verdachte is gestart zonder dat sprake was van een verdenking als bedoeld in art 27 lid 1 Sv.

(...)

1. Redelijk vermoeden van schuld.

Een strafrechtelijk onderzoek kan worden aangevangen indien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden valt te putten dat een strafbaar feit is of wordt begaan. Daarbij behoeft nog geen concrete verdachte in beeld te zijn.

In de onderhavige zaak blijkt uit het dossier, dat in 1996 het LRT opdracht kreeg van het College van procureurs-generaal om, voortbouwend op het verrichte feitenonderzoek van het zogenaamde Fort-Team van de Rijksrecherche, een strafrechtelijk onderzoek in te stellen met onder meer de volgende doelstelling: "strafrechtelijke aanpak van de 'groei-informant', die kennelijk een dubbelrol heeft gespeeld ten nadele van de overheid."

Het dossier vermeldt in dit verband de navolgende omschrijving van een groei-informant: "De burger-infiltrant die allerlei strafbare feiten pleegt en mede daardoor vertrouwen wint binnen de kring van hoofdverdachten."

Gezien de bevindingen opgedaan in het Fort onderzoek zou mogelijk sprake zijn van een groei-informant, die tevens, op eigen initiatief en voor eigen rekening, onder de dekking van afspraken met de RCID Kennemerland, verdovende middelen had geïmporteerd.

Het LRT is vervolgens met dit onderzoek begonnen.

Op 17 juni 1997 heeft het LRT CID-informatie ontvangen, kort gezegd inhoudende dat [verdachte] de Nederlandse vertegenwoordiger is van de Oostenrijkse sporttotalisator [N] GMBH. Als sporttotalisator is [N] in Nederland verboden. Voorts meldt het bericht dat [verdachte] [N] tevens gebruikte om zwart geld wit te wassen. Ook een kledingbedrijf in Nieuw Vennep zou gebruikt worden voor het witwassen van geld.

De bron van deze informatie wordt door verbalisant [verbalisant 5] als betrouwbaar gekwalificeerd.

Op 19 juni 1997 heeft het LRT een proces-verbaal ontvangen van de DCRI, bevattende de letterlijke tekst van een ambtsbericht van de BVD dd. 12 juni 1997. Die informatie komt erop neer dat de BVD van één doorgaans betrouwbare bron in 1995 vernomen had dat [verdachte] in opdracht van [betrokkene 9] in het IRT zou zijn geïnfiltreerd en op die wijze grote hoeveelheden drugs op de Nederlandse markt had gebracht. Het daarmee verdiende vermogen zou zijn belegd in de Oostenrijkse onderneming [N].

De BVD heeft de doorgegeven informatie niet geverifieerd.

Op basis van deze informatie werd [verdachte] als verdachte aangemerkt in het lopende onderzoek.

De raadsman heeft, als gezegd, aangevoerd dat de aangeleverde CID en DCRI-informatie onvoldoende verdenking als bedoeld in art 27 Sv. vormde om [verdachte] als verdachte aan te merken. Tevens voert hij aan dat de BVD in deze niet bevoegd zou zijn om informatie ten behoeve van een strafproces te verstrekken en dat deze informatie derhalve niet gebruikt had mogen worden.

De rechtbank deelt deze opvatting niet. Het ontstaan van een verdenking tegen [verdachte] kan niet worden losgezien van de informatie die reeds betrokken was in het in 1996 gestarte opsporingsonderzoek. Daarin waren feiten voorhanden die het vermoeden dat strafbare feiten waren gepleegd wettigden. Vanaf juni 1997 kwam in dat verband de naam van verdachte in beeld. Achteraf mogelijk gebleken onjuistheden in de in juni 1997 aangeleverde informatie doen niet af aan de gerechtvaardigdheid van die verdenking. De opvatting van de raadsman over de onbruikbaarheid van BVD-informatie vindt geen steun in het recht.

De stelling van de raadsman dat het openbaar ministerie destijds ervan op de hoogte zou zijn geweest dat de ontvangen informatie onjuist zou zijn, is tot dusverre uit het onderzoek niet aannemelijk geworden.

Het opsporingsonderzoek tegen verdachte heeft geleid tot een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte. Dit GVO is vervolgens door de rechter-commissaris te Haarlem op 1 december 1997 geopend.

De raadsman heeft aangevoerd dat ook dit niet had mogen geschieden, wegens het ontbreken van voldoende verdenking tegen verdachte. Onder verwijzing naar de hiervoor gegeven beslissing wordt ook dit verweer verworpen.

Daarnaast wordt nog het volgende overwogen.

In het aan de vordering GVO ten grondslag liggende proces-verbaal van 13 november 1997 van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 6] zijn de na 19 juni 1997 opgedane bevindingen gepresenteerd. Kort gezegd gaven deze bevindingen steun aan het vermoeden dat verdachte betrokken zou zijn bij strafbare feiten. Tevens vloeiden uit het onderzoek tot dusverre nog zodanige vragen voort, dat er goede gronden waren voor het vorderen van een GVO. De rechter-commissaris heeft die vordering dan ook terecht gehonoreerd."

3.3.1. Voor zover het middel klaagt over de juistheid van de overweging van het Hof dat een oordeel over de rechtmatigheid van het openen van een gerechtelijk vooronderzoek niet aan het Hof is gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, is het gegrond. Het gaat hier immers niet om bevelen inzake de toepassing van bepaalde vrijheidsbenemende dwangmiddelen, waarbij vormverzuimen die betrekking hebben op zodanige bevelen kunnen worden voorgelegd aan de rechter-commissaris die krachtens de wet belast is met het toezicht op de toepassing dan wel voortduring van bepaalde tijdens het voorbereidend onderzoek bevolen vrijheidsbenemende dwangmiddelen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zou op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting opnieuw of alsnog een beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen die aan de rechter-commissaris zijn of hadden kunnen worden voorgelegd (vgl. HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376, r.o.v. 3.4.2).

De gegrondheid van de klacht behoeft echter niet tot cassatie te leiden op grond van het navolgende.

3.3.2. Blijkens de hiervoor onder 3.2.1 weergegeven overweging heeft het Hof, met overneming van de hiervoor onder 3.2.2 weergegeven beslissing van de Rechtbank, het verweer dat geen sprake was een concrete verdenking van een strafbaar feit jegens de verdachte ten tijde van het openen van het gerechtelijk vooronderzoek, verworpen op de grond dat de op dat moment beschikbare informatie voldoende basis vormde voor de vordering tot het openen van dat onderzoek. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen de Rechtbank, blijkens haar tussenbeslissing van 8 februari 2001 zoals hiervoor onder 3.2.4 weergegeven, heeft vastgesteld omtrent de informatie die de grondslag vormde voor de opening van het gerechtelijk vooronderzoek. Het Hof heeft derhalve geoordeeld dat de stelling waarop het verweer steunt feitelijke grondslag mist. Die overweging draagt de verwerping van het verweer zelfstandig.

3.4. Ook de overige in het middel vervatte klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu deze klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede tot en met het zesde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 15 mei 2007.