Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA0449

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
02903/06 H
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2004:AR5689
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herzieningsaanvrage. 1. T.t.v. de behandeling van de zaak door het hof is de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen X en Y door de verdediging reeds gemotiveerd bestreden. De in de aanvrage ten aanzien van die getuigenverklaringen aangevoerde omstandigheden kunnen, vzv. deze niet reeds t.t.v. de behandeling aan het hof bekend zijn geweest, niet een ernstig vermoeden wekken ex art. 457.1.2°. 2. Het hof was bekend met de verklaring van aanvrager dat hij wel bij de moord aanwezig, maar daarbij niet betrokken was. Het hof heeft die lezing van verdachte niet aannemelijk geacht. De thans in herziening aangevoerde omstandigheden zijn niet onverenigbaar met een daadwerkelijke betrokkenheid van de aanvrager in de door het hof bewezenverklaarde vorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 171
RvdW 2007, 334
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 maart 2007

Strafkamer

nr. 02903/06 H

DV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 16 november 2004, nummer 21/003544-04, ingediend door mr. J. Peters, advocaat te Amersfoort, namens:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, ten tijde van de aanvrage gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Flevoland" te Lelystad.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 9 juni 2004 - de aanvrager ter zake van "medeplegen van moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaren.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat het onderzoek van de zaak destijds niet tot een veroordeling zou hebben geleid indien het Hof bekend zou zijn geweest met de in de aanvrage aangevoerde omstandigheden. In de aanvrage zijn deze omstandigheden uitgewerkt in twee herzieningsgronden, waarbij verschillende bewijsmiddelen zijn gevoegd. Deze gronden houden - samengevat - het volgende in:

i. Een reconstructie door een particulier recherchebureau ([A]) werpt een nieuw licht op de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Bij de snelheid waarmee deze getuigen in de auto reden, zouden zij onmogelijk kunnen hebben zien hetgeen zij hebben verklaard gezien te hebben. Naar aanleiding van de nieuwe reconstructie hebben deze getuigen verklaard dat hetgeen zij hebben verklaard over afstanden in relatie tot de gereden snelheid niet kan kloppen. Hetgeen het Hof omtrent de betrouwbaarheid van deze verklaringen heeft overwogen, zou door het nieuwe onderzoek onhoudbaar zijn.

ii. Op 30 mei 2005 heeft de aanvrager op zijn verzoek bij de politie een verklaring afgelegd. Die komt erop neer dat de moord in opdracht van [betrokkene 1] is gepleegd, en dat de aanvrager slechts een onwetende chauffeur was. [Betrokkene 1] zou de aanvrager later hebben gezegd dat hij het slachtoffer vanwege een ere-kwestie had laten neerschieten. [Betrokkene 1] zou in de gevangenis zijn geweest om zwijggeld te bieden. Hij zou een keer € 5.000,- en een keer € 6.000,- euro naar het huis van de aanvrager hebben gestuurd. Verder zou hij nog € 20.000,- en een stuk grond in Turkije hebben aangeboden. De aanvrager zou daarover al die tijd hebben gezwegen, omdat hij en zijn gezin door deze man met de dood bedreigd werden. Bij de aanvrage zijn voorts nog drie recente verklaringen gevoegd van getuigen die bevestigen dat de moord in opdracht van [betrokkene 1] is gepleegd en dat hij, al dan niet door tussenkomst van deze getuigen, zwijggeld aan de aanvrager heeft aangeboden en gegeven en dat hij bedreigingen heeft geuit.

3. De bewezenverklaring en de bewijsvoering

3.1. Het Hof heeft ten laste van de aanvrager bewezenverklaard dat:

"Hij op 28 juni 2003 te Tiel op de Rijksweg A15, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader opzettelijk na een (kort) tevoren genomen besluit, met een vuurwapen op voornoemde [slachtoffer] schoten, waaronder een of twee 'nekschoten' heeft/hebben afgevuurd en voornoemde [slachtoffer] hebben achtergelaten op de rijbaan van de A15, waarna het lichaam van voornoemde [slachtoffer] is overreden door voertuigen, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden."

3.2. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

a. het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank van 26 mei 2004, voor zover inhoudende als de verklaring van de verdachte:

"Ik had [slachtoffer] die avond gebeld en gezegd dat de Bulgaren met hem wilden praten. Ik ben met één Bulgaar naar [slachtoffer] gegaan. We hadden [slachtoffer] bij het benzinestation opgepikt. Vanaf daar gingen we rijden. Ik ben met [slachtoffer] en de Bulgaar de snelweg A15 opgereden in de richting van Rotterdam."

b. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van het Hof van 2 november 2004:

"Ik was er op 28 juni 2003 te Tiel bij toen er geschoten werd op [slachtoffer] op de Rijksweg A15.

[Slachtoffer] gaf de Bulgaar een duw en liep naar de andere kant van de weg. De Bulgaar liep er achteraan. Het laatste dat ik van [slachtoffer] zag, was dat hij de vangrail overstak. De Bulgaar schoot op [slachtoffer]. Ik rende in de richting van de auto. Toen ik naast de auto stond, viel ik op de grond op mijn achterste.

Ik heb de Bulgaar later van foto's herkend als [medeverdachte 1]."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als het relaas van de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:

"Op 28 juni 2003 omstreeks 01.45 uur kregen wij de melding dat er een mens was overreden op de zuidbaan van de Rijksweg A15. Dit is in de richting van Nijmegen. Het zou ter hoogte zijn van de afslag Tiel-West. Ter hoogte van hectometerpaal 125,8 zagen wij dat er allemaal menselijke resten, ingewanden en botten over de totale breedte van de rijbaan lagen. Wij zijn verder de zuidbaan afgelopen. Na enkele meters zagen wij een homp liggen. Dit bleken resten van een mens te zijn. Wij zagen dit aan het feit dat wij handen, benen en voeten konden herkennen.

Hierop is de tweede verbalisant het verkeer gaan regelen. De eerste verbalisant is naar de inzittenden gelopen van de vier voertuigen die op de vluchtstrook stonden. Dit waren een van de eerste voertuigen die over het lichaam waren gereden."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als het relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 3]:

"Op 28 juni 2003 heb ik een onderzoek ingesteld naar de identiteit van een op de A15 te Tiel aangetroffen slachtoffer. In delen van de zwaar beschadigde pantalon van het slachtoffer werd een broekzak aangetroffen met daarin een portemonnee met documenten t.n.v. [slachtoffer], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats], [a-straat 1]. Van beide handen van het slachtoffer hebben wij een dactyloscopisch signalement vervaardigd. Het door ons vervaardigde signalement was identiek aan een in de landelijke verzameling HAVANK opgenomen signalement t.n.v. [slachtoffer] voornoemd."

e. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als het relaas van de opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 3]:

"Op zaterdag 28 juni 2003 hebben wij een sporenonderzoek ingesteld naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot op de zuidelijke rijbaan van de rijksweg A15 te Tiel.

Het betrof hier het stoffelijk overschot van een man. Het slachtoffer was veelvuldig overreden en zijn lichaam was daardoor uiteengereten over een afstand van bijna 100 meter.

De in dit proces-verbaal vermelde aanduidingen "(svo nr)" verwijzen naar de corresponderende nummers van de betreffende sporen zoals vermeld op de Lijst van stukken van overtuiging.

Tijdens het onderzoek hebben wij de door ons aangetroffen sporen gemarkeerd met nummerbordjes.

Verklaring van de nummerbordjes:

3. (svo nummer 103) Een pistool, merk FN Browning, kal 7.65 in de middenberm onder de middenvangrail iets uit het midden aan de noordzijde;

10. (svo nummer 110) Romp en ledematen van het stoffelijk overschot;

21. (svo 121) Een kogel, kaliber 9 mm, koperkleurig op de doorgetrokken streep tussen rechterrijstrook en vluchtstrook (kantstreep) zuidbaan.

Het in de middenberm aangetroffen vuurwapen (svo 103) betrof een pistool, merk FN, kaliber 7.65 mm Browning. De slede van het wapen stond naar achteren (het wapen stond in storing). In de houder van het wapen resteerden nog drie patronen."

f. een lijst met stukken van overtuiging, als bijlage gevoegd bij het hoofdproces-verbaal, voor zover inhoudende:

"100 serie: Plaats delict. Noord en zuidbaan A15.

no. 103, pistool F.N. Browning, 7.65, DNA-zegel AAA145;

no. 121, projectiel zuidbaan verm. 9 mm koperkleurig, DNA-zegel AAA143."

g. een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door A.J. Kal, voor zover inhoudende:

"Het pistool (AAA145) is op de volgende plaatsen bemonsterd:

- rondom de loop (AAA145)#1,

- de slede (AAA145)#2,

- kolfplaten (AAA145)#4

De bemonsteringen [AAA145]#1 tot en met 4 zijn onderzocht op de aanwezigheid van bloed. In al deze bemonsteringen is bloed aangetroffen.

Het celmateriaal vanaf de kogel SVO 121 [ASA100] is zonder voorafgaand onderzoek veiliggesteld.

Het veiliggestelde sporenmateriaal en de referentiemonsters zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek.

Uit het vergelijkend DNA-onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:

1. De DNA-profielen van het bloed in de bemonsteringen [AAA145]#1, #2 en #4 van het pistool komen overeen met het DNA-profiel van slachtoffer [slachtoffer]. Dit betekent dat het bloed in deze bemonsteringen afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon overeenkomt met het DNA-profiel van het bloed in deze bemonsteringen is kleiner dan één op de miljard.

3. Het partiële DNA-profiel van het celmateriaal vanaf de kogel [ASA100] past het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer]. Dit betekent dat dit celmateriaal afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer]."

h. een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door H.G.M. Michels, voor zover inhoudende:

"De kogel [121] is afkomstig van een pistoolpatroon zeer waarschijnlijk van het kaliber 9 mm Parabellum.

Het pistool [103] is bestemd en geschikt voor het semi-automatisch verschieten van pistoolpatronen kaliber 7,65 Browning."

i. een sectieverslag, opgemaakt door de patholoog H.A. Tromp, voor zover inhoudende:

"Op 29 juni 2003 heeft ondergetekende, Hedwig A. Tromp, arts en patholoog, de uit- en inwendige schouwing verricht van het lijk van [slachtoffer], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, gewoond hebbende te [woonplaats], [a-straat 1] en dood aangetroffen te Tiel (op de A15) op 28 juni 2003 te omstreeks 02.00 uur.

Samenvatting: Bij sectie op het lijk van [slachtoffer] is het navolgende gebleken:

A Verbrijzeling en verscheuring van het lichaam met bloeduitstortingen in de weefsels.

B Het lijk van een man met hierin 2 schotverwondingen:

1. In de nek rechts, juist onder de haargrens een vrijwel ronde huidperforatie van 0,5 bij 0,4 cm met zwarte rand en bloeduitstorting rondom.

2: Meer naar achter in de nek en iets onder het niveau van A1 (het hof leest B1), een rondovale huidperforatie van 0,6 bij 0,4 cm met rode rand.

C Aan de organen, voor zover aanwezig en beoordeelbaar, geen aanwijzingen voor ziekelijke orgaanafwijkingen.

Bij sectie bleken aan het lichaam zeer uitgebreide letsels aanwezig te zijn (verbrijzeling en verscheuring), ontstaan ten gevolge van de inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld, zoals door bijvoorbeeld een zeer zwaar verkeersongeval (A). Deze letsels zijn bij het leven ontstaan en verklaren het overlijden volledig door bloedverlies en weefselschade. Voor zover beoordeelbaar waren er geen ziekelijke afwijkingen die het overlijden zouden kunnen verklaren, dan wel hieraan een bedrage zouden kunnen hebben geleverd (C).

In een huiddeel, afkomstig van de hoofd/halsregio werden 2 schotletsels gevonden (B). Schotrestonderzoek wordt verricht. Gezegd kan worden dat deze schotverwondingen bij leven zijn ontstaan en derhalve voorafgaand aan het verkeersongeval zijn ontstaan.

Conclusie:

Bij [slachtoffer] is de dood ingetreden door de gevolgen van de inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld, zoals bv. een zeer zwaar verkeersongeval, eventueel in combinatie met de gevolgen van schotletsels."

j. een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door S.B.C.G. Chang, voor zover inhoudende:

"Onderzoeksmateriaal, ontvangen van H. Tromp:

Svo-nrs A en B: huiddelen genomen uit het slachtoffer [slachtoffer]

Onderzoeksmateriaal, ontvangen van de technische recherche Gelderland Zuid:

Svo-nr. 103: een pistool aangetroffen op de middenberm.

Resultaten en conclusie van het schotrestenonderzoek:

a. In het huiddeel [A] genomen uit het slachtoffer [slachtoffer] bevindt zich een vrijwel zekere inschotverwonding. De aangetroffen sporen wijzen op een schootsafstand van 0 centimeter (opgezet schot).

In het huiddeel [B] genomen uit het slachtoffer [slachtoffer] bevindt zich een vrijwel zekere inschotverwonding. Het betreft hier mogelijk een indirecte (via kleding) inschotverwonding. De aangetroffen sporen wijzen op een schootsafstand van vrijwel 0 centimeter.

b. Het sporenbeeld in de loop en de kamer van het wapen [103] past bij recent schieten met het wapen."

k. een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door S.B.C.G. Chang, voor zover inhoudende:

"Onderzoeksmateriaal, ontvangen van de technische recherche Gelderland Zuid:

Svo-nr. 132: bemonstering van de handen van het slachtoffer [slachtoffer] met behulp van wattenstaafjes.

Conclusie van het schotrestenonderzoek:

In de watjes, waarmee de handen van het slachtoffer zijn bemonsterd, zijn relatief lage concentraties van de elementen lood, antimoon en barium gemeten. Er zijn geen aanwijzingen verkregen dat het slachtoffer [slachtoffer] een vuurwapen heeft gehanteerd."

l. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 1]:

"In de nacht van 27 op 28 juli 2003 reed ik over de Rijksweg A-15, komende uit de richting van Arnhem. Voorbij de afslag Tiel zag ik een personenauto aan de rechterzijde van de weg op de vluchtstrook staan. Ik zag dat de achterlichten van de auto brandden. Plotseling zag ik in de lichtbundel van onze auto een paar schoenen, toen ik omhoog keek zag ik twee schimmen. Daarop zag ik dat het twee personen waren die vanuit de middenberm over de snelweg naar de stilstaande personenauto renden. Toen wij ongeveer ter hoogte van die stilstaande auto reden, zag ik een van die personen op zijn rug onder die stilstaande auto glijden. Hij gleed zeg maar tot aan zijn bovenbenen onder de auto. Ik weet zeker dat het twee personen waren. U vraagt mij hoe laat dit is gebeurd. Misschien rond 01.30 uur of 02.00 uur."

m. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 2]:

"In de nacht van 27 juni 2003 op 28 juni 2003 reed ik op de autosnelweg, de rijksweg A-15, komende uit de richting van Arnhem. Omstreeks 01.30 uur en 01.45 uur reed ik ongeveer ter hoogte van afslag Tiel-West. Op dat moment zag ik op de vluchtstrook rechts van mij een personenauto staan. De verlichting van de personenauto brandde. Ik zag een paar sportschoenen in mijn verlichtingsbundel opduiken. Toen ik daarop omhoog keek, zag ik eerst twee schimmen. Direct zag ik toen dat er twee mannen schuin achter elkaar de rijksweg A-15 overrenden. De eerste man die vlak voor mij langs de rijksweg overstak, zag ik ter hoogte van de doorgetrokken streep, dus alwaar de vluchtstrook begint, in elkaar duiken en als het ware glijdend tussen het voorwiel en het achterwiel van voornoemde personenauto dook."

n. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 3]:

"Ik wil een verklaring afleggen over hetgeen ik afgelopen vrijdagavond cq nacht heb gehoord. We zaten op mijn terras. Omstreeks 01.30 uur zaterdagmorgen 28 juni hoorde ik tussen de vier à zes harde knallen. Voor mijn gevoel was het een salvo, dus vrij kort achter elkaar, behalve de laatste knal, die kwam enkele seconden later. U vraagt mij hoe ik deze knallen kan omschrijven. Ik zei direct toen ik dit hoorde tegen die maat van mij: "Ze knallen er een af". U vraagt mij uit welke richting deze knallen kwamen. Als ik achter op mijn terras zit, kan ik de oprit van de brug over de A15, richting Erichem/Buren, zien. Hemelsbreed is dit tot de A15 ongeveer 150 meter. Uit die richting heb ik de knallen gehoord."

o. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 4]:

"Op 27 juni 2003 omstreeks twaalf uur 's avonds ging ik naar bed. Nadat ik een tijdje geslapen had werd ik wakker. Ik hoorde vier knallen. Ik twijfel of ik nog een vijfde knal gehoord heb. Die knallen leken mij duidelijk knallen van schieten. Toen ik de knallen hoorde was ik op mijn slaapkamer. Het slaapkamerraam stond open. Ik hoorde die schoten omstreeks 01.40 uur, dus op 28 juni 2003."

p. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 5]:

"Onze woning aan de [b-straat 1] te [woonplaats] staat op een afstand van zo'n 250 meter van de A15. Tussen onze woning en de A15 is een open vlakte. In de nacht van 27 juni 2003 op 28 juni 2003, ben ik omstreeks 01.15 uur naar bed gegaan. Ik lag nog wakker. Opeens, rond 01.15 uur en 01.30 uur hoorde ik 4 knallen direct achter elkaar. Toen ik de knallen hoorde had ik het idee dat het geweerschoten waren. De knallen die ik hoorde waren zo snel achter elkaar dat ze nooit met een jachtgeweer gelost zouden kunnen zijn."

q. het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank te Arnhem van 26 mei 2004, voor zover inhoudende als de verklaring van de getuige [getuige 6]:

"Het klopt dat [aanvrager] mij gebeld heeft. Dit was ongeveer 20 dagen voorafgaand aan het schietincident."

r. een proces-verbaal van bevindingen van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank te Arnhem, voor zover inhoudende de inhoud van een tweede vertaling van de op 9 maart 2004 ten overstaan van opsporingsambtenaren van de regiopolitie Gelderland-Zuid en op videoband opgenomen, afgelegde verklaring van de getuige [getuige 6]:

"[Aanvrager] heeft mij een maand van tevoren of 20 dagen gebeld. Hij zei dat hij iemand nodig had. Hij vroeg aan mij of ik iemand kon vinden die in geldnood zat, cq dringend geld nodig had. Hij zei tegen mij: "degene die het geld nodig heeft, die moet eerst wat voor mij doen en nadien zal ik diegene betalen en wanneer dit gebeurd is moet diegene het land voorgoed verlaten, naar een ander land"."

s. het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank te Arnhem van 26 mei 2004 voor zover inhoudende als de verklaring van de getuige [getuige 6]:

"Het klopt dat ik op de avond voorafgaand aan het schietincident naar het café van [aanvrager] ben gegaan. Daar zag ik [medeverdachte 1]. Ik ben bij hem aan tafel gaan zitten. Ik zag geld op tafel liggen. Dit geld lag voor [medeverdachte 1] op tafel. [Aanvrager] heeft mij toen gezegd dat ik er getuige van was dat hij het geld aan [medeverdachte 1] had gegeven. Later zag ik dat [medeverdachte 1] het geld aan [betrokkene 2] gaf. [Betrokkene 2] zei tegen mij dat het ongeveer € 2.600,- was."

t. het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank te Arnhem van 7 april 2004 voor zover inhoudende als de verklaring van de getuige [getuige 6]:

"Op 27 juni 2003 was ik in het café van [aanvrager]. Ik heb [medeverdachte 1] in het café gezien.

Een dag voordat ik [medeverdachte 1] in het café zag, was er iets gebeurd in Den Haag waar [medeverdachte 1] ook bij was. Er kwam politie bij."

u. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als relaas van de opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6]:

"Op maandag 8 maart 2004 werd de verdachte [getuige 6] een aantal foto's getoond. Bij foto 4 ([medeverdachte 1]) verklaarde hij deze man te kennen als [[...]], die bij [getuige 6] was op de donderdagavond in Den Haag in verband met de onenigheid."

3.3. In het verkorte arrest heeft het Hof onder het hoofd "Verweren met betrekking tot het bewijs" het volgende overwogen:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd -zakelijk weergegeven-, zoals nader is verwoord in zijn pleitnota, dat de verklaringen van de getuigen [getuige 6], [getuige 1] en [getuige 2] dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Ten aanzien van [getuige 6]

De verklaringen van [getuige 6] zijn volgens de raadsman leugenachtig, althans onbetrouwbaar en tegenstrijdig. Deze verklaringen zouden, als kennelijk leugenachtig, niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Daarnaast zouden de verklaringen van [getuige 6] moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat er vormverzuimen zouden zijn begaan met betrekking tot de verhoren van [getuige 6]. De opsporingsambtenaren hebben verzuimd [getuige 6] te confronteren met beschikbare telefoongegevens, die niet consistent met de verklaringen van [getuige 6] waren.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het is juist dat [getuige 6] verschillende verklaringen heeft afgelegd. Mede in aanmerking genomen dat [getuige 6] eveneens als verdachte is aangemerkt, acht het hof de verschillen in de verklaringen niet zodanig, dat alle verklaringen van deze getuige als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt. Voor zover verklaringen van [getuige 6] voor het bewijs zullen worden gebruikt, gaat het hierbij naar het oordeel van het hof bovendien uitdrukkelijk niet om kennelijk leugenachtige verklaringen.

Ten aanzien van het verweer met betrekking tot de vormverzuimen bij het verhoor van [getuige 6] overweegt het hof dat uit het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 6] bij de politie op 31 maart 2004 blijkt dat [getuige 6] is geconfronteerd met historische telecomgegevens. Reeds om die reden kan het verweer van de raadsman niet opgaan.

Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het verweer.

Ten aanzien van [getuige 1] en [getuige 2]

De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] zijn volgens de raadsman niet betrouwbaar en hij heeft zich daarbij gebaseerd op de rapporten van de heer Wagenaar van 4 maart 2004 en 18 oktober 2004.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Zonder aan te geven dat de getuigen in het geheel niet kunnen hebben gezien hetgeen zij volgens hun verklaringen hebben waargenomen, heeft de heer Wagenaar in zijn rapporten aangegeven te twijfelen aan de mogelijkheid tot het waarnemen van details onder de gegeven omstandigheden, zoals de getuigen deze naar hun zeggen wel hebben waargenomen. De verklaringen van de getuigen zijn consistent met betrekking tot het feit dat ze twee personen de snelweg over hebben zien rennen. Ook al was het donker, er was - zoals ook in het rapport van Wagenaar van 4 maart 2004 wordt beschreven - door het licht van de lampen van de auto van de getuigen voldoende licht om te kunnen beoordelen of er één dan wel twee personen de snelweg overstaken. Door de heer Wagenaar is de mogelijkheid geopperd dat doordat verdachte tot aan de middellijn tussen de twee rijstroken is gelopen, voordat hij naar de auto is gerend, bij de getuigen de illusie kan zijn gewekt dat verdachte de snelweg is overgestoken. Deze mogelijkheid strookt echter niet met de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij vanaf de achterkant van de auto op de vluchtstrook uit angst voor de Bulgaar - zo snel mogelijk - naar de auto is teruggerend. Het hof verwerpt gelet op het bovenstaande het verweer."

3.4. In de aanvulling op het verkorte arrest heeft Hof met betrekking tot het bewijs voorts nog het volgende overwogen:

"Op de plaats van het delict zijn diverse sporendragers aangetroffen waaronder in de middenberm een pistool merk FN, model 7.65 mm Browning. Rondom de loop, op de slede en op de kolfplaten van dit wapen bevonden zich bloedsporen. Uit DNA-onderzoek is gebleken dat de DNA-profielen van het bloed aangetroffen rondom de loop, op de slede en op de kolfplaten overeenkomen met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer]. Op de zuidbaan is een kogel aangetroffen. Vastgesteld is dat deze kogel zeer waarschijnlijk van het kaliber 9 mm Parabellum is en dat het partiële DNA-profiel van het celmateriaal dat op deze kogel is aangetroffen het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] past. Door de getuigen [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5], kennelijk allen omwonenden van de plaats van het delict, zijn ten tijde van het delict verschillende, vier tot zes, schoten direct na elkaar gehoord. In een huiddeel van de hoofd/halsregio van het slachtoffer [slachtoffer] zijn twee schotletsels gevonden, welke bij leven zijn ontstaan. De schootsafstand bij beide inschotwonden bedroeg nul dan wel vrijwel nul centimeter.

Gelet op het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat met twee wapens op het slachtoffer [slachtoffer] is geschoten, nu op het pistool merk FN, model 7.65 mm Browning en op een kogel afkomstig uit een pistool dat geschikt is voor het verschieten van patronen van het kaliber 9 mm Parabellum, DNA-materiaal van het slachtoffer [slachtoffer] is aangetroffen. Het hof concludeert voorts dat op de plaats delict op het slachtoffer is geschoten met een pistool dat geschikt is voor het verschieten van patronen van het kaliber 9 mm Parabellum. Uit het feit dat het pistool merk FN, model 7.65 mm Browning met een storing is aangetroffen op de plaats delict, concludeert het hof tevens dat op de plaats delict met dit wapen, op zijn minst, is getracht te schieten. Daarna is het lichaam van het slachtoffer [slachtoffer] op de zuidbaan van de A15 door verschillende auto's overreden.

Door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] is bij de politie verklaard dat zij omstreeks het tijdstip van het delict op de vluchtstrook van de noordbaan van de A15 voorbij de afslag Tiel een auto zagen staan waarvan de verlichting brandde. Zij verklaarden tevens te hebben gezien dat twee personen -of mannen- kort na elkaar vanaf de middenberm van de A15 naar die auto renden.

Gezien het feit dat de stoffelijke resten van het lichaam van het slachtoffer [slachtoffer] op de zuidbaan van de A15 zijn aangetroffen en er zich volgens verdachte ten tijde van het delict slechts drie personen op de plaats van het delict bevonden, kunnen de personen die door de getuigen zijn gezien, naar het oordeel van het hof, geen anderen zijn geweest dan verdachte en zijn mededader.

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen en in onderling verband bezien, komt het hof tot de conclusie dat verdachte en zijn mededader tezamen achter het slachtoffer [slachtoffer] aan de snelweg zijn opgerend teneinde hem aldaar van het leven te beroven door op hem te schieten en hem (nek)schoten toe te brengen. Naar het oordeel van het hof bestond er voor verdachte geen andere reden om de snelweg op te gaan dan de feitelijke deelname aan de moord. Dat hier sprake is van moord volgt uit het feit dat het slachtoffer van zeer korte afstand twee schoten zijn toegediend en het gegeven dat verdachte reeds geruime tijd voor het delict iemand zocht die iets voor hem moest doen en die daarna het land voorgoed moest verlaten."

4. Beoordeling van de aanvrage

4.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

4.2. De verklaring die de aanvrager tijdens de behandeling van de zaak door het Hof heeft afgelegd, komt erop neer dat hij weliswaar bij de schietpartij aanwezig is geweest, maar dat hij daarin geen aandeel heeft gehad en dat hij slechts als chauffeur is opgetreden om de man die de fatale schoten heeft gelost en het slachtoffer met elkaar in contact te brengen. De raadsman heeft ter terechtzitting van het Hof uitvoerig betoogd dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet voor het bewijs mogen worden gebezigd. Daarbij is door de raadsman een beroep gedaan op een rapport van prof. Wagenaar. Deze deskundige heeft aangegeven dat, rekening houdend met de snelheid, de afstand en zichtcondities, er sterk moet worden getwijfeld aan de mogelijkheid tot het waarnemen van details, zoals de getuigen zeggen te hebben waargenomen. De deskundige heeft voorts de bandopname van de reconstructie die heeft plaatsgevonden in december 2003 in een hangar op de vliegbasis Volkel, bestudeerd en aangegeven dat de feitelijke waarnemingssituatie wat betreft de snelheid, afstand en verlichting niet goed is nagebootst en dat toen aan de getuigen suggestieve vragen zijn gesteld (pleitnota blz. 6-13).

4.3. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen volgt dat reeds ten tijde van de behandeling van de zaak door het Hof de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] door de verdediging gemotiveerd is bestreden. Het Hof heeft gemotiveerd aangegeven dat die verklaringen voldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te kunnen worden gebezigd. Het Hof heeft niet de reconstructie die in december 2003 heeft plaatsgevonden en de toen door de getuigen afgelegde verklaringen voor het bewijs gebezigd, maar de verklaringen die door deze getuigen op 3 juli 2003, vijf dagen na het ten laste van de aanvrager bewezenverklaarde feit, zijn afgelegd. De bevindingen die zijn neergelegd in de bij de aanvrage gevoegde rapporten van [A] van 5 augustus en 9 september 2005 wijken niet wezenlijk af van de reeds eerder aan het Hof voorgelegde, door andere deskundigen geuite twijfel over de betrouwbaarheid van de verkla-

ringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn in het kader van de herzieningsaanvrage gehoord. Zij hebben zich vooral kritisch uitgelaten over de reconstructie door de politie, maar hebben niet aangegeven terug te komen op hetgeen zij bij de politie hebben verklaard de bewuste nacht te hebben gezien. De getuige [getuige 1] heeft ten aanzien van de reconstructie door de politie verklaard dat er suggestieve vragen werden gesteld, maar dat ze is gebleven bij wat ze zeker wist. Gelet op het voorgaande kunnen de aangevoerde omstandigheden, voor zover deze niet reeds ten tijde van de behandeling door het Hof aan het Hof bekend zijn geweest, niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 4.1 vermeld.

4.4. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen volgt dat het Hof bekend was met de verklaring van de aanvrager dat hij wel bij de moord aanwezig, maar daarbij niet betrokken was. Het Hof heeft die lezing van de verdachte niet aannemelijk geacht. In aanmerking genomen dat het Hof de betrokkenheid van de aanvrager mede heeft gebaseerd op de bewijsmiddelen zoals hiervoor onder 3.2 q, r en s vermeld, kan de enkele omstandigheid dat de aanvrager thans heeft verklaard dat een ander de opdracht voor de moord heeft gegeven en dat deze aan de aanvrager zwijggeld heeft aangeboden en hem heeft bedreigd en dat dit door andere getuigen wordt bevestigd, niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 4.1 vermeld. De thans in herziening aangevoerde omstandigheden zijn immers niet onverenigbaar met een daadwerkelijke betrokkenheid van de aanvrager in de door het Hof bewezenverklaarde vorm.

4.5. De aangevoerde omstandigheden kunnen ook in onderling verband beschouwd niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 4.1 vermeld.

4.6. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 13 maart 2007.