Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:BA0426

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
00825/06 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA0426
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2005:AU4451, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Een redelijke wetsuitleg brengt, mede in het licht van de wetsgeschiedenis, mee dat een gedraging die in strijd is met een vergunningsvoorwaarde a.b.i. art. 12.1 Natuurbeschermingswet moet worden aangemerkt als een in dit artikel strafbaar gestelde gedraging. Deze uitleg strookt met de strekking van de Natuurbeschermingswet, te weten de bescherming van het natuurschoon en in het bijzonder de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de bewijsmiddelen inhouden dat verdachte in strijd met de vergunningsvoorwaarden assimilatiebelichting heeft toegepast, getuigt ’s Hofs oordeel dat verdachte alsdus handelingen heeft verricht die in strijd zijn met art. 12 Natuurbeschermingswet, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 421
NJ 2007, 347
RvdW 2007, 619
NJB 2007, 1485
AA20080229 met annotatie van M.J. Borgers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2007

Strafkamer

nr. 00825/06 E

IV/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 oktober 2005, nummer 22/001047-04, in de strafzaak tegen:

De vennootschap onder firma [verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Middelburg van 9 februari 2004 - de verdachte schuldig verklaard aan opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 12 van de Natuurbeschermingswet, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" doch bepaald dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. C. Waling en mr. W.B.J. ten Have, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het vijfde en het zesde middel

3.1. De middelen klagen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het handelen van de verdachte schadelijk is geweest voor het natuurschoon onderscheidenlijk het natuurschoon van het beschermde natuurmonument. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. zij in het tijdvak van 29 december 2002 tot en met 9 februari 2003, in de gemeente Reimerswaal, opzettelijk, - terwijl door de Staatssecretaris van landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij besluit van 7 juli 2000 op grond van de externe werking vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet voor de aanleg van een glastuinbouwcomplex in de Eerste Bathpolder was verleend -, in strijd met een bij die vergunning gestelde voorwaarde handelingen heeft verricht die schadelijk zijn voor het natuurschoon, immers werd toen aldaar binnen haar, verdachtes, op een afstand groter dan 500 m vanuit de Oosterschelde aan de [a-straat] te [plaats A] gelegen glastuinbouwlocatie, in strijd met de bij wijzigingsbesluit van

30 oktober 2000 ingevoegde voorwaarde 1d., assimilatiebelichting toegepast, terwijl er geen goedgekeurd lichtplan was;

2. zij in het tijdvak van 19 februari 2003 tot en met 19 maart 2003, in de gemeente Reimerswaal, opzettelijk, - terwijl door de Staatssecretaris van landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij besluit van 7 juli 2000 op grond van de externe werking vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet voor de aanleg van een glastuinbouwcomplex in de Eerste Bathpolder was verleend -, in strijd met een bij die vergunning gestelde voorwaarde handelingen heeft verricht die schadelijk zijn voor het natuurschoon, immers werd toen aldaar binnen haar, verdachtes, op een afstand groter dan 500 m vanuit de Oosterschelde aan de [a-straat] te [plaats A] gelegen glastuinbouwlocatie, in strijd met de bij wijzigingsbesluit van 30 oktober 2000 ingevoegde voorwaarde 1d., assimilatiebelichting toegepast, terwijl er geen goedgekeurd lichtplan was;

3. zij in het tijdvak van 23 maart 2003 tot en met 5 april 2003, in de gemeente Reimerswaal, opzettelijk, - terwijl door de Staatssecretaris van landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij besluit van 7 juli 2000 op grond van de externe werking vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet voor de aanleg van een glastuinbouwcomplex in de Eerste Bathpolder was verleend -, in strijd met een bij die vergunning gestelde voorwaarde handelingen heeft verricht die schadelijk zijn voor het natuurschoon, immers werd toen aldaar binnen haar, verdachtes, op een afstand groter dan 500 m vanuit de Oosterschelde aan de [a-straat] te [plaats A] gelegen glastuinbouwlocatie, in strijd met de bij wijzigingsbesluit van 30 oktober 2000 ingevoegde voorwaarde 1d., assimilatiebelichting toegepast, terwijl er geen goedgekeurd lichtplan was."

3.3.1. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"De vennootschap onder firma [verdachte], handelsnaam [A], heeft onder meer in eigendom: een glastuinbouwlocatie in de Bathpolders te [plaats A], aan de [a-straat] te [plaats A], gemeente [plaats B].

In het kassencomplex heeft de vennootschap in de tijdvakken van 29 december 2002 tot en met 9 februari 2003, 19 februari 2003 tot en met 19 maart 2003 en 23 maart 2003 tot en met 5 april 2003 op tijdstippen tussen zonsondergang en zonsopgang telkens assimilatiebelichting toegepast, terwijl er telkens geen goedgekeurd lichtplan was.

Bij besluit van de Staatssecretaris van LNV d.d. 7 juli 2000 is op grond van de externe werking van de Natuurbeschermingswet (Oosterschelde buitendijks) vergunning verleend voor de aanleg van een glastuinbouwcomplex in de Eerste Bathpolder. De aan deze vergunning verbonden voorwaarde onder 1 inzake het toepassen van assimilatiebelichting in de kassen is bij Besluit van de Staatssecretaris van LNV d.d. 30 oktober 2000 uitgebreid met de voorwaarden 1a tot en met 1d, onder handhaving van het Besluit van 7 juli 2000, waarvan de voorwaarden onder 1c en 1d betrekking hebben op toepassing van assimilatiebelichting binnen de glastuinbouwlocatie op een afstand groter dan 500 m vanuit de Oosterschelde.

In die voorwaarden is bepaald dat een lichtplan moet worden opgesteld en aan de Staatssecretaris van LNV ter goedkeuring moet worden voorgelegd (voorwaarde 1c) respectievelijk dat assimilatiebelichting pas kan worden toegepast indien de aanvullende maatregelen, voortvloeiend uit het door de Staatssecretaris goedgekeurde lichtplan integraal zijn uitgevoerd (voorwaarde 1d).

b. de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"We hebben ervoor gekozen om gedurende de tenlastegelegde perioden, ondanks het ontbreken van een goedgekeurd lichtplan, onveranderd door te gaan met het toepassen van assimilatiebelichting".

c. een kopie van het Besluit van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 7 juli 2000, voor zover inhoudende:

"dat - onder ter bescherming van de in het natuurmonument "Oosterschelde-buitendijks" aanwezige natuurwaarden en het natuurschoon gestelde voorwaarden - op grond van de externe werking vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet voor de aanleg van een glastuinbouwcomplex in de Eerste Bathpolder wordt verleend".

d. een kopie van het Besluit van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 30 oktober 2000, voor zover inhoudende:

"dat de bij besluit van 7 juli 2000 verleende vergunning op grond van de externe werking in het kader van de Natuurbeschermingswet voor de aanleg van een glastuinbouwcomplex in de Eerste Bathpolder als volgt wordt gewijzigd:

als voorwaarden worden ingevoegd:

1c. Bij toepassing van assimilatiebelichting door een individueel bedrijf binnen de glastuinbouwlocatie op een afstand groter dan 500 m vanuit de Oosterschelde dient een lichtplan opgesteld te worden om in beeld te brengen of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om schade aan de natuur in de Oosterschelde te voorkomen. Dit lichtplan dient aan mij ter goedkeuring te worden voorgelegd.

1d. Assimilatiebelichting binnen de glastuinbouwlocatie op een afstand groter dan 500 m vanuit de Oosterschelde kan worden toegepast indien de aanvullende maatregelen, voortvloeiend uit het door mij goedgekeurde lichtplan, zoals genoemd in voorwaarde 1c, integraal zijn uitgevoerd".

e. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Het kassencomplex van de firma [A] aan de [a-straat 1] te [plaats A], gemeente [plaats B], is gelegen buiten de grens van 500 meter vanuit de Oosterschelde."

f. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"Sinds medio september 2002 is het kassencomplex van [A] aan de [a-straat 1] te [plaats A] in bedrijf gegaan. De kassen staan zo'n honderd tot honderdvijftig meter van mijn woning. Vanaf de dag dat deze kassen in bedrijf zijn gegaan, gaat 's nachts het assimilatielicht in de kassen aan. De laatste tijd gaat het licht om 04.00 uur 's nachts aan.

Rondom mijn woning zaten altijd twee prachtige ransuilen. Sinds de kassen in bedrijf zijn en het licht 's nachts aangaat, zie ik de ransuilen hier niet meer. Ook liep er altijd hoenderachtig wild rond mijn woning. Ook dit wild zie ik niet meer sinds het assimilatielicht in de kassen aangaat."

g. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2]:

"Ik woon te [plaats A]. De kassen van het bedrijf [A] aan de [a-straat 1] te [plaats A] zijn aan het eind van de zomer 2002 in bedrijf gegaan. Vanaf medio oktober 2002 zag ik dat de assimilatieverlichting in deze kassen al aan was om 06.30 uur. Het was toen nog donker. De laatste weken gaat het licht in deze kassen al omstreeks 04.00 uur aan. Hierdoor worden mijn kippen wakker en gaan ze eieren leggen. Verder begint de haan te kraaien. Dit deden zij voorheen nooit zo vroeg in deze maanden, althans niet als het nog donker was. Verder gaan de vogels in mijn volière fluiten als het assimilatielicht in de kassen aangaat en zijn er verschillende vogels in mijn volière die al een nestje hebben gemaakt en eieren hebben gelegd. Dit deden deze vogels vorig jaar niet. Deze legsels zijn ten dode opgeschreven omdat het hiervoor nog veel te koud is. Ook de vogels in de natuur beginnen te fluiten als het assimilatielicht in de kassen aangaat."

3.3.2. In aansluiting op de bewijsmiddelen heeft het Hof nog het volgende overwogen:

"Uit de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] blijkt dat het gedurende de nachtelijke uren toepassen van assimilatiebelichting in de kassen in ieder geval in zoverre schadelijk is geweest voor het natuurschoon dat het bioritme van verschillende diersoorten daardoor is verstoord en voorheen in de omgeving van de glastuinbouwlocatie vertoevende ransuilen en hoenderachtige wildsoorten aldaar sedertdien niet meer zijn gesignaleerd. Hoewel deze verklaringen zijn afgelegd op 18 februari 2003 en mitsdien betrekking hebben op de periode tot 19 februari 2003, worden zij door het hof niet alleen voor het bewijs van het onder 1, doch ook voor het bewijs van het onder 2 en 3 tenlastegelegde redengevend geacht, nu de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 30 september 2005 heeft verklaard dat de assimilatiebelichting gedurende de tenlastegelegde perioden onveranderd is toegepast."

3.4. Het hier toepasselijke art. 12 Natuurbeschermingswet luidt:

"1. Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk zijn voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument of die een beschermd natuurmonument ontsieren.

2. Als schadelijk voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument worden in ieder geval aangemerkt handelingen, die de in de beschikking tot aanwijzing genoemde wezenlijke kenmerken van een beschermd natuurmonument aantasten.

3. Geen vergunning is vereist voor handelingen, welke zijn voorzien in een beheersplan als bedoeld in art. 14."

3.5. Een redelijke wetsuitleg brengt, mede in het licht van de door de Advocaat-Generaal in zijn aan dit arrest gehechte conclusie onder 12-14 weergegeven wetsgeschiedenis, mee dat een gedraging die in strijd is met een vergunningsvoorwaarde als bedoeld in art. 12, eerste lid, Natuurbeschermingswet moet worden aangemerkt als een in dit artikel strafbaar gestelde gedraging. Deze uitleg strookt met de strekking van de Natuurbeschermingswet, te weten de bescherming van het natuurschoon en in het bijzonder de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument.

3.6. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen inhouden dat de verdachte in strijd met de vergunningsvoorwaarden assimilatiebelichting heeft toegepast, getuigt 's Hofs oordeel dat de verdachte aldus handelingen heeft verricht die in strijd zijn met art. 12 Natuurbeschermingswet, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering.

3.7. De middelen zijn derhalve tevergeefs voorgesteld.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 12 juni 2007.