Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ9353

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
02897/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ9353
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 359.2 Sv. Het aangevoerde m.b.t. de verklaringen van getuige X kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie t.o.v. het hof naar voren is gebracht. Het hof is van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door de verklaringen tot het bewijs te bezigen, maar heeft – i.s.m. met art. 359.2. Sv - niet i.h.b. de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat leidt ex art. 359.8 Sv tot nietigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 374 met annotatie van P. Mevis
JOL 2007, 346
RvdW 2007, 510
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 mei 2007

Strafkamer

nr. 02897/06

KM/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 januari 2006, nummer 22/005242-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 23 maart 2004 - de verdachte ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.W. Noorduyn, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verklaringen van de getuige [getuige 1] wegens onbetrouwbaarheid niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

3.2. Ten laste van de verdachte is door het Hof bewezenverklaard dat hij op 21 juli 2003 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 250 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3.3. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota die - voor zover hier van belang - het volgende inhoudt:

"III - Verklaringen [getuige 1] zijn onbetrouwbaar

18. Indien Uw Hof evenwel van oordeel is dat de door [getuige 1] genoemde [verdachte] cliënt betreft en uit de verklaringen van [getuige 1] blijkt dat hij [betrokkene 1] heeft horen zeggen tegen cliënt dat de betreffende container cocaïne bevatte dan zijn de verklaringen van [getuige 1] uiteindelijk de enige bron waarop de wetenschap van cliënt zou kunnen worden gebaseerd. Immers, met uitzondering van [betrokkene 1], die bevriend was met cliënt, noemt of kent geen van de andere medeverdachten de naam van cliënt.

19. In dit licht bezien zal het Uw Hof niet verbazen dat de verdediging zich - tot slot - op het standpunt stelt dat de verklaringen van [getuige 1], gezien de (onderlinge) tegenstrijdigheden alsmede enkele feitelijke onjuistheden, dermate onbetrouwbaar zijn dat deze verklaringen niet tot het bewijs gebezigd kunnen worden. Daarenboven vinden de verklaringen van [getuige 1] in het geheel geen steun in het dossier. Ik zal dit - kort - nader onderbouwen.

* [Getuige 1] is een medeverdachte

20. [Getuige 1] is een medeverdachte in deze strafzaak en reeds om die reden is het de vraag in hoeverre zijn verklaringen betrouwbaar zijn. [Getuige 1] heeft baat bij het noemen van de namen van anderen. Zo verhult en verkleint hij zijn rol in het geheel.

* Verklaringen [getuige 1] onderling tegenstrijdig

21. Ik noem de belangrijkste tegenstrijdigheid in zijn verklaringen. In zijn eerste verhoor verklaart [getuige 1] met betrekking tot het essentiële punt in wiens opdracht hij werkte als volgt (p. 678 ev):

"De bedoeling was om de cocaïne in de vloer te stoppen en [betrokkene 1] vroeg mij of ik ter plaatse advies wilde geven hoe en op welke wijze dat het beste kon gebeuren (...) Ik moest van [betrokkene 1] naar Suriname om daar de problemen op te lossen en advies te geven."

22. In zijn verklaring als getuige verklaart [getuige 1] echter opeens anders. Niet [betrokkene 1], doch [betrokkene 2] zou hem nu hebben gevraagd om handelingen aan de vloer in de container te verrichten om de cocaïne erin te verstoppen.

* Verklaringen [getuige 1] feitelijk onjuist

23. De verklaringen van [getuige 1] spreken elkaar echter niet alleen tegen, zij zijn ook op diverse punten in strijd met de feiten. Ik noem twee punten.

24. [Getuige 1] verklaart dat [verdachte] op het moment dat de container uit Suriname arriveerde in Spanje of Portugal was. Ik verwijs naar p. 680 en 683. Vaststaat evenwel dat cliënt op dat moment gewoon in Nederland verbleef.

25. Een tweede - feitelijk onjuist - punt betreft hetgeen [getuige 1] verklaart met betrekking tot het prepareren van de container in Suriname. [Getuige 1] verklaart de vloer van de container slechts met een breekijzer te hebben opgelicht en nadat de cocaïne in de holle ruimte was gedaan de vloer weer met schroeven te hebben vastgezet. (p. 687).

26. Uit het in opdracht van de FIOD verrichte onderzoek naar de container blijkt echter dat aan de container een modificatie is verricht, waarbij in ieder geval een slijptol gebruikt is (p. 599 e.v.). De door [getuige 1] beschreven preparatie aan de container is dus feitelijk onjuist.

Conclusie verklaringen [getuige 1] onbetrouwbaar

27. De innerlijke tegenstrijdigheden, als wel de zojuist genoemde feitelijke onjuistheden leiden tot het standpunt dat de verklaringen van [getuige 1] als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt.

Geen steun overige onderdelen in verklaring [getuige 1]

28. Ten aanzien van verklaringen van [getuige 1] kan daarenboven worden opgemerkt dat deze in het geheel niet worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo wordt de verklaring van [getuige 1] aangaande de inhoud van de telefoongesprekken tussen [betrokkene 1] en cliënt noch door [betrokkene 1] of cliënt, noch door een tapgesprek ondersteund.

29. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat om diverse redenen de verklaringen van [getuige 1] niet als bewijs gebezigd kunnen worden."

3.4. Hetgeen door de raadsvrouwe ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de verklaringen van de getuige [getuige 1] kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door de in het middel bedoelde verklaringen tot het bewijs te bezigen, maar heeft - in strijd met art. 359, tweede lid, Sv - niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

3.5. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. Het tweede middel behoeft geen bespreking.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 15 mei 2007.