Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ9333

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
10-04-2007
Zaaknummer
00993/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ9333
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vrijwillige terugtred ex art. 46b Sr. ’s Hofs oordeel dat het beroep op vrijwillige terugtred dient te worden verworpen omdat de voorgenomen inbraak louter niet is voltooid tengevolge van de omstandigheid dat het verdachte niet is gelukt om het raam zodanig te forceren dat hij het huis kon binnenkomen, is onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de aard van de gedragingen die verdachte reeds had verricht (het raam geforceerd met een scherp voorwerp, fors geweld toegepast waardoor het kozijn van de onderzijde was ontzet), welke strekten tot voltooiing van het delict. Daaraan doet niet af ‘s hofs overweging dat “sprake is van een poging tot diefstal waarna een beroep op vrijwillige terugtred niet meer mogelijk is.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 267
RvdW 2007, 411

Uitspraak

10 april 2007

Strafkamer

nr. 00993/06

EC/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Leeuwarden, van 5 oktober 2005, nummer 24/000702-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd in het Huis van Bewaring "Havenstraat" te Amsterdam.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 5 januari 2004 - de verdachte ter zake van "poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.A. Jansen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel richt zich tegen de verwerping door het Hof van het beroep op vrijwillige terugtred als bedoeld in art. 46b Sr.

4.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 25 januari 2003 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning perceel: [a-straat 1] weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorend aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, naar die woning is toegegaan en vervolgens een raam van die woning heeft geforceerd."

4.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 1]:

"Ik doe aangifte van inbraak in mijn woning. Op 24 januari 2003 omstreeks 23.55 heb ik de woning deugdelijk afgesloten. Omstreeks 03.15 hoorde ik een harde knal. Ongeveer een kwartier later hoorde ik de buurman praten met mensen op straat. Ik keek uit het raam van de slaapkamer en zag een politiescooter staan. Ik heb de tuindeur open gedaan voor de politie. Deze vertelde mij dat er bij mij ingebroken was. Samen met de politie heb ik het slaapkamerraam van de slaapkamer beneden bekeken. Ik zag dat het raam geheel ontwricht was. Ik zag dat de onderzijde van het raam naar binnen was gebogen. Vooralsnog mis ik niets in mijn woning."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Vannacht ben ik aangehouden. Ik bevond mij omstreeks 3.00/4.00 uur op de [a-straat]. Ik heb nu een witte trui aan met capuchon. Daarover droeg ik vannacht een groen-zwarte leger jas zonder mouwen. Dat wil zeggen dat de witte mouwen van mijn trui uit de jas komen."

c. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"Ik ben op 25 januari 2003 in een achtertuin van een woning in de [a-straat] geweest. Ik had een klein schaartje en twee zakmessen bij me."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"Ik ben vannacht 25 januari 2003 getuige geweest van een inbraak of een poging tot inbraak in een woning aan de [a-straat 1] te Amsterdam. Ik woon daarboven. Ik was omstreeks 3.15 in mijn woning. Omstreeks 3.05 zag ik een man lopen in de [a-straat]. De man was gekleed in een donkergroene of donkerblauwe jas. Ik zag verder dat de man onder deze jas een witte trui droeg met een capuchon. Ook zag ik dat de mouwen van deze trui geheel zichtbaar waren. Ik zag dat de man de tuin inliep behorende bij het perceel [a-straat 1]. Ik zag dat hij vervolgens in de richting van een raam liep van mijn benedenburen. Ik hoorde een bonk en hoorde ook gerommel."

e. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel van een of meer van hen:

"Op 25 januari 2003, omstreeks 3.20 uur waren wij ter plaatse in de [a-straat] ter hoogte van perceel [001]. Wij verbalisanten [verbalisant 3] zagen dat het slaapkamerraam aan de tuinzijde geforceerd was. Wij zagen dat op het kozijn een viertal verse moeten/beschadigingen vermoedelijk afkomstig van een scherp voorwerp. Wij zagen dat het kozijn links onder verbogen/ontzet was."

4.3.1. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitaantekeningen heeft de raadsvrouwe een beroep gedaan op vrijwillige terugtred en daartoe onder meer het volgende aangevoerd:

"Cliënt heeft met een vriend afgesproken, welke maar niet kwam opdagen. Cliënt liep wat heen en weer en is in de bewuste tuin terechtgekomen. Hij zag het raam. Hij heeft een verleden. Hij voelde de verleiding. Maar hij wist ook dat hem, bij het plegen van nieuwe strafbare feiten, een voorwaardelijke straf van zes maanden boven het hoofd hing. Cliënt heeft aan het raampje gezeten en is tot inkeer gekomen: het was het niet waard. Bovendien was de kans groot dat als hij naar binnen zou zijn gegaan hij zijn vriend wellicht zou mislopen. Cliënt is teruggegaan naar zijn fiets aan de voorkant van het huis en is zittend gaan wachten op zijn vriend. De politie arriveerde echter eerder."

4.3.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Strafbaarheid van het feit

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte ter zake van het bewezen verklaarde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat verdachte vrijwillig is teruggetreden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte is op 25 januari 2003 rond drie uur in de morgen de tuin achter het huis van [benadeelde partij 1] ingelopen. Vervolgens heeft hij met een scherp voorwerp het slaapkamerraam van dat huis geforceerd. Ook moet verdachte nog fors geweld toegepast hebben, waardoor het kozijn aan de onderzijde ontzet is.

Gelet hierop is het hof van oordeel, dat verdachte getracht heeft om via het slaapkamerraam het huis binnen te komen met als doel iets van zijn gading te stelen, maar dat dit hem ondanks voornoemde handelingen niet is gelukt.

Met deze omstandigheid is er sprake van een poging tot diefstal waarna een beroep op vrijwillige terugtred niet meer mogelijk is."

4.4. Art. 46b Sr luidt:

"Voorbereiding noch poging bestaat indien het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk."

4.5. In zijn hiervoor onder 4.3.2 weergegeven overwegingen ligt als oordeel van het Hof besloten dat het beroep op vrijwillige terugtred dient te worden verworpen omdat de voorgenomen inbraak louter niet is voltooid tengevolge van de omstandigheid dat het de verdachte niet is gelukt om het raam zodanig te forceren dat hij het huis kon binnenkomen. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de aard van de gedragingen die de verdachte reeds had verricht, welke strekten tot voltooiing van het delict. Daaraan doet niet af hetgeen het Hof aan het slot van de laatste zin heeft overwogen.

4.6. Het middel faalt dus.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 10 april 2007.