Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ8786

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2007
Datum publicatie
17-04-2007
Zaaknummer
01232/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ8786
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Controle- en opsporingsbevoegdheden Kmar. Gelet op art. 1 Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee is voor de beantwoording van de vraag of de wachtmeesters opsporingsbevoegdheid hadden, beslissend of zij toen werkzaam waren in de uitoefening van een van de hun bij art. 6 Politiewet 1993 opgedragen taken. Het hof heeft vastgesteld dat t.t.v. de alcoholcontrole de Kmar niet bezig was met de uitoefening van een eigenstandige taak t.b.v. de strijdkrachten, zoals omschreven in art. 141 Sv jo. art. 6 Politiewet. Deze vaststelling is feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk. Naar in cassatie moet worden aangenomen is te dezen geen sprake van ‘bijstand’ of ‘samenwerking’ als bedoeld in art. 6.1.d Politiewet 1993. Voor ‘bijstand’geldt immers dat moet zijn voldaan aan de in art. 58 Politiewet 1993 gestelde vereisten, waarover in deze zaak niets is vastgesteld. Voor ‘samenwerking’geldt dat het moet gaan om een geval waarin de Kmar een eigen politietaak uitoefent, hetgeen blijkens ‘s hofs feitelijke vaststelling zich hier niet voordoet. In het licht van een en ander getuigt ’s hofs oordeel dat de aanhouding van verdachte aldus op onrechtmatige wijze is geschied, weshalve de ten gevolge van deze aanhouding verkregen onderzoeksresultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 141
Politiewet 1993
Politiewet 1993 6
Politiewet 1993 58
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 158
Wegenverkeerswet 1994 159
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2007, 210
JWR 2007/44 met annotatie van Regterschot
NBSTRAF 2007/210
JOL 2007, 289
NJ 2007, 250
RvdW 2007, 432
VR 2008, 70
NJB 2007, 1077

Uitspraak

17 april 2007

Strafkamer

nr. 01232/06

KM/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 oktober 2005, nummer 20/008003-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Maastricht van 7 januari 2005 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Mr. E. van Die heeft, naar de Hoge Raad begrijpt in haar hoedanigheid van plaatsvervangend Advocaat-Generaal bij het Hof, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de verdachte heeft mr. Th. Boumans, advocaat te Heerlen, het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte heeft vrijgesproken. Het betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanhouding van de verdachte op onrechtmatige wijze is geschied en de ten gevolge van deze aanhouding verkregen onderzoeksresultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

3.2.1. Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij:

"op of omstreeks 28 augustus 2004, in de gemeente Brunssum, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, 770 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn."

3.2.2. Het Hof heeft de verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken. Het Hof heeft die vrijspraak als volgt gemotiveerd:

"De verdediging heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu de Koninklijke Marechaussee bij de aanhouding van verdachte - aldus de raadsman - niet heeft gehandeld op grond van een eigen bevoegdheid, maar op grond van een afgeleide bevoegdheid en de aanhouding derhalve onrechtmatig is geschied.

Het Hof overweegt hieromtrent het volgende.

In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat de Koninklijke Marechaussee bezig was met de uitoefening van een eigenstandige taak ten behoeve van de strijdkrachten, zoals omschreven in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 6 van de Politiewet, nu op het moment van aanhouding van verdachte geen redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond noch een redelijk vermoeden dat verdachte behoorde tot de in artikel 6, lid 1 sub b van de Politiewet bedoelde personen. Daaraan doet niet af dat in Brunssum relatief gezien veel van voornoemde personen woonachtig en/of werkzaam zijn.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

De aanhouding van verdachte is aldus op onrechtmatige wijze geschied, weshalve de ten gevolge van deze aanhouding verkregen onderzoeksresultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken."

3.3. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke voorschriften van belang.

(i) Art. 158 WVW 1994:

"Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van de hoofdstukken IA, IB en IC, zijn belast de in artikel 159 bedoelde personen. Zij beschikken daartoe over de in artikel 160, vierde lid, genoemde bevoegdheid met betrekking tot het vervoeren van personen en over de bevoegdheid, genoemd in artikel 160, vijfde lid."

(ii) Art. 159 WVW 1994:

"Met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens deze wet, zijn belast:

a. de in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen;

(...)."

(iii) Art. 141 Sv:

"Met de opsporing van strafbare feiten zijn belast:

(...)

c. voor de door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Defensie te bepalen gevallen: de officieren en onderofficieren van de Koninklijke marechaussee en de door Onze voornoemde Ministers aangewezen andere militairen van dat wapen."

(iv) Art. 1 Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee, een regeling van de Ministers van Justitie en van Defensie van 29 maart 1994 (Stcrt. 1994, 70):

"De officieren, de onderofficieren en de in artikel 2 genoemde andere militairen der Koninklijke marechaussee zijn met de opsporing van strafbare feiten belast in alle gevallen waarin zij werkzaam zijn in de uitoefening van de taken welke hun zijn opgedragen bij artikel 6 Politiewet 1993 of andere wetten."

(v) Art. 6 Politiewet 1993:

"1. Aan de Koninklijke marechaussee zijn, onverminderd het bepaalde bij of krachtens andere wetten, de volgende politietaken opgedragen:

(...)

b. de uitvoering van de politietaak ten behoeve van Nederlandse en andere strijdkrachten, alsmede internationale militaire hoofdkwartieren, en ten aanzien van tot die strijdkrachten en hoofdkwartieren behorende personen;

(...)

d. de verlening van bijstand alsmede de samenwerking met de politie krachtens deze wet, daaronder begrepen de assistentieverlening aan de politie bij de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit;

(...)

4. De militair van de Koninklijke marechaussee die krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering opsporingsbevoegdheid heeft, is, indien hij bij de uitoefening van zijn politietaken stuit op strafbare feiten, bevoegd tot optreden."

(vi) Art. 58 Politiewet 1993:

"1. In bijzondere gevallen kan bijstand worden verleend door de Koninklijke marechaussee.

2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, indien het betreft bijstand ter handhaving van de openbare orde, onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie, indien het betreft bijstand voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel voor het verrichten van taken ten dienste van de justitie, bepaalt, na overleg met Onze Minister van Defensie, of bijstand wordt verleend.

3. Indien bijstand moet worden verleend, bepaalt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Defensie op welke wijze de bijstand wordt verleend."

3.4. Bij de stukken van het geding bevindt zich een proces-verbaal, opgemaakt door de wachtmeesters der Koninklijke marechaussee [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"ALCOHOLCONTROLE

Op zaterdag 28 augustus 2004 om 03.14 uur zagen wij, verbalisanten, dat een persoon als bestuurder van een voertuig, personenauto, voorzien van het kenteken [AA-BB-00], dit bestuurde op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Emmaweg te Brunssum in de gemeente Brunssum. Aldaar waren wij, verbalisanten, bezig met een gecombineerde alcoholcontrole, tussen politie Limburg-Zuid Bureau Heerlen en de Koninklijke Marechaussee Brigade Heerlen.

Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften, stelden wij, verbalisanten, een onderzoek in."

3.5. Gelet op art. 1 van de Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee is voor de beantwoording van de vraag of genoemde wachtmeesters opsporingsbevoegdheid hadden, beslissend of zij toen werkzaam waren in de uitoefening van een van de hun bij art. 6 Politiewet 1993 opgedragen taken.

3.6.1. Blijkens zijn hiervoor onder 3.2.2 weergegeven overwegingen heeft het Hof vastgesteld dat ten tijde van de onderhavige alcoholcontrole "de Koninklijke Marechaussee niet bezig was met de uitoefening van een eigenstandige taak ten behoeve van de strijdkrachten, zoals omschreven in art. 141 van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 6 van de Politiewet". Deze vaststelling is feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk.

3.6.2. Naar in cassatie moet worden aangenomen is te dezen geen sprake van 'bijstand' of 'samenwerking' als bedoeld in art. 6, eerste lid sub d, Politiewet 1993. Voor 'bijstand' geldt immers dat moet zijn voldaan aan de in art. 58 Politiewet 1993 gestelde vereisten, waarover in deze zaak niets is vastgesteld. Voor 'samenwerking' geldt dat het moet gaan om een geval waarin de Koninklijke marechaussee een eigen politietaak uitoefent, hetgeen blijkens de feitelijke vaststelling van het Hof zich hier niet voordoet.

3.6.3. In het licht van een en ander getuigt 's Hofs oordeel dat "de aanhouding van verdachte (...) aldus op onrechtmatige wijze is geschied, weshalve de ten gevolge van deze aanhouding verkregen onderzoeksresultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs" niet van een onjuiste rechtsopvatting.

3.7. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 17 april 2007.