Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ8521

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-04-2007
Datum publicatie
13-04-2007
Zaaknummer
C05/191HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ8521
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Afgewezen vordering tot afgifte door de kinderen/enig erfgenamen van erflater aan zijn tweede vrouw van het legaat op hun voormalig echtelijke woning tegen inbreng van de waarde per datum van het overlijden van erflater wegens strijd met eisen van redelijkheid en billijkheid; waardebepaling, peildatum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 257
NJ 2007, 219
RvdW 2007, 398
NJB 2007, 945
JWB 2007/133

Uitspraak

13 april 2007

Eerste Kamer

Nr. C05/191HR

MK/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

1. [Verweerster 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Verweerder 2],

wonende te [woonplaats],

3. [Verweerder 3],

wonende te [woonplaats],

4. [Verweerder 4],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. R.F. Thunnissen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploten van 28 mei, 30 mei en 8 juni 2001 onder anderen verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerders] - gedagvaard voor de rechtbank te Alkmaar en gevorderd, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - [verweerders] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis mee te werken aan de afgifte van het legaat, aan [eiseres] van het woonhuis met ondergrond en erf, staande en gelegen aan [a-straat 1] te [plaats], onder gehoudenheid van [eiseres] om de daarop rustende hypotheekschuld over te nemen en als eigen schuld te voldoen en voorts om aan de nalatenschap van [betrokkene 1], overleden op 29 november 1995 te voldoen primair een bedrag van € 79.411,54 (ƒ 175.000,--), uit te keren bij gelegenheid van de levering en subsidiair een bedrag van € 90.756,04 (ƒ 200.000,--), uit te keren bij gelegenheid van de levering.

[Verweerders] hebben bij conclusie van antwoord in conventie de vordering bestreden en tevens een conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie ingesteld.

De rechtbank heeft bij vonnis van 19 februari 2003 in conventie de subsidiaire vordering van [eiseres] toegewezen, het meer of anders gevorderde afgewezen en in reconventie de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis van de rechtbank hebben [verweerders] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 27 januari 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiseres] afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 29 november 1995 is overleden [betrokkene 1] (hierna: de erflater).

(ii) Op het moment van zijn overlijden was de erflater gehuwd met [eiseres]. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren. De erflater en [eiseres] waren gehuwd buiten gemeenschap van goederen.

(iii) De erflater is eerder gehuwd geweest met [betrokkene 2]. Uit dit huwelijk, dat in 1977 is ontbonden door het overlijden van [betrokkene 2], zijn vijf kinderen geboren (hierna: [verweerders]).

(iv) De erflater heeft bij testament van 28 december 1992 [verweerders] tot zijn enige erfgenamen benoemd, onder de last van de in het testament genoemde legaten. De erflater legateerde aan [eiseres] in de eerste plaats de eigendom van alle tot zijn nalatenschap behorende roerende en onroerende zaken naar keuze van [eiseres], onder de verplichting tot inbreng van de waarde in de nalatenschap. Voorts legateerde hij aan [eiseres] het vruchtgebruik van zijn nalatenschap.

(v) Tot de nalatenschap behoort onder meer het woonhuis aan [a-straat 1] te [plaats], de voormalige (echtelijke) woning van de erflater en [eiseres]. Op dat huis rustte een hypotheek in verband met een door [eiseres] en de erflater aangegane lening van ƒ 40.000,--.

(vi) [Verweerders] hebben in 1977 uit hoofde van het testament van hun moeder een vordering gekregen op hun vader, opeisbaar bij zijn overlijden.

3.2.1 [Eiseres] heeft in 2001 de hiervoor in 1 vermelde vordering ingesteld, kort gezegd strekkende tot afgifte van het legaat van het huis tegen inbreng. Volgens [eiseres] diende zij ter zake van de waarde van de woning ƒ 195.000,-- in te brengen, althans, indien de woning niet vrij en onbezwaard aan haar zou worden geleverd, ƒ 155.000,--. Zij vorderde na wijziging van eis bij akte van 4 september 2002 afgifte van het legaat primair tegen inbreng van ƒ 175.000,-- en subsidair tegen inbreng van ƒ 200.000,--, telkens onder gehoudenheid om de hypothecaire schuld over te nemen en als eigen schuld te voldoen. De rechtbank heeft [verweerders] veroordeeld tot afgifte van het huis, zulks onder gehoudenheid van [eiseres] om de daarop rustende hypotheekschuld over te nemen en als eigen schuld te voldoen en voorts om aan de nalatenschap € 90.756,04 (ƒ 200.000,--) te voldoen.

3.2.2 [Verweerders], met uitzondering van [betrokkene 3], zijn met hun derde grief opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat bij de door [eiseres] in te brengen waarde van de woning moet worden uitgegaan van de waarde op de datum van het overlijden van de erflater. Het hof heeft deze grief gehonoreerd en de vorderingen van [eiseres] alsnog afgewezen. Hetgeen het hof daartoe overwoog, kan, voorzover in cassatie van belang, als volgt worden samengevat.

Volgens [eiseres] heeft zij zich vanaf het overlijden van de erflater op het standpunt gesteld dat zij koos voor afgifte van het legaat van het huis tegen inbreng van de waarde daarvan. Partijen konden het echter niet eens worden over de voorwaarden waaronder een en ander diende te geschieden. Aangezien [eiseres] zelf stelt dat zij destijds bereid was de inbrengwaarde aan [verweerders] af te staan, beperkte de door haar bedoelde onenigheid tussen partijen zich tot (i) de waarde van het huis op het tijdstip van overlijden van de erflater en (ii) de vraag of, en zo ja in hoeverre, de hypotheek van ƒ 40.000,-- in mindering diende te komen op het in te brengen bedrag. (rov. 3.2)

Met betrekking tot de waarde van het huis op de datum van het overlijden van de erflater heeft [eiseres] zich tot in deze procedure op het standpunt gesteld dat die ƒ 195.000 bedroeg; zij baseerde zich daarbij op een in verband met de successieaangifte uitgevoerde taxatie. (rov. 3.3)

De rechtbank heeft de waarde per datum overlijden vastgesteld op ƒ 220.000,--, mede op basis van het taxatierapport van [A] Makelaardij. Dat de rechtbank dat mede heeft gedaan op de grond dat [eiseres] zich bereid had verklaard tot betaling van dat bedrag, neemt niet weg dat het hof van oordeel is dat als vaststaand kan worden aangenomen dat de steeds door [eiseres] voorgestane waarde van ƒ 195.000,-- niet als reëel viel en valt aan te merken. (rov. 3.4)

Met betrekking tot de hypotheek heeft [eiseres] zich tot in deze procedure op het standpunt gesteld dat die - zou die op het huis blijven rusten - geheel in mindering diende te strekken op de door haar in te brengen waarde. Eerst ter gelegenheid van de voortgezette pleidooien in eerste aanleg heeft [eiseres] aanvaard dat de helft van die schuld voor haar rekening kwam. [Verweerders] hebben zich steeds op het standpunt gesteld dat de schuld voor 50% aan [eiseres] toebedeeld diende te worden, waarbij zij zich baseerden op een schuldbekentenis en op de hypotheekakte. [Eiseres] heeft geen argumenten aangevoerd op grond waarvan ondanks die bescheiden de schuld niet voor de helft aan haar zou moeten worden toebedeeld. (rov. 3.5)

Het hof heeft vervolgens overwogen:

"3.6 Tegen deze achtergrond en gelet voorts op de tijd die inmiddels is verlopen sinds het overlijden van de erflater alsmede op het feit dat [eiseres] steeds, in feite als vruchtgebruiker, in het huis is blijven wonen, acht het hof het in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid dat de waarde van het huis die [eiseres] dient in te brengen om de eigendom daarvan te verkrijgen vastgesteld zou worden op de waarde per datum van overlijden van de erflater. Dat zou mogelijk anders liggen indien aanleiding zou bestaan te oordelen dat het in overwegende mate aan [verweerders] is toe te rekenen dat het ter zake van de onderhavige punten niet tot een vergelijk is gekomen, maar een zodanige aanleiding ziet het hof niet. (...)".

3.3.1 Het middel - dat in elf onderdelen uiteenvalt - komt op tegen het oordeel van het hof dat het in het onderhavige geval in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid om de in te brengen waarde van het huis vast te stellen op de waarde per datum van overlijden van de erflater.

3.3.2 De klacht van onderdeel 2 - onderdeel 1 bevat een inleiding - dat het hof heeft miskend dat regel is dat als peildatum voor de vaststelling van de inbrengwaarde van een gelegateerd goed de datum van overlijden van de erflater geldt, kan niet tot cassatie leiden omdat, blijkens rov. 3.6, ook het hof - terecht - van deze regel is uitgegaan. Voorzover het onderdeel betoogt dat die regel door de (derogerende werking van de) redelijkheid en billijkheid slechts kan worden opzijgezet indien komt vast te staan dat de vertraging in de afgifte van het legaat uitsluitend, althans in hoofdzaak is toe te schrijven aan (verwijtbare) gedragingen van de legataris, faalt het omdat dit betoog in zijn algemeenheid geen steun vindt in het recht. Voorzover het onderdeel klaagt dat het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op het enkele tijdsverloop sinds de datum van het overlijden van de erflater, kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft immers ook andere omstandigheden aan zijn oordeel ten grondslag gelegd.

3.3.3 Onderdeel 4 - onderdeel 3 bevalt een inleiding - klaagt over onbegrijpelijkheid van rov. 3.2 waarin het hof heeft overwogen dat de door [eiseres] bedoelde onenigheid tussen partijen zich beperkte tot 1) de waarde van het huis op het tijdstip van overlijden van de erflater en 2) de vraag of, en zo ja in hoeverre, de hypothecaire schuld op het in te brengen bedrag in mindering diende te komen. Het onderdeel faalt nu het aangevallen oordeel berust op een aan het hof voorbehouden, niet onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken.

3.3.4 Onderdeel 5 komt op tegen het oordeel van het hof (rov. 3.3-3.4) dat de door [eiseres] voorgestane waarde van ƒ 195.000,-- geen reële waarde was. Het hof heeft overwogen dat [eiseres] haar standpunt omtrent de waarde van het huis baseerde op een taxatie die was verricht ten behoeve van de successie-aangifte en heeft daarbij betekenis toegekend aan die aard van de taxatie. Hiermee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat die waarde voor de hier aan de orde zijnde vraag niet kan worden gezien als de vrije verkoopwaarde. Het hof heeft voorts overwogen dat de rechtbank de waarde heeft vastgesteld op ƒ 220.000,--. In het licht van deze overwegingen is het oordeel van het hof dat de waarde van ƒ 195.000,-- geen reële waarde was, niet onbegrijpelijk, zodat de klacht faalt.

3.3.5 Onderdeel 6 klaagt over het oordeel van het hof (rov. 3.5) dat [eiseres] geen argumenten heeft aangevoerd ter ondersteuning van haar - tot de pleidooien in eerste aanleg volgehouden - standpunt dat de hypothecaire schuld van ƒ 40.000,-- niet voor haar rekening diende te komen. Dit oordeel moet aldus worden verstaan dat [eiseres] tegenover de consequente, gemotiveerde en gedocumenteerde stellingname van [verweerders] dat de hypothecaire schuld voor de helft voor rekening van [eiseres] diende te komen, geen steekhoudende argumenten heeft aangevoerd die tot een andere verdeling van de schuld zouden moeten leiden. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, zodat ook dit onderdeel geen doel treft.

3.3.6 Onderdeel 7 klaagt tevergeefs over de overweging (rov. 3.6) dat [eiseres] steeds, in feite als vruchtgebruiker, in het huis is blijven wonen. Het hof heeft met deze overweging tot uitdrukking gebracht dat [eiseres] vanaf het overlijden van de erflater de woning om niet in gebruik heeft gehad, terwijl zij niet voor het vruchtgebruik van de woning heeft gekozen en de afgifte van het legaat nog niet is geëffectueerd en zij dus ook de waarde nog niet heeft ingebracht.

3.3.7 Onderdeel 8 houdt in dat de door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden niet het oordeel kunnen dragen dat als peildatum heeft te gelden de datum van daadwerkelijke afgifte van het legaat. Deze klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, nu het hof heeft geoordeeld dat het in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid de inbrengwaarde van het huis vast te stellen op de waarde per datum van overlijden van de erflater en niet dat die inbrengwaarde moet worden gesteld op de waarde bij afgifte van het legaat.

Ook voorzover het onderdeel klaagt dat de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende zijn om een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid te dragen, treft het geen doel. Het oordeel van het hof geeft, gelet op de omstandigheden waarop dit is gebaseerd en ook mocht worden gebaseerd, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat het voor het overige niet op juistheid kan worden onderzocht; het is ook niet onbegrijpelijk.

3.3.8 Onderdeel 9 kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden voorzover het klaagt dat het hof heeft geoordeeld dat de vertraging in de afgifte van het legaat uitsluitend of hoofdzakelijk is toe te schrijven aan een verwijtbare of onredelijke opstelling van [eiseres]. Het hof heeft dit immers niet geoordeeld. In het verlengde hiervan faalt ook de klacht dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het van oordeel is dat de opstelling van [eiseres] zodanig laakbaar is dat daardoor het door [verweerders] gedane beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid gegrond moet worden geacht.

3.3.9 De onderdelen 10 en 11 zijn tevergeefs voorgesteld omdat zij zich richten tegen een overweging die de beslissing van het hof niet draagt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 362,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 13 april 2007.