Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ8376

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2007
Datum publicatie
03-04-2007
Zaaknummer
01582/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ8376
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. AG gaat in op klachten tegen het gebruik van een samenvattend/compilatie-pv. HR doet die klachten af met art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 248
RvdW 2007, 391

Uitspraak

3 april 2007

Strafkamer

nr. 01582/06

EC/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 5 januari 2005, nummer 21/001085-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 13 februari 2003 - de verdachte ter zake van 1. "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven" en

2. "feitelijk leiding geven aan de verboden gedraging: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest ten aanzien van de opgelegde straf, tot strafvermindering en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het eerste tot en met het zevende middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het achtste middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

4.2. De verdachte heeft op 14 januari 2005 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 13 juni 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

Vermindert deze in die zin dat deze een jaar en tien maanden beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, W.A.M. van Schendel, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 april 2007.