Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ7904

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
C06/013HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ7904
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2005:AX8901, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; vordering tot terugneming uit gemeenschap (reprise). Geschil tussen voormalige echtelieden bij verdeling van huwelijksgemeenschap over verrekening van door de vrouw aangewende gelden uit nalatenschap en verdeling van de inboedel; gebrekkige motivering.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 330
RvdW 2007, 494
NJB 2007, 1120
JWB 2007/170
JPF 2007/74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 mei 2007

Eerste Kamer

Nr. C06/013HR

MK/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[De man],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. A.L. Kruijmer,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. K.T.B. Salomons.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij exploot van 20 maart 2001 eiser tot cassatie - verder te noemen: de man - gedagvaard voor de rechtbank te Roermond en gevorderd, voorzover in cassatie van nog belang, te verstaan dat zij het bedrag van ƒ 263.823,-- ter zake van de erfenis verkrijgt alvorens tot scheiding en deling van de ontbonden gemeenschap kan worden overgegaan en om partijen te veroordelen over te gaan tot verdeling van de goederengemeenschap en de verdeling overeenkomstig haar voorstel vast te stellen.

De man heeft de vordering bestreden en bij conclusie van antwoord in conventie tevens een eis in reconventie ingesteld.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 21 juni 2001 een comparitie van partijen gelast. Bij eindvonnis van 31 oktober 2002 heeft de rechtbank in conventie en in reconventie voor recht verklaard dat in aanvulling op de in het proces-verbaal van 14 september 2001 tussen partijen vastgestelde verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen partijen ter zake van verrekening de man aan de vrouw dient te voldoen het bedrag van € 56.398,02, vermeerderd met wettelijke rente.

Tegen dit eindvonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 13 september 2005 heeft het hof in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd, met dien verstande dat op het bedrag van € 56.398,02 een bedrag van € 310,06 in mindering wordt gebracht en het vonnis in zoverre vernietigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In deze procedure over de verdeling van een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap heeft de vrouw het standpunt ingenomen dat zij staande huwelijk geld van haar ouders heeft geërfd, dat terzake in totaal een bedrag van ƒ 263.823,-- aan haar is uitgekeerd, dat de geërfde gelden krachtens testamentaire beschikking van de erflaters niet in de huwelijksgoederengemeenschap zijn gevallen, dat die gelden zijn aangewend voor een verbouwing van de, wel in die gemeenschap vallende, echtelijke woning en dat haar daarom een uitkering van ƒ 263.823,-- uit de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap toekomt alvorens tot verdeling daarvan kan worden overgegaan. Ter comparitie bij de rechtbank op 14 september 2001 hebben partijen overeenstemming bereikt ten aanzien van een groot aantal geschilpunten inzake de toedeling. Zij bleven het oneens over de vraag hoe de door de vrouw geërfde gelden in de verdeling moesten worden betrokken en over de verdeling van de inboedel van de woning.

3.2 In haar eindvonnis oordeelde de rechtbank dat de vrouw met geërfd geld voor een bedrag van ƒ 103.770,-- heeft bijgedragen aan de verbouwing en dat dit leidt tot verrekening van de man aan de vrouw van ƒ 103.770,--. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de saldi van de beleggingsrekeningen (totaal ƒ 11.029,75), die partijen bij helfte hebben verdeeld, tot het privé-vermogen van de vrouw behoorden, en dat dit leidt tot verrekening van de man aan de vrouw van ƒ 5.514,88. Ten slotte oordeelde de rechtbank dat de man bij de, door de rechtbank bepaalde, verdeling van de inboedel overbedeeld is en dat de man ter verrekening daarvan ƒ 15.000,-- aan de vrouw zal moeten voldoen. Bij de verdeling van de opbrengst van de woning zal, aldus de rechtbank, mede moeten worden betrokken dat de man aan de vrouw dient te voldoen het bedrag van ƒ 103.770,-- + ƒ 5.514,88 + ƒ 15.000,-- = € 56.398,02. In het dictum van haar eindvonnis verklaarde de rechtbank voor recht dat in aanvulling op de in het proces-verbaal van 14 september 2001 vastgestelde verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap de man ter zake van verrekening aan de vrouw dient te voldoen het bedrag van € 56.398,02, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het vonnis.

3.3 Het hof kwam tot hetzelfde oordeel met dien verstande dat het op het bedrag van € 56.398,02 een bedrag van € 310,06 in mindering bracht, omdat een van de beleggingsrekeningen niet tot het privévermogen van de vrouw maar tot de gemeenschap behoorde.

3.4 Het middel klaagt onder 4 dat de beslissing van het hof onvoldoende is gemotiveerd doordat het hof is voorbijgegaan aan het tweede gedeelte van grief 5b van het principaal appel waarin de man betoogde (a) dat de rechtbank een rekenfout maakte en dat voor de hand zou hebben gelegen dat de rechtbank had bepaald dat uit de overwaarde van de woning bedragen van ƒ 103.770,-- en ƒ 5.514,88 aan de vrouw zouden moeten worden betaald waarna het restant tussen partijen zou moeten worden verdeeld, en dat de man vervolgens uit het hem toegedeelde een bedrag van ƒ 15.000,-- aan de vrouw zou moeten voldoen ter zake van verrekening van de inboedel en (b) dat door toewijzing van bedragen van ƒ 103.770,-- en ƒ 5.514,88 als door de man aan de vrouw te betalen, de vrouw een te hoog bedrag ontvangt, nu zij de helft van die bedragen reeds heeft ontvangen uit haar aandeel in de overwaarde van de, inmiddels verkochte, woning.

Deze klacht is gegrond. Het hof had behoren in te gaan op dit betoog van de man dat in wezen aan de orde stelt dat het door de rechtbank in het dictum van haar eindvonnis bedoelde bedrag, althans het grootste deel daarvan, bestaat uit een reprise die niet door hem, maar uit de goederen van de ontbonden goederengemeenschap aan de vrouw behoort te worden vergoed, alvorens die bij helfte wordt verdeeld.

3.5 Gegrondbevinding van deze klacht brengt mee dat het arrest niet in stand kan blijven en de overige in het middel aangevoerde klachten geen behandeling behoeven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 september 2005;

verwijst het geding naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 4 mei 2007.