Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ7777

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
06-03-2007
Zaaknummer
02588/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ7777
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

ISD-maatregel. Gelet op de wetsgeschiedenis is ’s hofs oordeel om geen rekening te houden met de in voorafgaande detentie doorgebrachte tijd teneinde de behandelmogelijkheden niet te doorkruisen, juist. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk gelet op hetgeen het hof omtrent de persoon van verdachte heeft vastgesteld (o.m. langdurige verslaving aan hard drugs) en in aanmerking genomen dat verdachte heeft geweigerd aan een rapportage omtrent zijn persoon mee te werken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 38m
Wetboek van Strafrecht 38n
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 155
NJ 2007, 165
RvdW 2007, 327
NJB 2007, 778
NBSTRAF 2007/150
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 maart 2007

Strafkamer

nr. 02588/06

EC/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 juni 2006, nummer 22/001138-06, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haaglanden", locatie Zoetermeer.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 13 februari 2006 - de verdachte ter zake van "diefstal" strafbaar verklaard en aan hem de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren opgelegd.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.J.A.E. Rijssenbeek, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het vierde middel

4.1. Het middel klaagt over de oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders en behelst meer in het bijzonder de klacht dat het Hof bij het opleggen van die maatregel ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de tijd die de verdachte in voorafgaande detentie heeft doorgebracht.

4.2. Het Hof heeft de oplegging van de maatregel als volgt gemotiveerd:

"Het hof heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal. Dit is een feit, dat doorgaans naast ergernis ook financiële schade voor de slachtoffers met zich meebrengt.

Het door de verdachte begane feit betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 14 april 2006 vele malen is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen.

In de vijf jaren voorafgaande aan het door hem begane strafbare feit is verdachte vele malen - aanzienlijk meer dan drie maal - wegens vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Het thans bewezenverklaarde strafbare feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Voorts moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een soortgelijk misdrijf zal begaan. Het hof heeft in dat verband in aanmerking genomen -in onderling verband en samenhang bezien- dat de verdachte niet over enige inkomstenbron beschikt en -buiten perioden van detentie- niet de zekerheid heeft van een enigszins vaste verblijfplaats.

De door de verdachte begane strafbare feiten leiden steeds weer tot overlast voor de samenleving en tot overlast voor de direct getroffenen.

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is voldoende komen vast te staan dat de verdachte een afhankelijkheid bezit ten aanzien van één of meer middelen vermeld op lijst 1 behorende bij de Opiumwet. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg zelf verklaard dat hij heroïne en cocaïne blijft gebruiken zo lang hij leeft omdat hij het lekker vindt. De enkele omstandigheid dat de verdachte thans bijna acht maanden gedetineerd zit doet hieraan, gelet op de langdurige verslaving van de verdachte aan hard drugs voorafgaande aan deze detentie, niet af.

De hiervoor bedoelde veroordelingen ter zake van misdrijven, het thans bewezenverklaarde feit en de omstandigheid dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat hij wederom een misdrijf zal begaan, hangen kennelijk samen met verdachtes verslaving.

Omtrent de verdachte is voorts op 23 december 2005 gerapporteerd door R. Feraaune, reclasseringswerker, ten behoeve van de ISD-maatregel betreffende de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte wegens weigeringen zijnerzijds nimmer substantieel contact heeft onderhouden met de reclassering. De reclassering heeft de afgelopen jaren weliswaar een aantal kortdurende contacten gehad met de verdachte, echter zonder dat dit heeft geleid tot een behandelingstraject. Nu de verdachte weigert mee te werken aan het opmaken van het maatregelrapport ISD, noch bij de reclassering iets bekend is over de verdachte over de afgelopen vijf jaar, ziet de rapporteur geen mogelijkheden om een gedegen advies neer te leggen over het opleggen van de ISD-maatregel.

De raadsman heeft bij pleidooi aangevoerd dat de vordering tot het opleggen van de ISD-maatregel moet worden afgewezen omdat er onvoldoende informatie beschikbaar is over de achtergrondproblematiek van de verdachte -zoals eventuele psychiatrische problematiek- om tot het opleggen van de maatregel te kunnen komen. Het hof is evenwel van oordeel dat op basis van hetgeen zich in het onderhavige dossier bevindt, alsmede van hetgeen is verhandeld ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, het hof voldoende is voorgelicht omtrent de verdachte om tot de hierna op te leggen maatregel te kunnen komen.

De verdachte heeft te kennen gegeven geen ISD-maatregel te willen ondergaan.

De vele tot op heden aan de verdachte opgelegde strafrechtelijke sancties hebben er echter niet toe geleid dat hij zijn gedrag heeft veranderd.

Het hof meent dat - gelet op de door de verdachte steeds weer veroorzaakte overlast en schade - het maatschappelijk belang dient te prevaleren boven de persoonlijke wensen van verdachte. De veiligheid van goederen vereist, mede gelet op al hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de maximale duur van twee jaren.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de maatregel mede beoogt een bijdrage te leveren aan de oplossing van de verslavingsproblematiek van de verdachte ten behoeve van zijn terugkeer in de samenleving en de beëindiging van zijn recidive.

Het hof is zich ervan bewust dat een mogelijk gebrek aan motivatie niet de meest gunstige uitgangspositie oplevert om aan het programma te beginnen. Anderzijds echter behoeft een initiële afwezigheid van motivatie, zeker bij een deskundige aanpak, geen statisch gegeven te zijn.

Het gaat het hof in elk geval te ver om op voorhand ervan uit te gaan dat een ISD-plaatsing met het oog op gedragsverandering zinloos zal zijn, een conclusie die inmiddels ten aanzien van de verdachte wel lijkt te kunnen worden getrokken als het gaat om het opleggen van gevangenisstraffen van enige duur.

Het hof ziet, anders dan door de raadsman is bepleit, af van toepassing van artikel 38n tweede lid van het Wetboek van Strafrecht om de behandelmogelijkheden in het kader van de op te leggen maatregel niet te doorkruisen."

4.3.1. Art. 38n, tweede lid, Sr luidt als volgt:

"Bij het bepalen van de duur van de maatregel kan de rechter rekening houden met de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis, in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting voor klinische observatie bestemd ingevolge een bevel tot observatie, is doorgebracht."

4.3.2. De maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is ingevoerd bij de Wet van 9 juli 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Penitentiaire beginselenwet (plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders) (Stb. 2004, 351), in werking getreden op 1 oktober 2004. De maatregel vervangt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor de strafrechtelijke opvang van verslaafden, welke maatregel was ingevoerd bij de Wet van 21 december 2000 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechterlijke organisatie en de Penitentiaire beginselenwet (strafrechtelijke opvang verslaafden) (Stb. 2001, 28). Bij die wet is tevens ingevoerd art. 38n Sr dat bij de invoering van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders niet is gewijzigd.

4.3.3. De Memorie van Toelichting bij de Wet van 21 december 2000 (Stb. 2001, 28) houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De verwachting is gerechtvaardigd dat ten minste binnen een termijn van twee jaren de noodzakelijke voorwaarden kunnen worden geschapen voor een succesvol verloop van het resocialisatieproces. Binnen deze termijn zal het nodige in gang kunnen worden gezet: het leren om te gaan met mensen (sociale vaardigheden), het leren om zich staande te houden (scholing, werk, huisvesting) en het leren om de zaken in financieel opzicht op orde te krijgen en te houden. Maximering betekent niet dat na het einde van de maatregel ook de begeleiding een einde neemt. Sommigen zullen (in de eerste periode) met begeleiding op afstand toekunnen. Anderen zullen ook na die periode nog in een beschermde omgeving verblijven.

Het is van groot belang dat de tijd gedurende welke de maatregel ten uitvoer wordt gelegd, voldoende is om dit resocialisatieproces alle kansen te geven. Dat betekent dat niet is voorgeschreven dat de tijd die de verdachte voorafgaand aan de opvang in preventieve hechtenis heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de duur van de maatregel. Wel kan de rechter rekening houden met de duur van de voorlopige hechtenis en daarmee dus met de wijze waarop die heeft plaatsgevonden. Een en ander betekent intussen wel dat de tijd tussen inverzekeringstelling en berechting zo kort mogelijk dient te zijn. Daarvoor is nodig dat de rapportage op korte termijn beschikbaar is. Dat is mogelijk, omdat over de verdachte en zijn eventuele geschiktheid voor opvang in de regel reeds het nodige bekend zal zijn. Daarvoor is voorts nodig dat tussen openbaar ministerie en de strafrechter afspraken worden gemaakt over een spoedige afdoening van zaken." (Kamerstukken II 1997-1998, 26 023, nr. 3, blz. 19)

4.3.4. In de Nota naar aanleiding van het nader verslag is met betrekking tot de voorgestelde facultatieve aftrek van voorafgaande detentie het volgende opgenomen:

"De leden van de fracties van de PvdA, D66 en GroenLinks gingen in op de bevoegdheid om bij het opleggen van de SOV rekening te houden met de duur van de voorlopige hechtenis en de wijze waarop deze is ondergaan. Deze bevoegdheid geeft de rechter de mogelijkheid om een beslissing te nemen die recht doet aan de persoon van de dader en de concrete omstandigheden. Het gelijkheidsbeginsel zou in het geding zijn, indien de rechter niet over de bevoegdheid zou beschikken om met de voorlopige hechtenis rekening te houden. Dan zou de duur van de SOV ten aanzien van een tot een SOV veroordeelde persoon die gedurende een korte periode in voorlopige hechtenis heeft gezeten, altijd langer zijn dan de duur van de SOV ten aanzien van een persoon die gedurende langere tijd in preventieve hechtenis heeft gezeten.

De rechter zal niet kiezen voor aftrek van (een deel van) de voorlopige hechtenis, als hij mede op grond van deskundige advisering tot het oordeel komt dat een SOV van kortere duur minder effect zal sorteren. Ik acht een verplichte aftrek niet wenselijk. Dat zou betekenen dat de duur van de SOV beslissend wordt bepaald door de duur van de voorlopige hechtenis. Het gaat erom dat de SOV optimaal kan bijdragen aan overlastbestrijding en de oplossing van de individuele verslavingsproblematiek. Een verplichte aftrek zal afbreuk doen aan de effectiviteit van de SOV. Ik realiseer mij dat deze keuze verplichtingen met zich meebrengt: een vlotte behandeling van SOV-zaken in eerste aanleg en in hoger beroep, en het scheppen van condities tijdens de voorlopige hech-tenis die een goede tenuitvoerlegging van een eventueel op te leggen SOV kunnen faciliteren." (Kamerstukken II 1998-1999, 26 023, nr. 8, blz. 28)

4.3.5. De Minister van Justitie heeft vervolgens tijdens de behandeling van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer over de facultatieve aftrek van de voorafgaande detentie het volgende opgemerkt:

"Een verplichte aftrek verdraagt zich niet met het karakter van de strafrechtelijke maatregel. Aan het welslagen van een maatregel - in casu de SOV - wordt afbreuk gedaan als de tijd die nodig is om de maatregel op zinvolle en effectieve wijze ten uitvoer te leggen, niet beschikbaar is. Het moet niet van het al dan niet aanwenden van een rechtsmiddel afhangen wat de duur van de SOV zal zijn. Het is denkbaar dat verdachten bij de beoordeling van de vraag of het instellen van hoger beroep zinvol is, de regeling van artikel 38n, tweede lid, mede zullen betrekken." (Kamerstukken I 1999 - 2000, 26 023, nr. 215b, blz. 13)

4.4. Gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis getuigt het oordeel van het Hof om geen rekening te houden met de in voorafgaande detentie doorgebrachte tijd teneinde de behandelmogelijkheden niet te doorkruisen niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk gelet op hetgeen het Hof omtrent de persoon van de verdachte heeft vastgesteld en in aanmerking genomen dat de verdachte heeft geweigerd aan een rapportage omtrent zijn persoon mee te werken. Ook overigens heeft het Hof de oplegging van de maatregel toereikend gemotiveerd.

4.5. Het middel faalt.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 6 maart 2007.