Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ7747

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
27-03-2007
Zaaknummer
01574/06 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ7747
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Het onderdeel van de Wet aanpassing ontnemingswetgeving m.b.t. de art. 36e Sr en 577b Sv in hun samenhang beschouwd, gaat vooral om de vraag in welke fase van het geding en onder welke omstandigheden de draagkracht met vrucht aan de orde kan worden gesteld. In beginsel dient de draagkracht aan de orde te worden gesteld in de executiefase. Daarbij geldt niet meer de voorheen bestaande beperking dat de omstandigheden waarop betrokkene zich beroept, zich na de uitspraak in het ontnemingsgeding moeten hebben voorgedaan of dat deze de rechter t.t.v. de uitspraak niet of niet volledig bekend waren (vgl. HR NJ 2005, 408). In het ontnemingsgeding kan de draagkracht alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld indien aanstonds duidelijk is dat betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Door te overwegen dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat betrokkene geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben heeft het hof het gevoerde verweer op toereikende gronden verworpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36e
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 577b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 220
NJ 2007, 195
RvdW 2007, 370
JOW 2007, 20
NBSTRAF 2007/165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 maart 2007

Strafkamer

nr. 01574/06 P

KM/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 11 juli 2005, nummer 24/000802-04, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Leeuwarden van 8 juni 2004 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 21.825,05.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. A.M.R. van Ginneken, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft het bedrag van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering van dat bedrag en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel klaagt over de verwerping van een gevoerd draagkrachtverweer.

4.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Het hof verwerpt het gevoerde draagkrachtverweer. Vooralsnog is het niet aannemelijk geworden dat de veroordeelde geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben (mede gelet op de verjaringstermijn). Weliswaar heeft veroordeelde momenteel zelf geen inkomen en zal zij - gezien haar psychische toestand - wellicht in de toekomst problemen ondervinden om inkomsten te verwerven, aannemelijk is geworden dat er vermogensbestanddelen bestaan waaruit de vordering kan worden voldaan. Er is derhalve onvoldoende grond om de vordering te matigen of af te wijzen."

4.3.1. Op 1 september 2003 is de Wet van 8 mei 2003 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (aanpassing ontnemingswetgeving) - verder te noemen: de Wet aanpassing ontnemingswetgeving - in werking getreden. Hierbij zijn onder meer de regels die betrekking hebben op draagkrachtverweren - de art. 36e, vierde lid, Sr en art. 577b Sv - gewijzigd.

4.3.2. De Memorie van Toelichting houdt ten aanzien van de regels met betrekking tot draagkrachtverweren onder meer in:

"De rechter dient zich dus volgens de huidige rechtspraak voorafgaande aan de executiefase al een beeld van de draagkracht te vormen en anticiperend te oordelen op de financiële positie van de veroordeelde achteraf. Naar mijn opvatting komt voor de executie aan de financiële positie van de veroordeelde eveneens aanzienlijk gewicht toe. Voorgesteld wordt, in het licht van het voorgaande, om enerzijds artikel 577b, vierde lid, Sv te laten vervallen en om anderzijds artikel 36e, vierde lid, Sr aan te vullen. Daardoor is de bevoegdheid tot matiging in de executiefase niet langer beperkt tot de omstandigheden die zich na de uitspraak hebben voorgedaan, of die ten tijde daarvan niet, of niet volledig, aan de rechter bekend waren.

Met de voorgestelde wijziging van artikel 36e, vierde lid, is beoogd bij het oordeel over de draagkracht van betrokkene niet op de omstandigheden vooruit te lopen. Uitsluitend in die gevallen waarin vooraf al vaststaat dat de betrokkene een eventueel op te leggen bedrag in de toekomst niet zal kunnen betalen, zou de rechter, om later dubbel werk te voorkomen, gebruik kunnen maken van zijn matigingsbevoegdheid. Uit het oogpunt van proceseconomie heeft het in een dergelijk geval geen zin de rechter achteraf nogmaals te laten constateren hetgeen hij vooraf al kon voorzien."

(Kamerstukken II 2001-2002, 28 079, nr. 3, blz. 16)

4.4. Het onderdeel van de Wet aanpassing ontnemingswetgeving met betrekking tot de art. 36e Sr en 577b Sv in hun samenhang beschouwd, gaat vooral om de vraag in welke fase van het geding en onder welke omstandigheden de draagkracht met vrucht aan de orde kan worden gesteld.

In beginsel dient de draagkracht aan de orde te worden gesteld in de executiefase. Daarbij geldt niet meer de voorheen bestaande beperking dat de omstandigheden waarop de betrokkene zich beroept, zich na de uitspraak in het ontnemingsgeding moeten hebben voorgedaan of dat deze de rechter ten tijde van de uitspraak niet of niet volledig bekend waren (vgl. HR 31 mei 2005, LJN AT2729, NJ 2005, 408). In het ontnemingsgeding kan de draagkracht alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben.

4.5. Door te overwegen dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben, heeft het Hof het gevoerde verweer op toereikende gronden verworpen.

4.6. Het middel faalt derhalve.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

5.2. De betrokkene heeft op 19 juli 2005 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 18 mei 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

Vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 21.000,- bedraagt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 27 maart 2007.