Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ7743

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
01407/06 A
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ7743
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen. Onbegrijpelijk is hoe het hof, zonder nadere motivering, de verklaring van verdachte, inhoudende dat X, Y en Z de overval hebben gepleegd en dat zij daarna naar de woning van verdachte zijn gekomen, redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring, inhoudende dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander voornoemde overval heeft gepleegd. De bewezenverklaring is niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 218
RvdW 2007, 373
NJB 2007, 905
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 maart 2007

Strafkamer

nr. 01407/06 A

ZK/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 31 januari 2006, nummer H-2005/205, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring op Curaçao (Nederlandse Antillen).

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats te Curaçao, van 24 juni 2005 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1 subsidiair "medeplegen van poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken", 2. "medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken", 3. "medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, meermalen gepleegd", 4. "medeplegen van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren", 5. "overtreding van het bij artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening 1930 gestelde verbod" en "medeplegen van overtreding van het bij artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening 1930 gestelde verbod, meermalen gepleegd" en 6. "overtreding van het bij artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening 1930 gestelde verbod" veroordeeld tot achttien jaren gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer zoals in het vonnis omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend voor zover het de beslissingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging betreft, en de zaak zal terugwijzen naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, opdat de zaak in zoverre op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, nu het Hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van een verklaring van de verdachte die niet redengevend is.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard:

"dat hij op 20 oktober 2004 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (gouden) armband en twee (gouden) vingerringen en een (gouden) halsketting en/of een dames handtas inhoudende ongeveer Naf. 470,-- en/of een mobiele telefoon (merk Nokia), toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd door hem, verdachte, met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, bestaande die bedreiging met geweld uit het opzettelijk een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, plaatsen aan het hoofd van die [slachtoffer 1]."

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

"Op 20 oktober 2004 omstreeks 1.30 uur hoorde ik alsof iemand bezig was aan mijn voordeur. Ik ging kijken en zag twee mannen voor mijn deur staan. Mijn huisdeur werd opengemaakt en de mannen kwamen naar binnen. Binnen plaatste de mij bekende man bijgenaamd [verdachte] een vuurwapen aan mijn hoofd. Ik weet dat het [verdachte] was, want op een gegeven moment had hij het t-shirt niet aan zijn gezicht en ik zag dat hij het was. [Verdachte] rukte mijn halsketting weg en haalde twee gouden ringen, die ik om had, weg. Ik zag hoe [verdachte] mijn telefoon en twee opladers had weggenomen uit de box van mijn zoontje. Ik ken [verdachte] heel goed.

Specificatie weggenomen goederen: een gouden armband, twee gouden vingerringen, een gouden halsketting, een bruine dameshandtas inhoudende ongeveer NAF 470,- en een mobiele telefoon van het merk Nokia."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als bevindingen van de verbalisanten:

"Wij hielden op 15 november 2004 een meerkeuzefotoconfrontatie met de aangeefster. Op de fotoconfrontatiekaart staan tien foto's, waartussen de foto van de verdachte [verdachte] als foto nummer 1.

Zonder te aarzelen wees de aangever foto 1 aan en verklaarde: ik herken de man op foto 1 als de mij bekende man bijgenaamd "[verdachte]" die mij heeft beroofd."

c. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Op de dag van de overval van 20 oktober 2004 zijn [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], die de overval hebben gepleegd, naar mijn woning gekomen op ongeveer twintig meter afstand van [slachtoffer 1]. In mijn woning ontstond er na de overval een discussie over de buit. [Medeverdachte 3] heeft me de weggenomen goederen laten zien."

3.4. Onbegrijpelijk is dat het Hof, zonder nadere motivering welke in de bestreden uitspraak ontbreekt, de hiervoor onder 3.3 onder c weergegeven verklaring van de verdachte, inhoudende dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de desbetreffende overval hebben gepleegd en dat zij daarna naar de woning van de verdachte zijn gekomen, redengevend heeft geacht voor de hiervoor onder 3.2 vermelde bewezenverklaring, inhoudende dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander voornoemde overval heeft gepleegd. De bewezenverklaring is daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.5. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit en de strafoplegging;

Verwijst de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 27 maart 2007.