Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ7732

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
01342/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ7732
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2005:AU8671, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het slachtoffer (een oudere man, aan wie hij had aangeboden te helpen bij het dragen van een zware boodschappentas naar diens huis) in diens woning doodgeschoten. Vlgs. eerdere verklaringen wilde hij de man beroven. Op de ttz in appel verklaart hij niet het oogmerk te hebben gehad om door de doodslag de diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken. Verdachte zou a.g.v. seksueel misbruik in zijn jeugd zijn “getriggered” door de openstaande gulp van het slachtoffer en uit kwaadheid het slachtoffer gericht hebben doodgeschoten. HR: Het hof heeft, zich baserend op een PBC-rapportage, het o.g.v. het onderzoek ttz onaannemelijk geacht dat de door en namens verdachte aangevoerde omstandigheden duiden op een affectief-defensieve reactie n.a.v. een vermeende seksuele “trigger”, het onwaarschijnlijk geacht dat een openstaande gulp voldoende “trigger” is geweest tot de gestelde impulsief reactieve daad van het doodschieten van het slachtoffer en ook de aanwezigheid van een vuurwapen, het afnemen van geld en het doorzoeken van de woning moeilijk inpasbaar geacht in het door verdachte opgeroepen beeld van een affectieve reactie om het gevaar te bezweren. Het hof heeft, zonder miskenning van het voorschrift van art. 359.2 Sv, voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht waarom het bij de selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal de inhoud van de ttz in appel afgelegde verklaring van verdachte in dit opzicht terzijde heeft gelaten en de inhoud van de eerder afgelegde verklaringen van verdachte voor het bewijs heeft gebezigd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 288
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 216
RvdW 2007, 372
NJB 2007, 903
NBSTRAF 2007/164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 maart 2007

Strafkamer

nr. 01342/06

DV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 december 2005, nummer 22/000171-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Penitentiair Complex "Scheveningen" te 's-Gravenhage.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 18 december 2003 - de verdachte ter zake van 1 primair "doodslag, gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken", 2 primair "verkrachting" en 3. "diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren" veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel betreft de bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde feit. Het middel klaagt dat het onder 1 primair bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat die bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, dan wel dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv niet gemotiveerd heeft beslist op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

3.2. Ten laste van de verdachte is, overeenkomstig de tenlastelegging, onder 1 primair bewezenverklaard dat:

"hij op 16 januari 2003 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een pistool één kogel in de borststreek van die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd van enig strafbaar feit, te weten diefstal van enig geldbedrag, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om die uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken."

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 18 februari 2005, voor zover inhoudende:

"Ik zag [slachtoffer 1] op straat lopen met een boodschappentas. Ik bood aan hem te helpen. Ik heb de tas naar zijn woning gebracht. In zijn woning pakte ik mijn wapen, laadde het door en ik schoot gewoon gericht op [slachtoffer 1]. Ik had de geluiddemper er eerst op geplaatst. Ik heb zijn portemonnee uit zijn zak gehaald en er een paar euro uitgehaald."

b. een bijlage bij een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik heb de tas neergezet. Ik vroeg of ik even naar de wc kon. Ik had het vuurwapen in mijn broek. Toen ik weer in de kamer kwam, haalde ik het pistool uit mijn broek en zei ik tegen de man: "Mag ik geld alsjeblieft?" Toen richtte ik op hem. Ik stond 50 centimeter van hem af. Ik heb de portemonnee van het slachtoffer op de tafel gelegd. Ik pakte het geld en ben weggegaan."

c. een sectierapport van het Ministerie van Justitie, Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door H.A. Tromp, arts en patholoog, voor zover inhoudende als relaas van deze deskundige:

"Bij de sectie op het lijk van [slachtoffer 1] is het navolgende gebleken:

Het lijk van een man met een inschot in de borst, schotkanaal verlopend van rechts naar links en rugwaarts en iets voetwaarts. Perforatie van de borstkas rechts voor, de 3e rib rechts voor, de rechter long (2x), het hartzakje rechts boven, verscheuring van de lichaamsslagader juist boven de oorsprong, perforatie van de rechter aftakking van de longslagader (2x), het hartzakje midden achter, verscheuring van de slokdarm, verscheuring van een deel van de lichaamsslagader, perforatie van de 9e rib links achter met een kogel in de weke delen van de rug aldaar.

Bij de sectie werd een inschot gezien in de borstkas met perforatie en verscheuring van weefsel, waaronder de lichaamsslagader en de longslagader. Dit letsel is bij leven ontstaan en verklaart het overlijden volledig door verbloeding en weefselschade.

Conclusie: bij [slachtoffer 1] is de dood ingetreden door verbloeding en weefselschade ten gevolge van een inschot in de borst."

d. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank te 's-Gravenhage, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik heb op 16 januari 2003 in Den Haag een oudere man aangeboden hem te helpen met het dragen van zijn tas. Toen we bij zijn woning kwamen, heeft die meneer de deur opengedaan. Op die manier kon ik ook binnenkomen. Ik wilde die man beroven.

Ik weet dat [betrokkene 1] het wapen bij de politie heeft ingeleverd. Ik had het in de schuur gelegd."

e. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Aan het bureau gaf op 23 januari 2003 een man op te zijn genaamd: [betrokkene 1]. Hij gaf aan dat hij vrijwillig een vuurwapen kwam inleveren. Het betrof een pistool, merk Makarov 9 mm. Ik nam het vuurwapen vervolgens in beslag."

f. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"In de kelderbox van mijn woning trof ik heden een vuurwapen aan. Ik had dat wapen nog nooit eerder gezien. Ik denk dat het vuurwapen afkomstig is van de broer van mijn vrouw. Hij heet [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) [verdachte]. [Verdachte] belde mij op mijn mobiele telefoon. Hij vroeg mij of ik iets gevonden had in mijn kelder. Ik heb gezegd dat ik een vuurwapen heb gevonden en het aan de politie heb gegeven. [Verdachte] zei hierop dat hij dan een probleem had, omdat hij het nog niet had betaald."

g. een rapport van het Ministerie van Justitie, Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door de deskundige T. Dijkman, voor zover inhoudende als relaas van deze deskundige:

"Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van het inleveren van een pistool in Den Haag op 23 januari 2003.

Het omgebouwde pistool [W1], merk Makarov, is geschikt voor het automatisch verschieten van pistoolpatronen kaliber 9 mm Browning Kort.

De volmantelkogel, volgnummer 5212, aangetroffen bij een schietincident in Den Haag op 16 januari 2003 waarbij [slachtoffer 1] om het leven kwam, is met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afgevuurd uit de loop van het pistool [W1]."

3.4.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 februari 2005 houdt als verklaring van de verdachte, voor zover hier van belang, in:

"De verklaringen die ik eerder heb gegeven over hetgeen in de woning van [slachtoffer 1] is gebeurd, kloppen niet. Door mijn onzekerheid over mijn sexuele geaardheid heb ik een verkeerde gang van zaken verteld. Het doodschieten van [slachtoffer 1] was een ongeluk. Ik kwam uit een koffieshop. Ik zag [slachtoffer 1] op straat lopen met een zware boodschappentas en ik bood aan hem te helpen. Ik heb de tas naar zijn woning gebracht. Ik vroeg om een glas water en of ik naar de wc mocht. Toen ik uit de wc kwam, had [slachtoffer 1] zijn gulp open en deed hij zijn riem los. Ik dacht toen dat hij sex met mij wilde hebben. Ik schrok en ik werd kwaad. In het verleden ben ik sexueel misbruikt. Ik pakte mijn wapen, laadde het door en ik schoot gewoon gericht op [slachtoffer 1]. Ik had de geluiddemper er eerst op geplaatst.

Om het te laten lijken op roof heb ik het slachtoffer omgedraaid en heb ik zijn portemonnee uit zijn zak gehaald. Ik heb er een paar euro uitgehaald. Ik heb rommel in de woning gemaakt.

Ik had elke dag mijn wapen bij mij. Ik had het in bewaring voor een vriend. Het wapen was niet doorgeladen. De geluiddemper had ik in mijn zak. Ik heb de geluiddemper toch niet gebruikt, ook al heb ik zoëven verklaard van wel."

3.4.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 februari 2005 houdt voorts, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De raadsman verzoekt aanhouding van de behandeling van de zaak en opname van de verdachte in het Pieter Baan Centrum voor rapportage.

De raadsman verklaart dat zich op pagina 71 van het technisch proces-verbaal een foto van het slachtoffer bevindt met zijn gulp en zijn riem open. De verdachte praat normaal alles van zich af, er zijn eindeloze videoverhoren geweest. Als het op sex komt dan slaat hij dicht. Het rapport van het Pieter Baan Centrum vermeldt dat er een gering verband is, omdat er weinig gegevens door verdachte zijn verstrekt. Impulsen hebben invloed op verdachte. Hij kan extreem reageren en wordt agressief. [Slachtoffer 1] was misschien gewend om thuis zijn gulp open te doen en zijn riem los te maken, maar de verdachte reageerde hierop.

(...)

Het hof onderbreekt hierop het onderzoek voor beraadslaging. Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede, dat het hof de behandeling zal aanhouden teneinde door het Pieter Baan Centrum, in verband met de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte over zijn sexuele geaardheid en de omstandigheden waaronder het eerste tenlastegelegde feit zich zou hebben voorgedaan, een aanvullend rapport omtrent de verdachte op te laten maken, waarbij betrokken dienen te worden de bevindingen van de behandelaars van de verdachte in FPC De Kijvelanden (...). De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rechter-commissaris in de rechtbank te 's-Gravenhage."

3.5. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 december 2005 gehechte pleitaantekeningen is aldaar door de raadsman, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd:

"2.1.2. Motief

Cliënt heeft het om het leven brengen van [slachtoffer 1] bekend. De reden dat het misging in de woning van [slachtoffer 1] heeft weinig tot niets met een beroving van doen.

Cliënt worstelt sinds zijn puberjaren met zijn seksuele identiteit. Tijdens het eerste persoonlijkheidsonderzoek in 't Nieuwe Loyd is dat al duidelijk (hierna daarover meer specifiek). Ook bij zijn verhoor naar aanleiding van de zaak [benadeelde partij 2] (p. 45 dossier [benadeelde partij 2] onderaan) komt dit duidelijk naar voren. Hij stelt ook daar nog 100% heteroseksueel te zijn en beroept zich verder op zijn zwijgrecht. In het PBC merkt men terecht op dat het feit rond [benadeelde partij 2] sterk homoseksueel gekleurd is. Cliënt kon of wenste daarover echter geen helderheid te verschaffen.

De verdediging meent dat de aanleiding tot de zaak [slachtoffer 1] eveneens moet worden gezocht in deze problematiek. Cliënt hielp [slachtoffer 1] met diens zware boodschappentas. Zonder bijbedoelingen en werkelijk omdat het hem een goed gevoel gaf oudere mensen te helpen. Ook bij zijn werk in de kapsalon had hij het erg naar zijn zin gehad, met name omdat mensen weer wat vertrouwen in hem leken te stellen. Hetgeen getuige [getuige 1] daarover verklaart is ook treffend. Ook in de rapportages van de Kijvelanden wordt cliënt als hulpvaardig getypeerd.

Op het moment dat cliënt bij [slachtoffer 1] thuis vroeg om gebruik te mogen maken van het toilet was er nog niets aan de hand.

Als hij daarna terugkomt van het toilet ziet hij dat [slachtoffer 1] zijn broek openmaakt en op hem toe komt lopen. Dit beeld heeft cliënt sterk in verwarring gebracht. Hij maakte onmiddellijk de associatie dat hij van doen had met een oude alleenstaande homoseksuele man die zijn vrijblijvende hulp bij het dragen van de boodschappentas misinterpreteerde en meer van hem verlangde.

Gevoelens van teleurstelling overmannen hem op dat moment. Hij dacht gewoon aardig te kunnen zijn tegen een oude man door hem te helpen. Cliënt vermoedt dat de oude man hem door heeft voor wat betreft zijn geaardheid en in hem door zijn aardige behulpzame gedrag een "homoseksueel" herkent. Dat wil hij niet. Cliënt raakt hiervan in een fractie van seconden stevig in de war en wordt kwaad over deze ontmaskering. In de plotseling opwellende woede trekt hij zijn pistool en schiet. [Slachtoffer 1] valt achterover op de grond.

De psychiater en de psycholoog van het PBC achten in het rapport van 12 augustus 2005 deze situatie van een zogeheten 'arousal-reactie verklaarbaar, maar gelet op de oude rapportages over cliënts gedrag niet de meest waarschijnlijke.

Op p. 35 wordt geschreven:

"Vanuit de instrumentele, opportunistische kant bij betr. is er een kans dat hij zich hernomen heeft na het doden van het slachtoffer en alsnog de bezittingen heeft geroofd. Vanuit dezelfde psychopathiforme sturing kan betr. evenzeer een geplande roofactie met dodelijke afloop hebben ondernomen."

Belangrijk is te constateren dat de deskundigen blijkens de PBC-rapportage niet uitsluiten dat het zo gegaan is als cliënt stelt.

Cliënt stelt dat hij is geschrokken van zijn daad en zoekt naar een "meer neutrale" verklaring voor hetgeen gebeurd is. Hij neemt zich de dood van [slachtoffer 1] onmiddellijk zeer kwalijk. Hij besluit dat "iets seksueels" laat staan iets "homoseksualiteit gerelateerds" niet het motief mag zijn. Dat kan hij zichzelf niet verkopen.

Hij pakt een glas water in de keuken, wordt rustiger en denkt na. Zijn eigen homoseksueel getinte interpretatie van [slachtoffer 1] gedrag verdringende, besluit hij dat het moet lijken op een roofmoord. Minder raar, meer alledaags.

Hij draait [slachtoffer 1] om (zie ook het technisch rapport over het bloedspoor op de vloerbedekking) doorvoelt zijn zakken, waarna hij hem terugdraait. De buit is verwaarloosbaar, maar doet in feite ook niet ter zake. Cliënt beschikte zelf op dat moment over voldoende contanten. Om de ware reden voor het delict te verdoezelen haalt cliënt in hoog tempo het huis overhoop. Zonder verder nog iets mee te nemen vertrekt hij kort daarna.

(...)

2.1.3. Voorbedachte raad 289 Sr en oogmerk 288 Sr niet bewezen

De verdediging meent dat doodslag op [slachtoffer 1] bewezen kan worden. Van voorbedachte raad is evenwel geen sprake. Niet blijkt van rustig overleg of koel beraad.

De mogelijkheid dat cliënt om een andere reden op [slachtoffer 1] heeft geschoten dan om hem vervolgens gemakkelijker te kunnen beroven is volledig opengebleven. Het wettig en overtuigend bewijs dat cliënt het oogmerk had om door [slachtoffer 1] om het leven brengen de uitvoering van een vermogensdelict voor te bereiden en/of mogelijk te maken ontbreekt daarmee.

(...)

Er bestaat derhalve onvoldoende bewijs voor doodslag in de gekwalificeerde vorm nu het motief voor het om het leven brengen van [slachtoffer 1] vermoedelijk niet in het plegen van een vermogensdelict gelegen was."

3.6. Het bestreden arrest houdt onder 'Strafmotivering', voor zover hier van belang, het volgende in:

"Tevens heeft het hof bij de strafoplegging acht geslagen op het rapport van het Pieter Baan Centrum, d.d. 28 november 2003, opgemaakt door A.J. de Groot, psycholoog en F.R. Kruisdijk, psychiater.

(...)

Het advies van het rapport luidt - kort en zakelijk weergegeven -:

"De verdachte is een man met een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale (psychopathiforme) trekken. Naast het recente feit 1 is hem, na DNA-bewijs, nog een andere zaak tenlastegelegd onder de feiten 2 en 3.

(...) De verdachte ontkent feit 1, waardoor bij de behandeling van dit feit slechts kan worden uitgegaan van de informatie uit het strafdossier. Bij feit 1 valt dan een planmatig optreden op van de verdachte, indien dat feit wordt bewezen: in bezit zijn van een vuurwapen, helpen met oversteken en toegang tot de woning verschaffen. (...)."

Het hof heeft voorts acht geslagen op het (aanvullende) rapport van het Pieter Baan Centrum, d.d. 12 augustus 2005, opgemaakt door A.J. de Groot, psycholoog en F.R. Kruisdijk, psychiater.

De conclusie van dit rapport is gelijkluidend aan de hierboven aangehaalde conclusie van het rapport d.d. 28 november 2003. Het advies wijkt echter af van het eerder hierboven aangehaalde advies. Het advies uit het rapport d.d. 12 augustus 2005 luidt - kort en zakelijk weergegeven -:

"In tegenstelling tot de vorige observatie-periode werkt de verdachte nu mee aan de rapportage in die zin dat hij een bekennende verdachte is ten aanzien van de feiten 1 en 3, hoewel hij verkrachting ontkent.

Door de medewerking kon een volledig hernieuwd onderzoek uitgevoerd worden en werd een toenemend inzicht verkregen in de ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling. Hierbij valt een ernstige persoonlijkheidsstoornis vast te stellen met een fragmentarische borderline organisatie met narcistische kenmerken en een antisociale ontwikkeling, die als psychopathiform kan worden beschreven. Er is sprake van een seksuele identiteitsdiffusie die voortkomt uit zijn algehele identiteitsdiffusie, passend bij een borderline organisatie van de persoonlijkheid. De (rand)psychotische en depressieve reactie en seksuele drang- c.q. dwanghandelingen passen bij de symptomatologie van een gedecompenseerde borderline organisatie als de draaglast de draagkracht van zijn psyche heeft overschreden. Er zijn echter geen aanwijzingen dat dit toestandsbeeld - randpsychose, depressie en dwangmatigheid - aanwezig was ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

Evenmin zijn er aanwijzingen voor een posttraumatische stressstoornis ten gevolge van het door de verdachte opgevoerde seksuele misbruik in zijn jeugd. De verdachte neigt doorgaans eerder tot uitageren ('acting-out') als hij plotseling onder druk komt te staan of zich bedreigd voelt, dan tot internalisering van spanning (dissociatie).

De door de verdachte opgevoerde verklaring voor het doden van het slachtoffer [slachtoffer 1] (feit 1) zoals weergegeven op bladzijde 30/31 van het rapport: dat hij de oude man hielp met de boodschappen over straat brengen, vervolgens de boodschappen naar boven droeg en even van het toilet gebruik maakte; dat - toen hij gebruik had gemaakt van het toilet - het slachtoffer met de gulp open en met zijn riem los in de kamer stond; dat hij dacht dat de man iets van hem moest, iets van sexuele aard; dat hij vervolgens geen moment aarzelde, het pistool uit zijn zak pakte, dit doorlaadde en gericht op het slachtoffer schoot; dat hij al geschoten had voordat hij het wist en dat hij niemand meer aan zich laat komen na sexueel misbruikt te zijn; dat hij het op een overval wilde doen lijken en daarom de portemonnee van het slachtoffer heeft afgenomen en de woning heeft doorzocht kan door het ontbreken van een posttraumatische stressstoornis in ieder geval vanuit de stresstheorie moeilijk geplaatst worden als een affectief-defensieve reactie, waarbij hij sneller handelde, naar aanleiding van een vermeende seksuele trigger, dan hij kon denken. Zijn geheugen rondom het tenlastegelegde is intact, het slachtoffer was van een hoge leeftijd in tegenstelling tot degene die hem misbruikt zou hebben, zodat onwaarschijnlijk is dat een openstaande gulp alleen voldoende trigger is geweest om tot een dergelijke impulsief reactieve daad over te gaan. De aanwezigheid van een vuurwapen, het afnemen van geld en het doorzoeken van de woning zijn eveneens moeilijk in te passen in het door de verdachte opgeroepen beeld van een affectieve reactie om het gevaar te bezweren".

Op bladzijde 35 van het rapport wordt bovendien gesteld:

"Verwacht zou worden dat de verdachte dan zo geschrokken was van de bedreiging met vermeend seksueel misbruik en het besef het slachtoffer gedood te hebben dat hij spoorslags de plaats delict verlaten zou hebben. (...)."

(...)

Het hof neemt de conclusie uit het rapport d.d. 12 augustus 2005 - die gelijk is aan de bovengenoemde conclusie uit het hierboven aangehaalde rapport d.d. 28 november 2003 - over en maakt deze tot de zijne. Het hof acht de verdachte terzake van de onder 2 primair en 3 bewezenverklaarde feiten enigszins verminderd toerekeningsvatbaar en terzake van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit volledig toerekeningsvatbaar."

3.7.1. De verdediging heeft gemotiveerd het standpunt ingenomen dat, zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 18 februari 2005 heeft verklaard, het tenlastegelegde oogmerk om door de doodslag de diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken ontbreekt. In dat verband heeft de verdediging op die terechtzitting van het Hof verzocht de verdachte te doen opnemen in het Pieter Baan Centrum teneinde omtrent de verdachte een rapport te doen opmaken. Het Hof heeft dat verzoek toegewezen en omtrent de verdachte is een nader rapport uitgebracht. Van die rapportage heeft het Hof kennisgenomen en daaraan onder meer ontleend hetgeen hiervoor onder 3.6 in de strafmotivering is weergegeven.

3.7.2. Het Hof heeft derhalve, zich baserend op vorenbedoelde rapportage, het op grond van het onderzoek ter terechtzitting onaannemelijk geacht dat de door en namens de verdachte aangevoerde omstandigheden duiden op een affectief-defensieve reactie naar aanleiding van een vermeende seksuele "trigger", het onwaarschijnlijk geacht dat een openstaande gulp voldoende "trigger" is geweest tot de gestelde impulsief reactieve daad van het doodschieten van het slachtoffer en ook de aanwezigheid van een vuurwapen, het afnemen van geld en het doorzoeken van de woning moeilijk inpasbaar geacht in het door de verdachte opgeroepen beeld van een affectieve reactie om het gevaar te bezweren.

Aldus heeft het Hof in de bestreden uitspraak, zonder miskenning van het voorschrift van art. 359, tweede lid, Sv, voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht waarom het bij de selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal de inhoud van de desbetreffende ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte in dit opzicht terzijde heeft gelaten en de inhoud van de eerder afgelegde verklaringen van de verdachte voor het bewijs heeft gebezigd.

Het onder 1 primair bewezenverklaarde kan, ook wat het oogmerk betreft, uit de gebezigde bewijsmiddelen, zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven, worden afgeleid. Ook overigens is deze bewezenverklaring toereikend gemotiveerd.

3.8. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

4. Beoordeling van het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moeten de beroepen worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 27 maart 2007.