Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ7621

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
R05/156HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ7621
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden bij afwikkeling van hun huwelijk op grond van huwelijkse voorwaarden houdende algehele uitsluiting over de verrekening van aan man niet-uitgekeerde ondernemingswinsten van de familie-BV waar hij directeur/certificaathouder was; ‘overwegende zeggenschap’ als bedoeld in art. 1:141 lid 4 BW?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 318
RvdW 2007, 489
NJB 2007, 1124
JWB 2007/174
JPF 2009/63 met annotatie van BER
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 mei 2007

Eerste Kamer

Rek.nr. R05/156HR

MK

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 2 juni 2003 ter griffie van de rechtbank Roermond ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht tussen hem en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - echtscheiding uit te spreken.

De vrouw heeft bij verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, onder meer, verzocht tot verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen over te gaan en tot verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden.

De rechtbank heeft bij beschikking van 21 april 2004, voorzover in cassatie van belang, echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de verzoeken tot verdeling en verrekening afgesplitst en bepaald dat de verzoeken worden behandeld onder zaaknummer 60409/FARK 04-308. Bij beschikking van 18 augustus 2004 heeft de rechtbank bepaald dat indien sprake is geweest van uitkeerbare winsten als bedoeld in art. 1:141 BW in de [A] B.V. deze op grond van de huwelijkse voorwaarden tussen de man en de vrouw dienen te worden verrekend en partijen verzocht om zich uiterlijk ter rolzitting van 7 oktober 2004 uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij beschikking van 25 augustus 2005 heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 18 augustus 2004 vernietigd en in zoverre opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vrouw tot verrekening van het aandeel van de man in de in het verleden niet uitgekeerde winsten van [A] B.V. afgewezen en de zaak teruggewezen naar de rechtbank ter fine van voortprocederen.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn in 1991 met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden houdende uitsluiting van elke gemeenschap van goederen en jaarlijkse verrekening van de overgespaarde inkomsten.

(ii) De man heeft in de maand november 1994, evenals ieder van zijn twee broers, eenderde van de certificaten van aandelen in [A] B.V. (hierna: de B.V.) gekocht van zijn vader. De Stichting [B] (hierna: de Stichting) beheert de aandelen in de B.V. en oefent de daaraan verbonden rechten uit. Vanaf 24 januari 1996 bestaat het bestuur van de Stichting uit de drie broers. Besluiten van de vergadering van certificaathouders en besluiten van de directie van de B.V. moeten worden genomen met volstrekte meerderheid van stemmen. Art. 6 van de statuten van de Stichting luidt:

"Het bestuur dient er zorg voor te dragen dat steeds zodanig behoorlijk dividend op aandelen in de vennootschap zal worden uitgekeerd als verantwoord is met inachtneming van de continuïteit van de vennootschap."

(iii) De man en zijn twee broers waren directeuren van de B.V. De man was belast met de financiële zaken van de B.V. De man is per 1 juli 2002 uit dienst getreden van de B.V. en ontvangt sindsdien geen salaris meer.

(iv) De B.V. heeft in de periode van 1995 tot en met 2003 zowel positieve als negatieve resultaten geboekt en heeft over een periode van negen jaar een gemiddeld resultaat gerealiseerd van ongeveer € 92.059,-- per jaar.

(v) In de jaren 1996 tot en met 2001 is er geen dividend uitgekeerd op de certificaten.

(vi) Partijen hebben tijdens hun huwelijk niet periodiek verrekend zoals bepaald in de huwelijkse voorwaarden.

(vii) Op 5 juli 2004 zijn partijen van echt gescheiden door inschrijving van de tussen hen door de rechtbank te Roermond uitgesproken echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Voor het hof was in geschil of het aandeel van de man in de in het verleden niet uitgekeerde ondernemingswinsten van de B.V. voor verrekening in aanmerking komt. De vrouw nam het standpunt in dat de winst nauwelijks is geïnvesteerd maar vooral is opgepot en dat er jaarlijks een aanzienlijk dividend had kunnen worden uitgekeerd zonder de continuïteit van het bedrijf in gevaar te brengen.

3.3 Het hof heeft geoordeeld dat voor verrekening van niet uitgekeerde winsten van de B.V. geen plaats is omdat, nu de man slechts eenderde deel van de certificaten houdt en een dienovereenkomstig aandeel in de besluitvorming van het bestuur van de Stichting heeft, niet is voldaan aan het vereiste dat de man overwegende zeggenschap heeft over het uitkeren van winsten van een niet op zijn naam uitgeoefende onderneming. Dat dit in de praktijk anders zou zijn is naar het oordeel van het hof tegenover de betwisting van de man door de vrouw onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk gemaakt (rov. 4.8). Weliswaar had de man als certificaathouder aan het driehoofdig bestuur, waarvan hij deel uitmaakt, kunnen verzoeken tot winstuitkering over te gaan en had hij bij weigering van dat verzoek zich terzake kunnen wenden tot de rechter om alsnog uitbetaling van dividend af te dwingen, doch zulks neemt niet weg dat aldus geen sprake is van overwegende zeggenschap als bedoeld in art. 1:141 lid 4 BW, aldus het hof (rov. 4.9).

3.4 Klacht 1 betoogt, naar de kern genomen, dat het hof heeft miskend dat een getalsmatige minderheidszeggenschap er niet aan in de weg behoeft te staan dat toch wordt voldaan aan de eis van art. 1:141 lid 4 dat de echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, indien de materiële verhoudingen meebrengen dat de echtgenoot niettemin kan beslissen of al of niet tot winstuitkering wordt overgegaan. De klacht kan bij gebreke van feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het oordeel van het hof berust niet alleen maar op de formele minderheidspositie van de man binnen het bestuur van de Stichting, maar ook daarop dat het hof de stelling van de vrouw dat de machtsverhouding in de praktijk anders lag als onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk gemaakt verwierp. Het hof heeft derhalve niet miskend dat ook feitelijke zeggenschap van een echtgenoot over de winstbestemming ertoe kan leiden dat niet uitgekeerde winsten op de voet van art. 1:141 lid 4 bij de verrekening in aanmerking moeten worden genomen.

3.5 Klacht 2 betoogt dat het hof is voorbijgegaan aan essentiële stellingen van de vrouw ten betoge dat de man feitelijk bij machte was uitkering van de winst conform art. 6 van de statuten van de Stichting te bewerkstelligen. Deze klacht faalt. Het hof heeft onder ogen gezien dat de man als certificaathouder aan het bestuur van de Stichting had kunnen verzoeken tot winstuitkering te beslissen en bij weigering van dat verzoek zich had kunnen wenden tot de rechter om alsnog uitbetaling van dividend af te dwingen, maar oordeelde dat aldus geen sprake is van overwegende zeggenschap als bedoeld in art. 1:141 lid 4. Tot een nadere motivering van dit, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigende, oordeel was het hof, ook in het licht van art. 6 van de statuten van de Stichting en de in de klacht vermelde verdere stellingen van de vrouw, niet gehouden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, J.C. van Oven, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 4 mei 2007.