Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ7084

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
27-03-2007
Zaaknummer
00931/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ7084
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn (ex-)vriendin gewurgd. I.c. is zowel aan het primaire verweer dat opzet ontbreekt als aan het subsidiaire verweer dat sprake is geweest van psychische overmacht, ten grondslag gelegd dat verdachte leed aan een zogenaamde dissociatieve stoornis. Het hof heeft vastgesteld dat deze door de verdediging gestelde dissociatieve stoornis bij verdachte niet aannemelijk was geworden. Gelet daarop moet de in het middel aangevallen overweging aldus worden verstaan dat het hof daarmee tot uitdrukking heeft gebracht dat de feiten en omstandigheden waarop de verdediging het beroep op psychische overmacht heeft gegrond, niet aannemelijk zijn geworden. Het middel dat van een andere lezing van genoemde overweging uitgaat, mist feitelijke grondslag en kan niet tot cassatie leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 214
NJ 2007, 194
RvdW 2007, 369
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 maart 2007

Strafkamer

nr. 00931/06

ZK/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 november 2005, nummer 22/003014-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De IJssel" te Krimpen aan den IJssel.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 25 april 2005 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder impliciet primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van impliciet subsidiair "doodslag" veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf en daarbij bevolen dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel richt zich tegen de verwerping door het Hof van het beroep op psychische overmacht. Het behelst de klacht dat het Hof daarbij een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door te overwegen dat van psychische dwang waartegen weerstand van de verdachte redelijkerwijs niet kon worden gevergd "niet is gebleken".

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 05 april 2004 te Schiedam, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, die [slachtoffer] gewurgd door het uitoefenen van uitwendig omsnoerend geweld op de hals van die [slachtoffer] dat het ademen voor die [slachtoffer] onmogelijk heeft gemaakt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

3.3. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 september 2005 gehechte pleitnota heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd:

"Primair: Vrijspraak

Geen opzettelijk handelen

(...)

22. Voldoende aannemelijk is derhalve dat cliënt verkeerde in een dissociatieve toestand, waarbij het bewustzijn van cliënt ernstig was vernauwd en geen sprake meer was van een doelgericht handelen. Cliënt was niet in staat zijn wil te bepalen of zijn handelingen te sturen. Hierdoor ontbreekt het vereiste opzettelijk handelen en dient cliënt te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

(...)

Subsidiair: OVAR

Psychische overmacht

24. Indien Uw Hof van oordeel is dat, ondanks het voorgaande, toch sprake was van opzettelijk handelen, dan beroept cliënt zich op psychische overmacht.

25. Cliënt heeft gehandeld onder een psychische drang waartegen weerstand bieden weliswaar niet volkomen onmogelijk was maar redelijkerwijs niet van cliënt kon worden gevergd.

26. Uit de rapportages kan worden afgeleid dat bij cliënt, zogezegd, de druk op de ketel enorm hoog was.

27. Cliënt is na een moeilijke jeugd, de deskundigen spreken over een affectieve verwaarlozing, en onbegrip voor zijn slechthorendheid zowel thuis als op school, een reeks van relaties aangegaan met - met uitzondering van de relatie met ex-echtgenote [betrokkene 1] - problematische, dominante, agressieve vrouwen. Blijkens de psycholoog kozen deze vrouwen cliënt uit en niet andersom (vgl. pg. 15 Triple-onderzoek). Door de jaren heen is cliënt voortdurend geconfronteerd met krenkende diskwalificaties en vernederingen, met name in zijn relatie met [slachtoffer].

28. In de rapporten is uiteengezet hoe de relatie tussen cliënt en [slachtoffer] verliep. Cliënt delfde naar zijn gevoel altijd het onderspit en was niet in staat zich aan deze onevenwichtige relatie te onttrekken. Kenmerkend voor deze onevenwichtigheid is onder andere de periode waarin het [slachtoffer], naar het gevoel van cliënt van de ene op de andere dag, de relatie beëindigde volgens cliënt met de mededeling "de koek is op".

29. Cliënt moest eigenlijk het huis verlaten van [slachtoffer], maar anderzijds liet zij hem niet gaan omdat zij hem nodig had voor praktische zaken zoals het huishouden en de opvang van [betrokkene 2]. Getuigen hebben verklaard dat het slachtoffer misbruik bleef maken van de goedheid van cliënt. Cliënt heeft verklaard dat hij in die periode wel de woning aan de [a-straat] wilde verlaten, maar daartoe de financiële middelen niet had.

30. Naast de enorme spanningen die de relatie (ook na beëindiging daarvan) met zich meebracht voor cliënt, leed cliënt, zoals in 2002 bekend werd, aan botkanker. De ziekte was een lijdensweg voor hem. Er waren uitzaaiingen geconstateerd en hij heeft twee zware operaties aan zijn borstkast ondergaan, waarbij de gehele borstkast is opengelegd. Lange tijd heeft cliënt in onzekerheid verkeerd of hij deze ziekte zou kunnen overwinnen.

31. Cliënt heeft verklaard in die periode geen enkele steun te hebben ondervonden van [slachtoffer] en in de periode dat cliënt in het ziekenhuis lag heeft hij [betrokkene 2] niet gezien. Na ontslag uit het ziekenhuis bracht hij de nachten door op de bank in de woning aan de [a-straat] en overdag verzorgde hij het huishouden, kluste in de woning en ving hij [betrokkene 2] op. Cliënt heeft verteld deze periode te herinneren als een periode waarin hij geen emoties meer had, hij verkeerde in een roes en waarin hij soms dagenlang niet sliep.

32. Daarbij kwam dat [slachtoffer] geen geheim maakte van haar chatsessies met andere mannen, met wie zij soms ook afsprak. Cliënt had het er zeer zwaar mee om te zien dat [betrokkene 2] tijdens dergelijke afspraken werd meegenomen en zodoende met meerdere mannen, waarvan cliënt vermoedde dat deze verkeerden in een dubieus milieu, werd geconfronteerd.

33. Door al deze omstandigheden was cliënt, zoals blijkt uit de rapporten, ernstig overbelast geraakt. Volgens de deskundigen is cliënt "een uiterst conflictmijdende man die zichzelf wegcijfert en agressie, in welke vorm dan ook, in hoge mate loochent". Gesproken wordt van een bovenmenselijk incasseringsvermogen en een buitengewone agressie-remming.

34. Ook zal de slechthorendheid van cliënt bijgedragen hebben aan een verhoging van de uitputting en de stress, zoals blijkt uit de rapportage van het PBC.

35. De confrontatie met [slachtoffer] op 5 april 2004 waarin cliënt zich wederom tot op het bot gekrenkt en vernederd voelde en hij het gevoel had dat hij zijn twee dochters moest verloochenen, blijkt de trigger te zijn geweest.

36. Deze van buiten komende druk, die een interne stoornis tot gevolg heeft gehad, al dan niet in wisselwerking met de volgens de gedragsdeskundigen bestaande abnormale geestesgesteldheid ten tijde van het delict, heeft ertoe geleid dat cliënt in een (door de psychiater geconstateerde) acute dissociatieve toestand is komen te verkeren.

37. In deze dissociatieve toestand, waarbij sprake was van een ernstige vernauwing van het bewustzijn, heeft cliënt [slachtoffer] gewurgd. Aannemelijk is dat cliënt niet in staat was te denken op dat moment, laat staan keuzes te maken, althans in ernstig beperkte mate.

38. Net als in het geval waarin uw Hof oordeelde in mei 1999 (DD 30 november 2000, pg 875 - 890) dat sprake was van psychische overmacht, verkeerde cliënt in een staat waarin iemand wel in staat is tot handelen maar als het ware ontkoppeld (gedissocieerd) is, en ook hier dient de psychische overmacht bij cliënt te worden erkend.

39. In eerste aanleg heeft de OvJ sterk de nadruk willen leggen op de keuze van cliënt om de confrontatie met [slachtoffer] aan te gaan, door zijn twee dochters, wetende dat [slachtoffer] dit niet wilde, samen te brengen en vervolgens het gesprek met [slachtoffer] aan te gaan. Voor zover hier een culpa in causa-redenering naar voren wordt gebracht, zal dit aan het beroep op overmacht niet in de weg kunnen staan.

40. Cliënt heeft inderdaad een keer van zijn habituele gewoonte om conflicten te vermijden afgeweken en heeft een besluit genomen waarvan hij wist dat [slachtoffer] het daar niet mee eens zou zijn. Dit is echter onvoldoende om aan te nemen dat cliënt zich willens en wetens zou hebben begeven in een situatie waarin het optreden van een hevige gemoedsbeweging (bij cliënt) voorspelbaar was en een handeling als het bewezenverklaarde feit niet denkbeeldig, laat staan dat cliënt zich "willens en wetens zou hebben blootgesteld aan de invloed van een drang waaraan hij geen weerstand kon bieden" (Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 1989, NJ 1990, 48, m.nt 'tH", waarin de Hoge Raad dit criterium hanteerde).

41. Een en ander geldt temeer nu cliënt, zoals geconstateerd ook door de deskundigen, - tot aan die bewuste dag - blijk heeft gegeven van een bovenmenselijk incasseringsvermogen en een buitengewone agressieremming.

42. Nu cliënt heeft gehandeld uit psychische overmacht dient - mocht Uw Hof het feit bewezen achten - ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.

(...)

CONCLUSIE

Primair: vrijspraak van zowel de tenlastegelegde moord als de tenlastegelegde doodslag, subsidiair: ontslag van rechtsvervolging vanwege de schulduitsluitingsgrond psychische overmacht, meer subsidiair verzoek ik u namens cliënt het advies van het Pieter Baan Centrum te volgen en derhalve TBS met voorwaarden op te leggen, bestaande uit opname in VIA, landelijk centrum GGZ en Gehoorstoornissen, met eventueel een gevangenisstraf die (nagenoeg) gelijk is aan de duur van de gevangenisstraf die cliënt inmiddels heeft ondergaan."

3.4. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"8. Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar overgelegde pleitnotitie het verweer gevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. De verdachte zou ten tijde van het begaan van de levensberoving in een dissociatieve toestand hebben verkeerd, waarbij diens bewustzijn ernstig was vernauwd en geen sprake meer zou zijn van een doelgericht handelen. Hierdoor ontbreekt het vereiste opzettelijk handelen, zodat de verdachte dient te worden vrijsproken, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof neemt in dezen de overwegingen over zoals vermeld in het rapport van het Pieter Baan Centrum, d.d. 5 april 2005, opgemaakt en ondertekend door J.R. Haas, psychiater en H.A. van Kempen, psycholoog, zakelijk weergegeven inhoudende dat van een dissociatieve stoornis niet is kunnen blijken.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het bestaan van een dergelijke stoornis ook niet aannemelijk geworden en heeft dit onderzoek het hof overtuigd van de juistheid van genoemde bevinding. Derhalve verwerpt het hof dit verweer.

(...)

10.1 Verwerping van een verweer

De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar overgelegde pleitnotitie het verweer gevoerd dat de verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt, zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat van psychische dwang waartegen weerstand van de verdachte redelijkerwijs niet kon worden gevergd niet is gebleken."

3.5. In het onderhavige geval is zowel aan het primaire verweer dat opzet ontbreekt als aan het subsidiaire verweer dat sprake is geweest van psychische overmacht, ten grondslag gelegd dat de verdachte leed aan een zogenaamde dissociatieve stoornis. Het Hof heeft blijkens de hiervoor onder 3.4 weergegeven nadere bewijsoverweging vastgesteld dat deze door de verdediging gestelde dissociatieve stoornis bij de verdachte niet aannemelijk was geworden. Gelet daarop moet de in het middel aangevallen overweging aldus worden verstaan dat het Hof daarmee tot uitdrukking heeft gebracht dat de (in de hiervoor onder 3.3 weergegeven pleitnota in het bijzonder onder 35 en 37 bedoelde) feiten en omstandigheden waarop de verdediging het beroep op psychische overmacht heeft gegrond, niet aannemelijk zijn geworden.

Het middel dat van een andere lezing van genoemde overweging uitgaat, mist dus feitelijke grondslag en kan daarom niet tot cassatie leiden.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, W.A.M. van Schendel, J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 27 maart 2007.