Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ7080

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
20-03-2007
Zaaknummer
00763/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ7080
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geen ambtshalve cassatie. HR doet de middelen af met art. 81 RO en komt – ondanks op navolgend punt tot vernietiging strekkende conclusie AG – ook ambtshalve niet tot vernietiging en overweegt daartoe in de slotsom dat hij in aanmerking heeft genomen dat in cassatie niet is geklaagd over de juistheid of begrijpelijkheid van het onder ‘Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs’ uitdrukkelijk gemotiveerde oordeel van het hof dat verdachte t.a.v. het in de bewezenverklaring bedoelde verkeersongeval kan worden aangemerkt als degene die bij een verkeersongeval is betrokken a.b.i. art. 7.1 WVW 1994, hoewel hij t.t.v. het desbetreffende verkeersongeval niet (meer) de bestuurder was van het daarbij betrokken motorrijtuig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 398 met annotatie van T.M. Schalken
JOL 2007, 209
RvdW 2007, 344
NJB 2007, 846
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 maart 2007

Strafkamer

nr. 00763/06

SG/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 juli 2005, nummer 20/002899-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Breda van 16 december 2003 - voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van 1a en 1b telkens "overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" en 2. "overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld ten aanzien van de feiten 1a en 1b tot een geldboete van € 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis, met ten aanzien van feit 1a ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden en ten aanzien van feit 2 tot een geldboete van € 250,-, subsidiair vijf dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R. van 't Land, advocaat te Breda, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van het sub 1b tenlastegelegde feit en ten aanzien van de voor de feiten sub 1a en 1b opgelegde geldboete, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat in cassatie niet is geklaagd over de juistheid of begrijpelijkheid van het onder 'Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs' uitdrukkelijk gemotiveerde oordeel van het Hof dat de verdachte ten aanzien van het in de bewezenverklaring onder 1b bedoelde verkeersongeval kan worden aangemerkt als degene die bij een verkeersongeval is betrokken als bedoeld in art. 7, eerste lid, WVW 1994, hoewel hij ten tijde van het desbetreffende verkeersongeval niet (meer) de bestuurder was van het daarbij betrokken motorrijtuig.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel en J. de Hullu in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 maart 2007.