Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ6945

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
42519
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

art. 22.1.b: Predikant ondernemer?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2007/127
V-N 2007/8.11 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 42.519

26 januari 2007

whk

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 december 2005, nr. BK-04/01717, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 71.428, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende, die als vaste predikant verbonden is aan een kerkelijke gemeente, en als zodanig een vast traktement geniet, niet als zelfstandig beroepsbeoefenaar in de zin van artikel 6, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) kan worden aangemerkt. Het Hof heeft daartoe overwogen dat inkomsten uit een permanente functie als die van belanghebbende als predikant bij een vaste gemeente, die zonder gezagsverhouding of dienstbetrekking wordt uitgeoefend, in beginsel vallen onder artikel 22, lid 1, letter b, van de Wet. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat voor de afgrenzing naar het zelfstandig uitgeoefend beroep bepalend is of de werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening worden verricht en of daarbij ondernemersrisico wordt gelopen, en dat, indien - zoals hier het geval is - aan deze voorwaarden niet wordt voldaan en evenmin sprake is van een dienstbetrekking, de betrokken inkomsten vallen onder voormelde categorie inkomsten.

Voorzover de klachten zich tegen dit oordeel richten, falen zij. 's Hofs oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Met name kon het Hof bij de vorming van dat oordeel doen meewegen dat belanghebbende als predikant geen ondernemingsrisico loopt. Voorzover de klachten - met de stelling dat belanghebbende bij het verrichten van zijn werkzaamheden als predikant "volledig zelfstandig en autonoom" is - strekken ten betoge dat het Hof ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de werkzaamheden zelfstandig worden verricht, berusten zij op een onjuiste lezing van 's Hofs uitspraak. Het Hof is immers ervan uitgegaan dat een predikant zijn werkzaamheden niet in ondergeschiktheid verricht, en met zijn oordeel dat belanghebbende zijn werkzaamheden niet zelfstandig verricht, heeft het Hof kennelijk het oog op de omstandigheid dat belanghebbende voor de inkomsten uit zijn werkzaamheden als predikant afhankelijk is van de verbintenis met de kerkelijke gemeente waarvan hij een vast traktement ontvangt.

3.2. De klachten kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2007.