Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ6717

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-04-2007
Datum publicatie
27-04-2007
Zaaknummer
C05/192HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ6717
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Werkgeversaansprakelijkheid. Schadevordering werknemer na ongeval bij het optillen van zware oven. Omvang van door werkgever jegens zijn werknemer te betrachten zorgplicht; regels van algemene bekendheid; stelplicht, aan gemotiveerde betwisting van de stellingen van werknemer te stellen eisen; uitwerking van HR 17 november 2000, nr. C98/273, NJ 2001, 596.

Wetsverwijzingen
Arbeidsomstandighedenbesluit 5.2, geldigheid: 2007-04-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2007/128
JA 2007/120 met annotatie van G.N. van Kooten
NJ 2008, 462
JOL 2007, 308
RAR 2007, 87
RAV 2007, 13
RvdW 2007, 459
JAR 2007, 128
VR 2008, 11
NJB 2007, 1057
JWB 2007/158

Uitspraak

27 april 2007

Eerste Kamer

Nr. C05/192HR

MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. K. Teuben,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 13 november 2000 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de rechtbank, sector kanton, Utrecht en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] te veroordelen tot vergoeding van schade van de door [eiser] reeds geleden en in de toekomst nog te lijden schade, met de wettelijke rente, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede [verweerster] te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 3.000,-- aan buitengerechtelijke kosten.

[Verweerster] heeft de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 21 november 2001 partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent het voornemen van de kantonrechter één of drie deskundigen te benoemen, en bij tussenvonnis van 13 maart 2002 een deskundige benoemd. Bij eindvonnis van 7 mei 2003 heeft de kantonrechter [verweerster] veroordeeld tot vergoeding van de schade van [eiser], nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente en tot betaling van € 1.361,34 voor buitengerechtelijke kosten.

Tegen de vonnissen van de kantonrechter heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. [Eiser] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 28 april 2005 heeft het hof het eindvonnis van de kantonrechter van 7 mei 2003 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiser] alsnog afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de waarnemend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is op 15 juli 1991 in dienst getreden van [verweerster] als horeca verkoopmedewerker in het door [verweerster] geëxploiteerde restaurant in het AMC te Amsterdam.

(ii) Eind maart 1998 werd een zware oven geïnstalleerd in dit restaurant. Deze oven werd aangeleverd op een houten pallet en diende vervolgens gedurende korte tijd enkele centimeters te worden opgetild opdat de pallet kon worden verwijderd en de oven op de daaronder gemonteerde wielen verder kon worden gereden. Op verzoek of in opdracht van zijn cheffin [betrokkene 1], heeft [eiser] met ten minste drie anderen, onder wie twee werknemers van de leverancier, geholpen met het tillen van de oven. Het tillen geschiedde rechtstandig, waarbij betrokkenen door de knieën zijn gegaan.

(iii) [Eiser] heeft zich op 4 mei 1998 ziek gemeld. In juli 1998 heeft hij zijn werkzaamheden hervat. Hij heeft zich in januari 1999 wederom ziek gemeld en gaf daarbij als reden rugklachten aan. Hij is door zijn huisarts verwezen naar de neuroloog, die een hernia constateerde. [Eiser] is in juni 1999 geopereerd, maar de pijn is gebleven. Met ingang van 17 januari 2000 is hem een WAO-uitkering toegekend op grond van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. In augustus 2000 is hij opnieuw aan zijn rug geopereerd.

3.2 [Eiser] heeft zijn hiervoor onder 1 vermelde vordering primair gebaseerd op art. 7:658 BW, daartoe - onder overlegging van getuigenverklaringen en medische rapporten - aanvoerende dat zijn hernia het gevolg is van het tillen van de oven.

[Verweerster] heeft verweer gevoerd. Zij heeft primair betoogd dat geen causaal verband bestaat tussen het tillen van de oven en de hernia. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat zij niet is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgverplichting, nu het optillen van de oven niet buitenproportioneel zwaar of gevaarlijk was en van haar niet kon worden verlangd dat zij mechanische hulpmiddelen inzette.

De kantonrechter heeft een deskundige benoemd om te onderzoeken of de hernia is ontstaan door het tillen van de oven. Bij eindvonnis heeft de kantonrechter, mede op grond van het inmiddels ontvangen rapport van de deskundige, de vordering van [eiser] toegewezen.

[Verweerster] heeft tegen dit eindvonnis appel ingesteld. [Eiser] heeft voorwaardelijk incidenteel geappelleerd. Het hof heeft het bestreden vonnis vernietigd en de vordering van [eiser] alsnog afgewezen. Het heeft vooropgesteld dat door [eiser] niet is bestreden dat de oven onder optimale omstandigheden is getild. Het is voorts ervan uitgegaan dat het gewicht van de oven maximaal 200 kg bedroeg (rov. 2) en dat [eiser] gedurende korte tijd een gewicht van maximaal 50 kilo diende op te lichten (rov. 4.6). Het overwoog vervolgens:

"4.7. Dat ten tijde van het onderhavige incident een norm gold voor de maximale belasting bij handmatig tillen is ook in hoger beroep niet gesteld noch gebleken.

[verweerster] heeft in dit verband een passage uit het rapport van Beijersbergen geciteerd waarin deze erop wijst dat in de bouwwereld het tillen van zakken cement van 50 kilo jarenlang een volstrekt geaccepteerde en normale zaak is geweest en mitsdien van oudsher niet werd gedefinieerd als het ondergaan van aanzienlijke geweldsinwerking (hetgeen volgens de deskundige onverlet laat dat het veelvuldig tillen van dit soort gewichten uiteindelijk tot degeneratieve afwijkingen aan de onderrug kan leiden).

[Eiser] heeft weliswaar aangevoerd dat blijkens een bericht van het ministerie van Sociale Zaken vanaf 1 januari 2003 een bouwvakker maximaal 25 kilo met de hand mag tillen, doch [verweerster] wijst er terecht op dat daaruit niet volgt dat deze "tilnorm" reeds in maart 1998 gold, alsmede dat deze norm betrekking heeft op tilwerkzaamheden van structurele/repetitieve aard met het (ook door Beijersbergen gesignaleerde) risico van het zich ontwikkelen van degeneratieve afwijkingen aan de onderrug vandien, en derhalve daaraan in het onderhavige geval geen (doorslaggevende) betekenis toekomt.

Dat in casu sprake was van een zodanig gevaar voor de veiligheid en gezondheid van haar werknemers dat [verweerster] een zorgplicht heeft geschonden door geen mechanische hulpmiddelen bij het optillen van de oven in te zetten ziet het hof dan ook niet. Vast staat dat het hier om een eenmalige, niet tot de gebruikelijke werkzaamheden behorende, inspanning ging, waarvan moet worden aangenomen dat deze - onder normale omstandigheden en (zoals in het onderhavige geval) op juiste wijze uitgevoerd - geen relevant gevaar voor letsel oplevert.

Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat ook het bepaalde in de artikelen 5.2 en 5.3 Arbobesluit niet meebrengt dat van [verweerster] kon worden verlangd dat zij in het onderhavige geval mechanische middelen inzette om te voorkomen dat door haar werknemers getild moest worden. Aan een eventueel met het tillen gepaard risico was immers in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs in voldoende mate tegemoet gekomen doordat met vier man werd getild en de betrokkenen er zorg voor hebben gedragen dat het tilproces op juiste wijze werd uitgevoerd.

4.8 Dat het tillen bij [eiser] niettemin tot rugklachten heeft geleid kan dan ook niet worden beschouwd als het gevolg van de niet nakoming door [verweerster] van een jegens [eiser] als werknemer bestaande zorgplicht. Veeleer moet worden aangenomen dat sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarbij een bij [eiser] bestaande predispositie voor rugklachten zich (versneld) heeft geopenbaard.

Gezien het vooroverwogene kan in het midden blijven of het verzoek van [betrokkene 1] om te assisteren bij het tillen van de oven als opdracht (de visie van [eiser]) of als verzoek om hulp van vrijwilligers (de visie van [verweerster]) aan te merken viel.

4.9 Dit brengt mee dat er geen grond is om [verweerster] aansprakelijk te achten voor de schade die [eiser] lijdt als gevolg van de ontstane rugklachten en dat de vordering van [eiser] alsnog moet worden afgewezen. (...)"

3.3 Onderdeel 1a van het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat op de werkgever ingevolge art. 7:658 BW de zorgplicht rustte adequate voorzorgsmaatregelen te treffen bij het doen tillen van een zware last als de onderhavige, bijvoorbeeld door het inzetten van mechanische hulpmiddelen, (mede) gelet op Richtlijn 90/269/EEG, de artt. 5.2 en 5.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en het (ook reeds in 1998 van algemene bekendheid zijnde) gegeven dat handmatig tillen van een gewicht van 50 kg relevant gevaar voor rugletsel oplevert.

3.4.1 Bij de beoordeling van dit onderdeel dient tot uitgangspunt dat het in deze zaak toepasselijke art. 7:658 BW niet beoogt een absolute waarborg te scheppen voor bescherming tegen gevaar. De werkgever dient ingevolge dit artikel die maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Wat van de werkgever in redelijkheid mag worden verwacht, hangt af van de omstandigheden van het geval (HR 11 november 2005, nr. C04/253, RvdW 2005, 124).

3.4.2 Ingevolge art. 5.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dat mede dient om uitvoering te geven aan het bepaalde in Richtlijn 90/269/EEG betreffende de minimum veiligheids- en gezondheidsvoorschriften voor het manueel hanteren van lasten met gevaar voor met name rugletsel voor de werknemers, dient de werkgever de arbeid zodanig te organiseren en zodanige hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen te gebruiken dat fysieke belasting van de werknemer geen gevaren met zich kan brengen voor diens veiligheid en gezondheid. Deze bepaling is mede van belang voor de omlijning van de door de werkgever ingevolge art. 7:658 BW jegens zijn werknemer te betrachten zorgplicht.

3.4.3 In dit licht klaagt het onderdeel terecht dat het hof met zijn bestreden oordeel van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven. Ook naar de in 1998 gangbare normen en inzichten had een werkgever in een geval als het onderhavige de verplichting ervoor te zorgen dat een werknemer die in het kader van zijn werk een zware last (omstreeks 50 kg) te tillen krijgt, ter voorkoming van het ontstaan van letsel de beschikking heeft over mechanische hulpmiddelen of persoonlijke beschermingsmiddelen. Het is immers van algemene bekendheid te achten dat het met de hand tillen van een zodanig gewicht door iemand tot wiens normale werkzaamheden dit niet behoort, een serieus te nemen gevaar oplevert voor het ontstaan van rugletsel. Daartegen beschermt zowel art. 7:658 lid 1 BW als art. 5.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

3.5 Onderdeel 1b is gericht tegen de conclusie die het hof in rov. 4.8 heeft getrokken. Aangezien deze conclusie, zoals het onderdeel terecht stelt, voortbouwt op de door onderdeel 1a met succes aangevallen rov. 4.7, treft ook dit onderdeel doel.

3.6 Onderdeel 2a komt op tegen het slot van rov. 4.2 waarin het hof heeft overwogen dat het, mede gelet op hetgeen daaromtrent in het deskundigenrapport wordt vermeld en het standpunt van [eiser] in eerste aanleg, uitgaat van de juistheid van de stelling van [verweerster] dat het gewicht van de oven maximaal 200 kg bedroeg en voorts dat de mededeling van [eiser] dat hij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de oven naar alle waarschijnlijkheid zwaarder is geweest, in het licht van het voorgaande te weinig concreet is om als deugdelijke betwisting te worden aangemerkt. Het feit dat [verweerster] niet is ingegaan op het verzoek van [eiser] om gegevens met betrekking tot de oven in het geding te brengen, maakt dit niet anders, aldus nog steeds het hof.

Het onderdeel klaagt terecht dat dit oordeel onjuist is. Van een werkgever die op grond van art. 7:658 lid 2 BW door een werknemer wordt aangesproken, mag immers in het kader van de motivering van de betwisting van de stellingen van de werknemer worden gevergd dat hij in het algemeen de omstandigheden aangeeft die meer in zijn sfeer dan in die van de werknemer liggen (HR 17 november 2000, nr. C98/273, NJ 2001, 596). Als een zodanige omstandigheid is aan te merken het gewicht van de oven, die zich immers in het bedrijf van [verweerster] bevindt (of althans bevond); dat dit gewicht van belang is voor de beantwoording van de vraag of [verweerster] heeft voldaan aan haar zorgplicht tegenover [eiser], is evident. [eiser] heeft gesteld dat de oven naar alle waarschijnlijkheid zwaarder was dan 200 kg; hij heeft daarom herhaaldelijk [verweerster] verzocht gegevens met betrekking tot het gewicht van de oven in het geding te brengen. Laatstgenoemde heeft dit echter niet gedaan en heeft zelfs doen opmerken het niet noodzakelijk te vinden deze gegevens in het geding te brengen. Bij dit alles verdient nog aantekening dat het in het deskundigenbericht vermelde gewicht van ongeveer 150 kg, en maximaal 200 kg uitsluitend is gebaseerd op een telefonische mededeling van de advocaat van [verweerster]. Dit een en ander laat geen andere slotsom toe dan dat het hof de in het arrest van de Hoge Raad van 17 november 2000 geformuleerde regel heeft miskend, zodat de rechtsklacht van het onderdeel slaagt.

3.7 Onderdeel 2b keert zich tegen het in rov. 4.6 door het hof gegeven oordeel dat [eiser] bij het gezamenlijk met drie anderen tillen van de oven, een gewicht van maximaal 50 kg diende op te lichten. Het onderdeel voert aan dat deze vaststelling onbegrijpelijk is gelet op de algemene ervaringsregel dat wanneer een bepaald gewicht door meer personen wordt getild, het van een (groot) aantal omstandigheden afhankelijk is welk gewicht door iedere persoon afzonderlijk wordt getild.

Ook deze klacht treft doel, aangezien de daardoor ingeroepen ervaringsregel tot geen ander oordeel kan leiden dan het onderdeel vermeldt. Daarbij verdient nog opmerking dat de enkele omstandigheid dat de oven door de betrokkenen op de juiste wijze, rechtstandig, is getild (rov. 4.5), waarop het hof zijn door het onderdeel bestreden oordeel mogelijk mede heeft gebaseerd, niet noodzakelijk meebrengt dat allen die de oven tilden, op elk moment hetzelfde gewicht droegen. Niet alleen bestaat immers de mogelijkheid dat het zwaartepunt van de oven zich op een verschillende afstand van betrokkenen bevond, maar ook dat zij op verschillende momenten of met verschillende kracht zijn gaan of blijven tillen.

3.8 Gelet op het slagen van onderdeel 1 behoeft onderdeel 3, dat klaagt dat het hof de subsidiaire grondslag van de vordering van [eiser] (de in art. 6:170 BW geregelde buitencontractuele werkgeversaansprakelijkheid) niet heeft beoordeeld, geen behandeling.

Onderdeel 4 heeft geen zelfstandige betekenis.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 28 april 2005;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 457,78 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, A. Hammerstein, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 27 april 2007.