Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ6709

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
02176/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ6709
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vrijwillige terugtred. Of gedragingen van verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid t.g.v. omstandigheden die van zijn wil onafhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten (HR LJN AZ2169). De gebezigde bewijsmiddelen houden in dat: (i) verdachte de gaskranen van het fornuis volledig heeft opengezet en de pitten van het kooktoestel heeft verwijderd; (ii) de verdachte zich ongeveer drie uren nadien bij de politie heeft gemeld; (iii) er een concentratie van ongeveer 25 procent gas/lucht-mengsel in de woning aanwezig was, hetgeen volgens de deskundige van TNO een serieus gevaar opleverde; (iv) een hoge concentratie aardgas leidt tot een explosie in het explosieve gebied die al kan plaatsvinden door bij voorbeeld het aanslaan van een koelkast. ’s Hofs oordeel dat de gedragingen van verdachte, bestaande in het zich na drie uren melden bij het politiebureau en het overhandigen van de sleutel met de mededeling dat hij de gaskraan open had gezet, onder de onderhavige omstandigheden niet toereikend waren om de gevolgtrekking te wettigen dat sprake is geweest van vrijwillige terugtred van verdachte, is onjuist noch onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 172
NJ 2007, 171
RvdW 2007, 326
NJB 2007, 787
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 maart 2007

Strafkamer

nr. 02176/06

DV/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 oktober 2005, nummer 22/001386-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 18 oktober 2002 - voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van "poging tot het opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is" veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.J.M. van Roy, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het vierde middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat de verdachte niet strafbaar is aangezien hij vrijwillig is teruggetreden ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 18 januari 2002 te Vlaardingen ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing te veroorzaken in een woning gelegen aan de [a-straat 1] (een zogenaamde Duplexwoning, opgenomen in een aaneengesloten bebouwing), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten was, met dat opzet:

- de gaskranen van het fornuis heeft opengezet bij een openstaande gaskraan en

- vervolgens de woning heeft verlaten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;"

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"[Verdachte] geboren op [geboortedatum] 1971 verscheen aan het bureau van politie met het verhaal dat hij ongeveer 3 uren daarvoor zijn woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] had verlaten nadat hij aldaar de gaskraan had opengezet. Ambtshalve is het mij, verbalisant, bekend dat het adres [a-straat 1] te [woonplaats] zogenaamde duplex woningen zijn. Het adres maakt deel uit van een aaneengesloten bebouwing van twee verdiepingen."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Plaats: [a-straat] [woonplaats].

Datum en tijdstip ontdekking: op 18/01/2002 om 21.20 uur. Waar bevond ontdekker zich: voordeur verdachte.

Wat werd waargenomen: bij het openen van de voordeur een zeer sterke gaslucht.

Verdere omschrijving: gaskraan was volledig opengezet de pitten van het kooktoestel waren verwijderd. Volgens commandant brandweer dhr. A. Brobbel was het enkel een kwestie van tijd tot het daadwerkelijk tot een explosie was gekomen. Personalia van de eigenaar van het goed: [verdachte], [a-straat 1], [woonplaats].

Is de oorzaak bekend: ja, namelijk opendraaien van de gashoofdkraan en het gaskooktoestel.

Waren er bijzondere brandbare explosieve stoffen aanwezig: ja."

c. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 juli 2002, voor zover inhoudende:

"Ik heb op 18 januari 2002 in mijn woning aan de [a-straat] te [woonplaats] bewust de gaskraan van het fornuis opengedraaid. De kookpitten lagen van het fornuis af."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik kwam gister zelf me aanmelden bij jullie. Ik vroeg gisteren mijn moeder wat ik moest doen om geholpen te worden. Ik zei tegen haar 'moet ik van de flat springen of moet ik het gas thuis aanzetten'. Mijn moeder vertelde mij dat ik het gas moest aanzetten. Op dat moment heb ik het gas thuis aangezet en ben even blijven zitten. Daarna kwam ik het melden bij de politie."

e. een rapport opgemaakt door A. Brobbel, brandmeester, voor zover inhoudende:

"Op 18 januari 2002 tijdstip 21.30 uur ben ik als bevelvoerder van de eerste uitrukeenheid, uitgerukt naar de [a-straat 1] voor een sterke gaslucht. Met de aanvalsploeg ben ik naar de woning gegaan waar ik door de brievenbus al een sterke gaslucht waarnam. Met de explosiemeter bleek dat bij het openen van de voordeur er zich een gaslekkage voordeed omdat er een duidelijk gesis waar te nemen viel en omdat de explosiemeter een uitslag gaf. Ik kon direct de hoofdkraan afsluiten. In de woning bleek na een nieuwe blik op de meter een concentratie van rond de 25 procent aanwezig, wat aangaf dat er toch een zware concentratie gas/lucht mengsel was. Bij controle bleek dat er in de keuken een vier pits gaskookstel open was gezet met de pitten verwijderd waardoor het gas vrij kon uitstromen. Dit in een ruimte waar ook nog een cv toestel aan de wand hing wat naar mijn mening een gevaarlijke situatie opleverde (explosiegevaar). Mijns inziens was hier zeker sprake van gemeen gevaar voor goederen waarbij er eveneens direct gevaar voor omwonenden te duchten was."

f. de verklaring van de deskundige ing. M. de Maaijer, werkzaam als research medewerker explosie en veiligheid bij TNO, ter terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2005, voor zover inhoudende:

"Ik kan zeggen dat aardgas in het algemeen slechts brandbaar is in het brandbaarheidsgebied. In een gebied met 100% aardgas, zonder lucht, gebeurt er niets. Er geldt een onder en een bovengrens. Bij aardgas ligt dit tussen de 5 en 15%. Indien het gas-luchtmengsel een aardgasconcentratie van minder dan 5% bevat, is er geen ontsteking mogelijk. Bij een percentage boven de 15% geldt hetzelfde. Een aardgasconcentratie met een percentage van 10% geldt als optimum.

In een grote ruimte zal niet overal een even grote hoeveelheid aardgas zijn. Ergens is dan een gebied dat goed te ontsteken is.

U houdt mij voor dat brandmeester A. Brobbel in zijn rapport van 21 januari 2002 heeft gesproken over een concentratie gas/lucht mengsel van 25 procent in de woning. Ik kan hierop antwoorden dat er dan wel serieus gevaar was.

Het feit dat men buiten het huis reeds een gaslucht geroken heeft, geeft aan dat het gas al een tijdje aan moet hebben gestaan.

Het gevolg van een hoge concentratie aardgas leidt tot een explosie. Een explosie in het explosieve gebied is op vele manieren mogelijk en niet voorbehouden aan een waakvlam en kan al plaatsvinden door bijvoorbeeld het aanslaan van een koelkast. Bij aanzienlijke hoeveelheden gas blijft dit explosiegevaar niet beperkt tot het inwendige van de woning, maar kan er ook buiten een grote klap plaatsvinden en kunnen delen van de woning naar buiten slaan."

3.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring nog overwogen:

"Bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat er geen sprake is van een poging tot opzettelijke brandstichting/veroorzaken van een ontploffing nu niet is komen vast te staan dat er een brandende waakvlam van een geiser danwel een c.v. -ketel was, die de brand of ontploffing teweeg had kunnen brengen.

Voorts kan volgens de raadsman evenmin van een poging tot brandstichting/ontploffing worden gesproken nu de handelingen van verdachte zelf volgens hem onvoldoende zijn om de brand/ontploffing te doen intreden, en eerst door andere factoren, waarop de verdachte zelf géén invloed heeft, alsnog de brand/ontploffing zou intreden.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

Blijkens de verklaring ter terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2005 van de heer ing. M. de Maaijer, ter toelichting op zijn faxbericht van 13 februari 2004, is het ontsteken van een aardgas/lucht mengsel in het explosieve gebied op veel manieren mogelijk en is dit niet voorbehouden aan een waakvlam. Het verweer treft derhalve in zoverre geen doel.

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de handelingen van de verdachte zelf onvoldoende zouden zijn om een ontploffing teweeg te brengen en dat daarom geen sprake kan zijn van een strafbare poging, faalt ook dit verweer. De verdachte heeft verklaard dat hij bij een openstaande gaskraan, de kranen van het fornuis in zijn woning heeft opengezet en vervolgens zijn woning, die deel uitmaakt van een aaneengesloten bebouwing van twee verdiepingen, heeft verlaten. Pas drie uren later heeft hij dit gemeld bij de politie. Deze gedragingen van de verdachte moeten naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het teweegbrengen van een ontploffing.

Door zijn handelingen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat een ontploffing zou volgen.

Naar het oordeel van het hof is er sprake van een begin van uitvoering van het teweegbrengen van een ontploffing en dient mitsdien het voornoemde verweer te worden verworpen."

3.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer van de raadsman als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van de verdachte heeft zich beroepen op de vrijwillige terugtred als bedoeld in art. 46b van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft hiertoe gesteld dat de verdachte zich zelf op het politiebureau heeft gemeld en zijn sleutel aan de politie heeft overhandigd, zodat de politie in staat werd gesteld een ontploffing te voorkomen.

Het hof overweegt hieromtrent dat het feit dat er geen ontploffing heeft plaatsgevonden, gelegen is in het feit dat er nog geen ontsteking had plaatsgevonden in het explosieve gebied. Dit is een van de wil van de verdachte onafhankelijke omstandigheid. Het hof is derhalve van oordeel dat geen sprake is geweest van vrijwillige terugtred."

3.4. Het volgende moet worden vooropgesteld. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten (vgl. HR 19 december 2006, LJN AZ2169, NJ 2007, 29).

3.5. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden in dat:

(i) de verdachte de gaskranen van het fornuis volledig heeft opengezet en de pitten van het kooktoestel heeft verwijderd;

(ii) de verdachte zich ongeveer drie uren nadien bij de politie heeft gemeld;

3.6. Gelet op het voorgaande geeft 's Hofs oordeel dat de gedragingen van de verdachte, bestaande in het zich na drie uren melden bij het politiebureau en het overhandigen van de sleutel met de mededeling dat hij de gaskraan open had gezet, onder de onderhavige omstandigheden niet toereikend waren om de gevolgtrekking te wettigen dat sprake is geweest van vrijwillige terugtred van de verdachte, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

3.7. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

4.2. De verdachte heeft op 26 oktober 2005 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 7 augustus 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.

5. Beoordeling van het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

Vermindert deze in die zin dat deze zestien maanden en twee weken, waarvan vijf maanden en een week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 13 maart 2007.