Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ6126

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
00806/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ6126
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen, bewuste nauwe samenwerking. Geklaagd wordt over de bewijsvoering van het medeplegen van de diefstal door verdachte van 4 (gelijktijdig gestolen) BMW’s en 1 (daarvoor gestolen) Mercedes. Het hof heeft – naast de vaststelling omtrent het gebruik dat verdachte van de gestolen BMW X5 heeft gemaakt - vastgesteld dat de (gestolen) Mercedes- waarin later die nacht verdachte inzittende bleek te zijn - reeds zeer korte tijd na de diefstal van die BMW's door een aantal getuigen tezamen met 3 van die BMW’s is gezien, terwijl nog weer korte tijd later voor de Mercedes en 1 van de BMW's zonder te betalen benzine is getankt. Voorts blijkt uit ‘s hofs vaststellingen dat de inzittenden van de BMW’s en de Mercedes elkaar kenden en tijdens hun nachtelijke tocht contact met elkaar hadden, terwijl een aantal van hen –onder wie verdachte – “altijd samen zijn“. Uit een en ander, in samenhang beschouwd met de overige bewijsvoering, heeft het hof kunnen afleiden dat tussen verdachte en zijn mededaders sprake was van een voor een bewezenverklaring van het medeplegen vereiste mate van bewuste en nauwe samenwerking. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 340
NJ 2007, 298
RvdW 2007, 513
NJB 2007, 1315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 mei 2007

Strafkamer

nr. 00806/06

IV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 september 2005, nummer 20/007680-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Rijksinrichting voor jongens "Den Hey-Acker" te Breda.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - behalve ten aanzien van de bewijsvoering en de strafoplegging - bevestigd een vonnis van de Rechtbank te Breda van 8 november 2004, waarbij de verdachte is veroordeeld ter zake van nummer 02/001139-04: 1 subsidiair "opzetheling", 2 primair "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak", 3. "medeplegen van opzetheling", 4. "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak", 5. "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd" en ter zake van nummer 02/076645-04 "eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd". Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft het onder 2 primair en 3 bewezenverklaarde en wat betreft de opgelegde straf, en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De conclusie van de Advocaat-Generaal is aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt erover dat de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende met redenen is omkleed.

3.2. Overeenkomstig de inleidende dagvaarding is ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat hij:

"in de periode van 9 januari 2004 tot en met 10 januari 2004 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een loods aan de Insulindestraat 1D heeft weggenomen een personenauto merk BMW, type X5, kleur blauw en een personenauto merk BMW, type 325 CI, kleur zwart en een personenauto merk BMW, type 520 IA, kleur blauw en een personenauto merk BMW, type 323 I, kleur grijs, toebehorende aan [bedrijf A], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak."

3.3. De bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7 en 8.

3.4. Het bestreden arrest houdt voorts, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"In hoger beroep is van de zijde van de verdachte nog het verweer gevoerd, dat geen bewijs voorhanden is waaruit volgt dat de verdachte het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 02-001139-04 onder 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 9 januari 2004, omstreeks 1.30 uur, werd bij een woninginbraak in Hilvarenbeek een grijze Mercedes S320 CDI, voorzien van het kenteken [00-AA-BB], gestolen.

Op 9 januari 2004, omstreeks 23.26 uur kwam bij de alarmcentrale de melding binnen van een inbraak in een bedrijfspand in Tilburg. Daarbij werden vier dure BMW's gestolen, te weten een BMW X5 (gekentekend [01-CC-DD]), een BMW 325 CI Cabriolet (gekentekend [02-EE-FF]), een BMW 323 I (gekentekend [03-GG-HH]) en een hagelnieuwe BMW 520 IA, die nog niet was voorzien van kentekenplaten.

Korte tijd later, om 23.45 uur/24.00 uur, zagen de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] een BMW 323 I, een BMW X5 en een BMW Cabriolet uit de 3-serie rijden in Oisterwijk. Bij die auto's was ook een zilvergrijze Mercedes S320 CDI. De inzittenden van al deze auto's waren jonge mensen.

Weer enige tijd later, op 10 januari 2004 te 1.00 uur, hoorde de getuige [getuige 4] vier signalen, waaruit hij afleidde dat vier auto's kort achter elkaar het terrein van het benzinestation aan de A58 te Moergestel opreden. Twee van de vier auto's hebben niet getankt; de andere auto's waren volgens de getuige [getuige 4] een BMW Cabrio, voorzien van een kenteken waarvan de lettercombinatie [JJ-KK] was en de cijfercombinatie vermoedelijk [04], en een BMW X5, waarvan het kenteken begon met de cijfers [01]. Nadat voor beide auto's benzine was getankt, heeft de bestuurder van de BMW X5 voor beide auto's betaald. Ook overigens zag de getuige [getuige 4] dat de bestuurders van beide auto's contact met elkaar hadden.

Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] (dossierpagina 376) volgt dat hij de persoon, die is afgebeeld op de foto's op de dossierpagina's 228-229, herkende als [medeverdachte 2]. Uit de verklaring van de getuige [getuige 4] (bewijsmiddel 8.1.10) leidt het hof af dat bedoelde persoon, [medeverdachte 2], de bestuurder was van de BMW X5, waarvan het kenteken begon met de cijfers [01].

Op 10 januari 2004 omstreeks 1.13 uur zag de getuige [getuige 5] (bewijsmiddelen 8.1.21 en 8.1.22; door de eerste rechter zijn de vindplaatsen in het dossier kennelijk abusievelijk verwisseld) dat de bestuurder van een Mercedes, voorzien van het kenteken [00-AA-BB], zonder daarvoor te betalen benzine tankte bij het tankstation aan de A58 onder Gilze. Tegelijkertijd werd bij dat tankstation zonder te betalen benzine getankt door de bestuurder van een BMW Cabrio, voorzien van het kenteken [JJ-KK-04].

Weer enige tijd later, op 10 januari 2004 omstreeks 2.10 uur, werd de BMW X5 aangetroffen op de Jules de Beerstraat te Tilburg. Bij die auto bevond zich op dat moment een grijze personenauto. In het ambtelijk relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (bewijsmiddel 8.1.7) relateren zij, dat vóór de BMW X5 een grijze BMW stond, die bij nadering met hoge snelheid wegreed. In het licht van de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] (bewijsmiddelen 8.1.14 tot en met 8.1.18) begrijpt het hof dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een zilvergrijze Mercedes, type S320, ten onrechte hebben aangezien voor een grijze BMW.

Degene die op het moment van aantreffen op de bestuurdersplaats van de BMW X5 zat, kon zich aan zijn aanhouding onttrekken door te voet te vluchten.

Volgens de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] was degene die gevlucht was ene [verdachte] (het hof begrijpt dat bedoeld wordt: [verdachte]). Volgens de medeverdachte [medeverdachte 3] had [verdachte] eerder als bijrijder in de grijze Mercedes S320 gezeten, samen met [medeverdachte 2] (het hof begrijpt dat bedoeld wordt: [medeverdachte 2], die eerder de bestuurder van de BMW X5 was geweest, toen getankt werd bij het benzinestation aan de A58 te Moergestel).

Later die nacht, om ongeveer 4.00/4.30 uur, zagen de hiervoor genoemde getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] opnieuw een BMW Cabrio en een Mercedes op een parkeerterrein in Oisterwijk. Volgens deze getuigen ging het om twee van de auto's, die zij de avond tevoren ook al in Oisterwijk hadden gezien. Opmerkelijk in dit verband is dat de BMW X5 en de BMW 323 I, die eerder die nacht door genoemde ge-tuigen nog bij de BMW Cabrio en de Mercedes waren gezien, inmiddels door de politie waren opgespoord. De BMW X5 is om ongeveer 2.10 uur aangetroffen op de Jules de Beerstraat te Tilburg (bewijsmiddel 8.1.7) en de grijze BMW 323 I is om ongeveer 2.24 uur aangetroffen op de Rozemarijn te Oisterwijk (dossier-pagina 214). Overigens werd later die dag ook de gestolen BMW 520 IA in Oisterwijk aangetroffen (dossierpagina 201). De auto was toen voorzien van de kentekenplaten [LL-MM-05], die eerder in Oisterwijk waren gestolen vanaf een geparkeerde personenauto (dossierpagina 400). In de BMW X5 werden voorts de kentekenplaten [06-NN-OO] aangetroffen, die tussen 9 januari 2004 te 22.30 uur en 10 januari 2004 te 00.30 uur eveneens in Oisterwijk vanaf een geparkeerde personenauto waren weggenomen (dossierpagina 433).

Uit de verklaring die de medeverdachte [medeverdachte 3] op 16 februari 2004 ten overstaan van de politie heeft afgelegd (dossierpagina 273) volgt, dat "de groep", waarover eerder was gesproken, bestaat uit [medeverdachte 5], [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 1]. Het hof begrijpt dat bedoeld worden: [medeverdachte 5], [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 1]. [medeverdachte 3] verklaarde voorts dat zij altijd samen zijn en dat anderen af en toe meegaan.

Uit het gegeven dat [medeverdachte 2], nadat hij op 10 januari 2004 om ongeveer 1.00 uur bij een benzinestation aan de A58 te Moergestel brandstof had getankt in de op dat moment door hem bestuurde BMW X5, ook de benzine heeft betaald die tegelijkertijd was getankt in een BMW Cabrio met het kenteken [JJ-KK-04], waarvan uit de verklaring van [medeverdachte 3] volgt dat deze werd bestuurd door [medeverdachte 5], en het gegeven dat korte tijd later, om 1.13 uur, door de bestuurder van een zilvergrijze Mercedes met het kenteken [00-AA-BB] zonder te betalen benzine werd getankt op een tankstation aan de A58, waar op datzelfde moment zonder te betalen benzine werd getankt in een BMW Cabrio, voorzien van het kenteken [JJ-KK-04], ten aanzien waarvan uit onderzoek is gebleken dat voor deze auto oorspronkelijk het kenteken [02-EE-FF] was opgegeven, waaruit volgt dat het ging om de kort daarvoor in Tilburg gestolen BMW 325 CI Cabrio, kunnen zowel de bestuurder van de BMW X5, [medeverdachte 2], als de zilvergrijze Mercedes met het kenteken [00-AA-BB] in nauw verband worden gebracht met de (bestuurder/inzittende(n) van de) in Tilburg gestolen BMW 325 CI Cabrio. Tevens kan op grond van vorenstaand verband worden aangenomen dat de door [medeverdachte 2] bestuurde BMW X5, waarvan het kenteken, evenals dat van de korte tijd daarvoor in Tilburg gestolen BMW X5, begon met "[01]", die gestolen auto was.

Ook bestaat er een verband tussen [medeverdachte 2] en de verdachte. Vast staat immers dat de verdachte meereed in een zilvergrijze Mercedes S320, die op dat moment werd bestuurd door [medeverdachte 2] (die eerder de bestuurder was geweest van de BMW X5). Ten aanzien van de verdachte staat voorts vast dat hij vervolgens, nadat hij bijrijder was geweest in de door [medeverdachte 2] bestuurde Mercedes S320, met de persoon die op dat moment bestuurder was van de in de nacht van 9 op 10 januari 2004 in Tilburg gestolen BMW X5 van plaats is gewisseld, waarna hij, verdachte, als bestuurder in de BMW X5 heeft gereden met de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] als passagiers en dat hij, verdachte, nog op de bestuurdersplaats van de BMW X5 zat op het moment dat deze auto door de politie werd aangetroffen op de Jules de Beerstraat te Tilburg.

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat de verdachte met anderen bij toerbeurt gebruik heeft gemaakt van de korte tijd daarvoor gestolen BMW X5. Uit de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] volgt dat anderen gebruik maakten van de gestolen BMW 325 CI Cabrio. Nu de verdachte noch zijn mededaders aannemelijke verklaringen hebben afgelegd omtrent de wijze waarop zij in het bezit zijn gekomen van de gestolen BMW's, moet naar het oordeel van het hof worden aangenomen, mede in aanmerking nemende het relatief geringe tijdsverloop tussen de diefstal van die BMW's en de aanwezigheid van de verdachte in de BMW X5, dat de verdachte en zijn companen zich in vereniging hebben schuldig gemaakt aan de diefstal van die BMW's."

3.5.1. In die nadere bewijsoverweging heeft het Hof verantwoording afgelegd van zijn oordeel dat en waarom het aan de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen de gevolgtrekking heeft verbonden dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan. Of die gevolgtrekking juist is kan in cassatie niet worden onderzocht. De toetsing in cassatie is beperkt tot de vraag of het onder 2 bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.5.2. De klachten van het middel komen erop neer dat de bewijsvoering van het "medeplegen" van de diefstal door de verdachte tekortschiet, nu niet is vastgesteld dat de verdachte van meet af aan in de Mercedes heeft gezeten, geen verband is vastgesteld tussen de inzittenden van de Mercedes en die van de gestolen BMW's, terwijl de enkele omstandigheid dat de verdachte pas in de BMW X5 heeft plaatsgenomen nadat deze was gestolen, het oordeel dat de verdachte de bewezenverklaarde diefstal heeft "medegepleegd" niet kan dragen.

De klachten falen.

Het Hof heeft - naast de vaststelling omtrent het gebruik dat de verdachte van de gestolen BMW X5 heeft gemaakt - vastgesteld dat de (gestolen) Mercedes - waarin later die nacht de verdachte inzittende bleek te zijn - reeds zeer korte tijd na de diefstal van die BMW's door een aantal getuigen tezamen met drie van die BMW's is gezien, terwijl nog weer korte tijd later voor de Mercedes en één van de BMW's zonder te betalen benzine is getankt. Voorts blijkt uit 's Hofs vaststellingen dat de inzittenden van de BMW's en de Mercedes elkaar kenden en tijdens hun nachtelijke tocht contact met elkaar hadden, terwijl een aantal van hen - onder wie de verdachte - "altijd samen zijn". Uit een en ander, in samenhang beschouwd met hetgeen de bewijsvoering overigens inhoudt, heeft het Hof kunnen afleiden dat tussen de verdachte en zijn mede-daders sprake was van een voor een bewezenverklaring van het plegen van de diefstal door twee of meer verenigde personen vereiste mate van bewuste en nauwe samenwerking.

3.6. Het middel faalt derhalve.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink, J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 15 mei 2007.