Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ5902

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-01-2007
Datum publicatie
12-01-2007
Zaaknummer
42739
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijslast van tijdstip bekendmaking uitspraak op bezwaar rust op inspecteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2007, 648
Belastingblad 2007/772
BNB 2007/99 met annotatie van P.G.H. ALBERT
Belastingadvies 2007/3.2
V-N 2007/5.5 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0093 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 42.739

12 januari 2007

RS

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 28 oktober 2005, nr. AWB 05/982, op het verzet van belanghebbende tegen na te melden uitspraak van de Rechtbank betreffende na te melden naheffingsaanslag in de loonbelasting/ premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1. Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor de Rechtbank

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 12 mei 2005 het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan. De Rechtbank heeft bij zijn in cassatie bestreden uitspraak het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

(a) de voor de Rechtbank bestreden uitspraak van de Inspecteur is gedagtekend (vrijdag) 4 februari 2005;

(b) het beroepschrift is bij de Rechtbank ingekomen op 23 maart 2005, in een enveloppe met poststempel 21 maart 2005.

3.2. In verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep heeft belanghebbende gesteld dat zij de bestreden uitspraak van de Inspecteur op (dinsdag) 8 februari 2005 heeft ontvangen, en daaruit afgeleid (mede op grond van gegevens die zij ontleende aan de website van TPG-post) dat de Inspecteur die uitspraak op 7 februari 2005 heeft verzonden. Daartegenover heeft de Inspecteur gesteld dat hij de uitspraak heeft verzonden op de dag van dagtekening, 4 februari 2005.

3.3. Voor de Rechtbank was (terecht) niet in geschil dat het beroep ontvankelijk zou zijn indien de Inspecteur zijn uitspraak op 7 februari 2005 heeft verzonden.

3.4. De Rechtbank heeft veronderstellenderwijze aangenomen dat belanghebbende de uitspraak van de Inspecteur op 8 februari 2005 heeft ontvangen. Vervolgens heeft de Rechtbank eerst geoordeeld dat ontvangst van de uitspraak op 8 februari 2005 niet uitsluit dat deze reeds op 4 februari 2005 ter post is bezorgd, en vervolgens geoordeeld (naar de Hoge Raad verbeterd leest, met herstel van een kennelijke misslag in de uitspraak op het verzet) dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de dag van dagtekening van de bestreden beslissing is gelegen voor de dag van bekendmaking.

3.5. Deze oordelen geven onvoldoende inzicht in de door de Rechtbank gevolgde gedachtegang. De inspecteur draagt de bewijslast van feiten die bepalend zijn voor het aanvangstijdstip van de (bezwaar- dan wel) beroepstermijn. Indien een belanghebbende voldoende gemotiveerd betwist dat een uitspraak is verzonden uiterlijk op de dag van dagtekening ervan, ligt de bewijslast dat zulks wel het geval is geweest derhalve op de inspecteur. De Rechtbank heeft zulks bij haar hiervoor onder 3.4 laatstvermelde oordeel óf miskend, óf zij heeft gemeend dat haar daaraan voorafgaande oordeel - dat ontvangst van de uitspraak op (dinsdag) 8 februari 2005 niet uitsluit dat deze reeds op (vrijdag) 4 februari ter post is bezorgd - meebracht dat de betwisting door belanghebbende onvoldoende gemotiveerd was, zodat van de Inspecteur geen bewijs behoefde te worden verlangd. In dat laatste geval is haar oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk, nu belanghebbende tevens heeft gesteld, onder verwijzing naar gegevens op een website van TPG-post, dat er 95 percent kans is dat de belastingdienst de uitspraak pas op maandag 7 februari 2005 ter post heeft bezorgd, tegenover 5 percent kans dat de uitspraak op vrijdag 4 februari ter post is bezorgd. De bestreden uitspraak is derhalve niet voldoende met redenen omkleed. Voorzover het middel daarover klaagt, is het gegrond.

3.6. De uitspraak van de Rechtbank kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen, waarbij de verwijzingsrechter opnieuw op het verzet zal dienen te beslissen, en die rechter, ingeval het verzet gegrond wordt bevonden, de zaak alsnog in behandeling zal dienen te nemen. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.

4. Proceskosten

De Minister van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door de rechtbank waarnaar het geding verwezen wordt, zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van de verzetprocedure een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op het verzet,

verwijst het geding naar de rechtbank te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 414, en

veroordeelt de Minister van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C.J.J. van Maanen, C. Schaap en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2007.