Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ5718

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
02421/06 W
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ5718
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

WOTS-zaak. De rb heeft als toepasselijke verdragsbepalingen art. uit het VOGP vermeld. Dat verdrag voorziet in de tul. van buitenlandse vonnissen t.a.v. veroordeelden die daartoe door de staat van veroordeling worden overgebracht naar het grondgebied van de staat van tul. Omdat de stukken inhouden dat veroordeelde zich reeds in NL bevond t.t.v. het verzoek tot overname van de tul. van de door de Duitse rechter gewezen beslissingen, biedt (enkel) dat verdrag een ongenoegzame grondslag voor de overname van de tul. van de straf door NL. HR doet zaak zelf af en vermeldt de toepasselijke bepalingen van het EG-Verdrag inzake de tul. van buitenlandse strafvonnissen (Trb. 1992, 39) die sinds 9-12-97 toepassing vinden in de verhoudingen tussen NL en Duitsland (HR LJN AB1523, NJ 2001, 468).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 126
RvdW 2007, 252
NBSTRAF 2007/131
NbSr 2007/131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 februari 2007

Strafkamer

nr. 02421/06 W

EC/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Leeuwarden van 1 augustus 2006, nummer RK 06/151, omtrent een vordering van de Officier van Justitie tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van een vonnis van het Amtsgericht te Heidelberg (Bondsrepubliek Duitsland) tegen:

[Veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft toelaatbaar verklaard de tenuitvoerlegging van de beslissingen van het Amtsgericht in Heidelberg (Bondsrepubliek Duitsland) van 23 september 2004, waarbij de veroordeelde is veroordeeld tot twee jaren en acht maanden gevangenisstraf alsmede van 7 september 2005 waarbij is gelast de tenuitvoerlegging van vier maanden gevangenisstraf. De Rechtbank heeft verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van de genoemde beslissingen en de veroordeelde ter zake van de in die beslissingen vermelde feiten een gevangenisstraf opgelegd van 24 maanden. Voorts heeft de Rechtbank bevolen dat de tijd, welke de veroordeelde in de Bondsrepubliek Duitsland ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie, met het oog op de overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid is beroofd geweest, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze hebben mr. C. Waling en mr. W.B.J. ten Have, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend voor zover bij de toepasselijke artikelen waarop de beslissing berust is vermeld "3, 6, 9, 10 en 11 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen" en dat de Hoge Raad de artikelvermelding zal verbeteren door alsnog bij de artikelen te vermelden: "3, 5, 7, 8 en 21 lid 3 van het Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen" en het beroep voor het overige zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank ten onrechte het op 21 maart 1983 te Straatsburg gesloten Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (Trb. 1983, 74 en Trb. 1987, 163) (verder: VOGP) van toepassing heeft geacht.

3.2. De Rechtbank heeft als toepasselijke verdragsbepalingen de art. 3, 6, 9, 10 en 11 VOGP vermeld. Dat verdrag voorziet in de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen ten aanzien van veroordeelden die daartoe door de staat van veroordeling worden overgebracht naar het grondgebied van de staat van tenuitvoerlegging. Omdat de stukken inhouden dat de veroordeelde zich reeds in Nederland bevond ten tijde van het verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging van de door de Duitse rechter gewezen beslissingen, biedt (enkel) dat verdrag een ongenoegzame grondslag voor de overname van de tenuitvoerlegging van de straf door Nederland. Het middel is dus gegrond.

3.3. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. Daarbij neemt hij in aanmerking dat ingevolge daartoe op grond van art. 21, derde lid, van het op 13 november 1991 gesloten Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen (Trb. 1992, 39) door de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden afgelegde verklaringen de bepalingen van dat Verdrag sinds 9 december 1997 toepassing vinden in de verhoudingen tussen deze beide staten (vgl. HR 8 mei 2001, LJN AB1523, NJ 2001, 468).

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor zover daarin als toepasselijke verdragsbepalingen de art. 3, 6, 9, 10 en 11 van voormeld Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen zijn vermeld;

Vermeldt als toepasselijke verdragsbepalingen de art. 3, 5, 8 en 21, derde lid, van voormeld Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 20 februari 2007.