Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ5673

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
00517/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ5673
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR ambtshalve: De verjaringstermijn beloopt i.c. ex art. 72 ten hoogste 2 x 6 jaar. Uit het tot het bewijs gebezigde politie-pv inhoudende de verklaring van X volgt dat de tenlastegelegde verduistering van de Peugeot 405 GRI heeft plaatsgevonden in de periode van 1-6-94 t/m 7-6-94. Dat brengt mee dat m.b.t. de verduistering van de Peugeot 405 GRI het recht tot strafvervolging wegens verjaring is vervallen. HR verklaart het OM in zoverre niet-ontvankelijk en verwijst de zaak i.v.m. de strafoplegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 119
RvdW 2007, 246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 februari 2007

Strafkamer

nr. 00517/06

KM/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 mei 2005, nummer 23/000587-04, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Rechtbank te Alkmaar van 15 juli 1997 - de verdachte ter zake van zaak A onder 1. en zaak B onder 2. en 4. "een beroep of een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren, meermalen gepleegd", zaak A onder 2. en zaak B onder 1 primair "verduistering, meermalen gepleegd" en zaak B onder 3. "oplichting" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede, in plaats van zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte gedurende 240 uren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partijen, [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6], [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 8], toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 9] afgewezen zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het cassatieberoep zal verwerpen en tevens dat de Hoge Raad het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging zal verklaren zoals in de conclusie betoogd alsmede de bestreden uitspraak zal vernietigen wat betreft de verduistering van de Peugeot 405 GRI, waarbij de Hoge Raad dan de bewezenverklaring en de kwalificatie dient aan te passen.

3. Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden beslissing

4.1.1. Aan de verdachte is als zaak A onder 2 tenlastegelegd dat zij:

"op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van omstreeks 01 juni 1994 tot en met 14 mei 1996 te Hoorn en/of te Baarn, (telkens) opzettelijk een Peugeot-personenauto (type 405 GRI) en/of een Peugeot-personenauto (type 306), in elk geval (telkens) enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 5] en/of [benadeelde partij 10], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten als huurder van deze personenauto(s), onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend."

4.1.2. Dit feit is strafbaar gesteld bij art. 321 Sr. Op dit misdrijf staat een geldboete van de vijfde categorie of een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

4.2. Art. 70 Sr luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

(...)

2° in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld."

Art. 71 Sr luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd (...)."

Art. 72 Sr luidt (na de inwerkingtreding op 1 januari 2006 van de Wet van 16 november 2005, Stb. 2005, 595 en de inwerkingtreding op 7 juli 2006 van de Wet van 5 juli 2006, Stb. 2006, 310), voor zover hier van belang, als volgt:

"1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde.

2. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel (...) ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn."

4.3. Op grond van het tweede lid van art. 72 Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval dus ten hoogste twee maal zes jaar.

4.4. Uit het als bewijsmiddel 8 tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van politie inhoudende de verklaring van [betrokkene 1] volgt dat de tenlastegelegde verduistering van de Peugeot 405 GRI heeft plaatsgevonden in de periode van 1 juni 1994 tot en met 7 juni 1994. Dat brengt mee dat met betrekking tot de verduistering van de Peugeot 405 GRI het recht tot strafvervolging wegens verjaring is vervallen.

5. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ter zake van de in zaak A onder 2 tenlastegelegde verduistering van de Peugeot 405 GRI en de strafoplegging;

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de in zaak A onder 2 tenlastegelegde verduistering van de Peugeot 405 GRI;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak wat betreft de strafoplegging op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier D.N.I. Gjaltema, en uitgesproken op 20 februari 2007.